Een drukke wachtkamer met illegale verkoop

In de wachtkamer zaten meerdere patiënten met hun partner te wachten. De stem van de medisch secretaresse klonk luid en duidelijk door de ruimte. Eigenlijk dekt de term ‘wachtkamer’ niet de lading. De kamer was eigenlijk meer een kruispunt in het gangenstelsel van het ziekenhuis. Voortdurend verschenen er in het wit geklede ziekenhuismedewerkers om patiënten te halen of om medische dossiers bij de secretaresse af te geven. De telefoon ging telkens over. ‘Nee, dan moet u echt bellen met de afdeling fysiotherapie, hier is alleen een revalidatiearts, dat is echt anders, ik verbind u terug met de centrale.’ En daar kwam het volgende belletje. Tussen de telefonades door werden de patiënten te woord gestaan die zich meldde bij de balie. Ook dit ging op meer dan verstaanbaar volume. ‘Wat gek dat u met uw handblessure naar de pedoloog moet, weet u het zeker, normaal komt u met zo’n hand bij de plastische chirurg terecht, dus u was gevallen op het ijs, ja dat is hard, hè?’ Zachtjes noemde ik de reden van mijn komst. Gelukkig ging de assistente mee in mijn voorzichtige aanpak. Ik zou zo opgehaald worden. Even wachten dus.
Zeg je ziekenhuis, zeg je wachten. En dat deed ik dan ook vol overgave. De kunst is je niet te ergeren aan de omstandigheden. De mensen aan het wachttafeltje lieten af en toe bezorgde zuchten klinken en ook hun blikken waren niet echt prettig om te zien. Gelukkig zag ik al snel tussen de stapel Autoweeks en Libelles een volgeprint blad liggen. Martin bood via zijn hotmail-account een mooi doos Playmobil aan, de camper. Waarschijnlijk een doosje dat van de vrachtwagen gevallen was. Ook een brandweerwagen en een dierenstal lagen in de aanbieding. Martin had waarschijnlijk al de wachtvertrekken afgelopen om zijn marketinginstrument te verspreiden. Ik hoop voor hem dat hij veel verkoopt op deze manier. Het zorgde bij mij voor een snelle wachttijd, ik vermaakte mij tot nu toe kostelijk.
Tussen twee consulten door kwam ik terug in de wachtkamer. Ik merkte op dat de stoelen per vier stuks aan elkaar geklonken waren. Daardoor kon ik niet los van anderen zitten. De drukte was toegenomen, de artsen trokken meer tijd uit voor hun diagnoses dan gepland. De enige zitplaatsen bevonden zich tussen andere patiënten. Ik zit liever niet te dicht bij andere zieken, je weet nooit wat je oploopt. Bovendien ben ik op mijn privacy gesteld. Dus bleef ik staan en leunde ik nonchalant tegen de wand aan. Al snel reageerde een van de zittende dames of ik niet wilde plaatsnemen, ze was zelfs bereid haar tas op de grond te zetten; de man in de hoek maakt ook al plaats door zijn jas op schoot te nemen. ‘Nee, ik heb daar binnen genoeg gezeten, even lekker staan is prima,’ loog ik om bestwil. Ondertussen protesteerde mijn rug tegen mijn stijfkoppigheid. Gelukkig kwam mijn volgende specialist mij roepen en kon ik de wachtkamer weer verlaten.
De ruimte waarin het gesprek zou plaatsvinden was Spartaans. Ontdaan van elke kleur, leek de ruimte een verhoorkamer. Niets aan de wand, geen kleurrijk object of wat dan ook. Het gesprek verliep goed en kon ik weer terug de gang op. Ook die gang was volledig onttakeld. Het ziekenhuis was een jaar eerder voorzien van een nieuw hoofdgebouw. De oudbouw werd nu gerenoveerd. Voordat er iets werd opgepimpt, stripte men eerst alles tot de fundamenten. Kale gangen, kille vertrekken moeten in de komende maanden omgetoverd worden tot een kleurenfestijn vol allure.
Het eindgesprek volgde na de lunch in de nieuwbouw. Gifgroene muren, fel oranje kasten en puur paarse zitmeubeltjes vormden het decor. Warme kleuren die suggereren dat je in goede handen bent. Op rustige toon vertelde de specialist welke observaties zijn collega’s hadden gedaan en welke conclusies waren getrokken. Ik was ondertussen moe geworden van alle inspanningen van de ochtend. Veel tekst had ik niet meer. Ik knikte op het voorstel om een bloedonderzoek te laten verrichten. Ik fronste toen ik hoorde dat de dosering van de medicijnen omhoog moest, maar stemde in. Het leek alsof ik door de kleuren om mij heen in slaap werd gesust.
Op weg naar de uitgang volgde ik de route door de oudbouw. Even dacht ik dat ik verkeerd gelopen was. In de gang hingen talloze witte jassen en broeken die het medisch personeel tijdens hun werk dragen. De wasserij was in deze gang gevestigd en in de gang bevond zich de voorraad gereinigde werkpakken. Ineens begreep ik waarom in dit ziekenhuis mij zowel de kaalheid als de veelkleurigheid had verbaasd. De enige kleur in het ziekenhuis die er thuis hoort is wit. Steriel, eerlijk, oprecht, pretentieloos. Het vertrouwen waard. Maar een wachtkamer zonder kleur, zat ik daar op te wachten? Een steriele ruimte met een fluisterende assistente, met af en toe een zacht zoemertje van binnenkomend gesprek, een gedempt gesprek van medepatiënten, een tijdschriften met een neutraal kaftje, zou ik dat willen? Ik zou daar natuurlijk nooit een illegaal verkoopblad voor Playmobil aantreffen. Het zou mij niet afleiden. Wit zou mij lam slaan en nerveus houden. Nee, dan maar de kleuren en het rumoer van de wachtkamer, die eigenlijk een kruispunt van gangen was. De drukte bracht mij uiteindelijk de meeste rust. Buiten verdween de sneeuw in de lauwe regen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Laat hier je reactie op het bericht achter.