Alleen thuis op zaterdagavond

Het is stil in huis. De kinderen logeren bij opa en oma, hun moeder is met vriendinnen naar de sauna. Hoe laat ze terug zal komen is niet bekend. Vooralsnog is ze er niet. Het grote dwalen brak aan op het moment dat ik terugkwam van het wegbrengen van de kinderen. Eerst maar eens koffie drinken. De twee mokken gingen gepaard met een handvol (of twee) M&M’s. Wat zal ik eens gaan doen met die zee van tijd? Ik moet eigenlijk het handboek puppieverzorging doornemen. Maar verder dan de paragraaf over de bench kom ik niet. Ik blijf het apart vinden om je huisdier in een kooi te stoppen. Alsof je het dier gevangen zet. Ik weet wel dat het goed is om er een prettige plekje van te maken en dat de hond het oké zal vinden er in te zitten. Maar het blijft een kooi, al noem je het een binnenhuiskennel of in verhullend Engels een bench. Gelukkig is het ding inklapbaar. Dan besluit ik te googlen welke hondendingetjes we nog moeten aanschaffen. Choice is freedom, dus levert de industrie ons twintig soorten voederbakjes en evenzoveel types halsbanden. Hondenkussens bij de vleet en een dinosaurusknekelhof aan namaakbotten om op te kluiven. Nee, wij houden echt van honden in het vrije westen.
Zo kwam ik het eerste uurtje wel door. Wel keek ik om de vijf minuten op mijn mobiel om te checken of er een sms van vrouwlief binnengekomen was. Onlogisch, wie gaat er de sauna in met een 06? Geen bericht, goed bericht, dat wordt dus een latertje. Hoe kom ik de tijd toch door? Buiten viel er weer sneeuw. Ik voelde geen behoefte om voor de derde keer vandaag de oprit sneeuwvrij te maken. Burgerzin heeft zijn grenzen. Een mooie wandeling door het park trok me ook al niet. Die besneeuwde kerstkaartensfeer heb ik nu wel gezien. Eerst maar eens wat eten. Uitgebreid koken doe ik niet voor mij alleen. Dus een stokbroodje brie met groenvoer vormde het diner.
Zoonlief had zijn spelcomputertje laten liggen. Geheel vervuld van zijn nieuwe I-pod lijkt hij zijn andere electronica te zijn vergeten. Ik ben verslavingsgevoelig. De tijd vliegt als ik spelletjes ga spelen op de DS. Helaas geen record gehaald, wel tijd verspeeld. Steeds dacht ik het gebrom van de motor van de auto van de dames te horen. Diverse keren sprong ik op om de voordeur open te doen. De buurman keek mij vreemd aan toen ik telkens als hij de oprit opreed met zijn wagen in de open deur stond.
Ondertussen is de avond al aardig op streek. De tweede ronde koffie is geweest, de zak chocopinda’s is op en de tv boeit niet. Het internet lonkt, wat moet ik er zoeken? Ik kom op de site van Leo Blokhuis terecht. Gisteren woonden wij zijn theaterprogramma bij. Ik heb een reactie (met complimenten en een tip over Radiohead) op zijn site achtergelaten. Al kwam het oprecht uit mijn hart, toch was de voornaamste drijfveer om dit te doen verveling. Domweg de tijd volmaken.
De klok tikt steeds nadrukkelijker. Bij elke seconde denk ik dat ik iets nuttigs moet gaan doen. Ruim de kast op, betaal de rekeningen, vouw de was op, doe iets. Maar verder dan de computer kom ik niet. Rondom het beeldscherm is het een rotzooitje. Ik kijk naar de papieren, de computerkabeltjes en de losse pennen en laat het voor wat het is. Gelukkig kan ik altijd nog tekstjes schrijven. En zo vergaat de tijd. Nog even en ik ben niet meer alleen thuis. Nog even en de stilte in het huis wordt weer doorbroken door hakken van vrouwenlaarzen op de houten vloer, door gesprekken over de juf van onze dochter en over de hond. Ik zal vissen naar sappige verhalen die in de sauna zijn doorverteld. Al weet ik dat het zal meevallen met de greasy details. In ieder geval zal de stilte verdwijnen en zal mijn ronddolen stoppen. Ik hoor iets op straat. Ik ga de deur opendoen. In de open voordeur zal ik staan wachten.

Een drukke wachtkamer met illegale verkoop

In de wachtkamer zaten meerdere patiënten met hun partner te wachten. De stem van de medisch secretaresse klonk luid en duidelijk door de ruimte. Eigenlijk dekt de term ‘wachtkamer’ niet de lading. De kamer was eigenlijk meer een kruispunt in het gangenstelsel van het ziekenhuis. Voortdurend verschenen er in het wit geklede ziekenhuismedewerkers om patiënten te halen of om medische dossiers bij de secretaresse af te geven. De telefoon ging telkens over. ‘Nee, dan moet u echt bellen met de afdeling fysiotherapie, hier is alleen een revalidatiearts, dat is echt anders, ik verbind u terug met de centrale.’ En daar kwam het volgende belletje. Tussen de telefonades door werden de patiënten te woord gestaan die zich meldde bij de balie. Ook dit ging op meer dan verstaanbaar volume. ‘Wat gek dat u met uw handblessure naar de pedoloog moet, weet u het zeker, normaal komt u met zo’n hand bij de plastische chirurg terecht, dus u was gevallen op het ijs, ja dat is hard, hè?’ Zachtjes noemde ik de reden van mijn komst. Gelukkig ging de assistente mee in mijn voorzichtige aanpak. Ik zou zo opgehaald worden. Even wachten dus.
Zeg je ziekenhuis, zeg je wachten. En dat deed ik dan ook vol overgave. De kunst is je niet te ergeren aan de omstandigheden. De mensen aan het wachttafeltje lieten af en toe bezorgde zuchten klinken en ook hun blikken waren niet echt prettig om te zien. Gelukkig zag ik al snel tussen de stapel Autoweeks en Libelles een volgeprint blad liggen. Martin bood via zijn hotmail-account een mooi doos Playmobil aan, de camper. Waarschijnlijk een doosje dat van de vrachtwagen gevallen was. Ook een brandweerwagen en een dierenstal lagen in de aanbieding. Martin had waarschijnlijk al de wachtvertrekken afgelopen om zijn marketinginstrument te verspreiden. Ik hoop voor hem dat hij veel verkoopt op deze manier. Het zorgde bij mij voor een snelle wachttijd, ik vermaakte mij tot nu toe kostelijk.
Tussen twee consulten door kwam ik terug in de wachtkamer. Ik merkte op dat de stoelen per vier stuks aan elkaar geklonken waren. Daardoor kon ik niet los van anderen zitten. De drukte was toegenomen, de artsen trokken meer tijd uit voor hun diagnoses dan gepland. De enige zitplaatsen bevonden zich tussen andere patiënten. Ik zit liever niet te dicht bij andere zieken, je weet nooit wat je oploopt. Bovendien ben ik op mijn privacy gesteld. Dus bleef ik staan en leunde ik nonchalant tegen de wand aan. Al snel reageerde een van de zittende dames of ik niet wilde plaatsnemen, ze was zelfs bereid haar tas op de grond te zetten; de man in de hoek maakt ook al plaats door zijn jas op schoot te nemen. ‘Nee, ik heb daar binnen genoeg gezeten, even lekker staan is prima,’ loog ik om bestwil. Ondertussen protesteerde mijn rug tegen mijn stijfkoppigheid. Gelukkig kwam mijn volgende specialist mij roepen en kon ik de wachtkamer weer verlaten.
De ruimte waarin het gesprek zou plaatsvinden was Spartaans. Ontdaan van elke kleur, leek de ruimte een verhoorkamer. Niets aan de wand, geen kleurrijk object of wat dan ook. Het gesprek verliep goed en kon ik weer terug de gang op. Ook die gang was volledig onttakeld. Het ziekenhuis was een jaar eerder voorzien van een nieuw hoofdgebouw. De oudbouw werd nu gerenoveerd. Voordat er iets werd opgepimpt, stripte men eerst alles tot de fundamenten. Kale gangen, kille vertrekken moeten in de komende maanden omgetoverd worden tot een kleurenfestijn vol allure.
Het eindgesprek volgde na de lunch in de nieuwbouw. Gifgroene muren, fel oranje kasten en puur paarse zitmeubeltjes vormden het decor. Warme kleuren die suggereren dat je in goede handen bent. Op rustige toon vertelde de specialist welke observaties zijn collega’s hadden gedaan en welke conclusies waren getrokken. Ik was ondertussen moe geworden van alle inspanningen van de ochtend. Veel tekst had ik niet meer. Ik knikte op het voorstel om een bloedonderzoek te laten verrichten. Ik fronste toen ik hoorde dat de dosering van de medicijnen omhoog moest, maar stemde in. Het leek alsof ik door de kleuren om mij heen in slaap werd gesust.
Op weg naar de uitgang volgde ik de route door de oudbouw. Even dacht ik dat ik verkeerd gelopen was. In de gang hingen talloze witte jassen en broeken die het medisch personeel tijdens hun werk dragen. De wasserij was in deze gang gevestigd en in de gang bevond zich de voorraad gereinigde werkpakken. Ineens begreep ik waarom in dit ziekenhuis mij zowel de kaalheid als de veelkleurigheid had verbaasd. De enige kleur in het ziekenhuis die er thuis hoort is wit. Steriel, eerlijk, oprecht, pretentieloos. Het vertrouwen waard. Maar een wachtkamer zonder kleur, zat ik daar op te wachten? Een steriele ruimte met een fluisterende assistente, met af en toe een zacht zoemertje van binnenkomend gesprek, een gedempt gesprek van medepatiënten, een tijdschriften met een neutraal kaftje, zou ik dat willen? Ik zou daar natuurlijk nooit een illegaal verkoopblad voor Playmobil aantreffen. Het zou mij niet afleiden. Wit zou mij lam slaan en nerveus houden. Nee, dan maar de kleuren en het rumoer van de wachtkamer, die eigenlijk een kruispunt van gangen was. De drukte bracht mij uiteindelijk de meeste rust. Buiten verdween de sneeuw in de lauwe regen.

Een geel lampje in de vorm van een motorblokje

Ineens stond ik stil. De motor deed het nog, maar voortgang zat er niet meer in. Het gele lampje in de vorm van een motorblokje gloeide op. Storing. Means shit. Ik zette de motor uit, startte opnieuw, merkte ineens dat er toch beweging in de wagen kwam. Ik reed voorzichtig verder. In de derde versnelling, met de voet op het koppelingspedaal kon ik mijn weg vervolgen, of beter, de weg terug opzoeken. Ik trilde van spanning. Straks sta ik stil op de ringweg op een plek waar geen uitwijk mogelijk is. Moet je dan ook uit je auto, zoals de ANWB voorschrijft? Wat kon het zijn? Mijn technische kennis is beperkt, dus het bleef bij gissen. Wat ik weet van motortechniek is wat er ooit gerepareerd is. Maar twee keer achter elkaar hetzelfde gebrek komt zelden voor. Raadselen onder de motorkap. Sinds kort kan ik mijn lampjes ook al niet meer vervangen, met dank aan de auto-ontwerpers. Steeds afhankelijker worden we gemaakt van de dienstverleners. Eén ding stond vast: dit gaat geld kosten. Nog belangrijker: dit gaat tijd kosten. En het meest vervelend: dit wordt spannend.
Nu wil het toeval dat onze garage zich buiten de stad bevindt. Dankzij internet kun je overal occasions traceren. Zo vond ik onze gezinswagen in een klein dorpje bij een bescheiden en niet zo gek dure autobedrijf. Een no-nonsense zaak, zonder glitter en chrome. Maar wel met service en scherpe prijzen. In de werkplaats werd de auto uitgelezen. De storing was snel gevonden, het advies was om te resetten. Dat lijkt mij heerlijk om in het echt ook te kunnen: even doorlichten, stroom uitschakelen, aanzetten en weg zou het probleem zijn. Maar net als in het echt leven, trapte mijn wagen er niet. Gereset of niet, hij bleef storingen melden. Hardnekkig. Dus opereren.
Na een paar dagen stilte heb ik onder druk van mijn vrouw de garage gebeld, of ie klaar was? Nog niet. We kregen een dag later een telefoontje van de garagist. Het werd een slecht-nieuws-gesprek. Verstuivers in het brandstofsysteem zijn duur, heel duur. En wij hebben nu nieuwe! De pest is dat ik de kleinoden niet kan terugvinden onder de motorkap. Heb je iets moois kun je niet eens van de aanblik genieten. Überhaupt vind ik rondom het motorblok niets terug.
Vandaag haalde ik de Avansis weer op uit het dorpje met de twee molens. Het stralende winterweer was omgeslagen. Sneeuwval ging over in slagregens. De dooi rukte op. Ik moest wennen aan mijn eigen auto. Bij elke schokje dacht ik dat de storing weer terug zou keren. Angstvallig hield ik het dashboard in de gaten. Geen oplichtend geel lampje in de vorm van een motorblok. Ik merkte op dat de verlichting rondom de kilometerteller feller stond ingesteld. Een melkwit schijnsel achter het stuurwiel. De toerenteller wiegde op zijn vertrouwde plek, de snelheidsmeter dreigde over de tachtig te gaan, even inhouden, anders kost dit ritje nog meer. Het reed goed. En toen viel mijn mond open van verbazing. De kilometerteller stond 30.000 km hoger dan vorige week. Wat is dit? Ik rekende snel uit dat dit mij 1000 euro inruil scheelde. Een spontaan verouderingsproces. Hoe kon dit? Nu is mijn kennis van autotechniek niet groot, dus begreep ik niet wat er mis was. Thuis belde ik meteen de garage. Ook de man van de garage stond voor een groot raadsel. Dit had hij nog nooit meegemaakt. Hij zou meteen op onderzoek uitgaan. Wel had hij nog een suggestie. Ik deed wat hij mij had uitgelegd. Keurig schroefde ik de minpool van de accu los en liet de auto tien minuten zonder stroom staan. Hoopvol deed ik de sleutel in het contact. Helverlicht toonde de teller doodleuk de verkeerde stand. Resetten bood geen soelaas. Wonderbaarlijk, je staat stil, bijna twee weken lang en toch beweert de boordcomputer dat er een reis om de wereld is gemaakt. Het mysterie duurt voort. Waarschijnlijk is er een virus in de autosoftware gekomen. Van de regen in de drup, zo voelt het. Nee, autorijden is een leuke hobby. Blij dat ik rij.