Multitasken is niet mijn ding

Nooit ben ik een goede klusser geweest. Ontelbare gaten heb ik tevergeefs geboord. Exact uitmeten waar ik een zaagsnede moet zetten is altijd al een ramp geweest. Binnen de kortste keren gutste het bloed uit mijn vingers als ik iets bevestigen moest. Motorisch altijd al beperkt gebleken. De meeste huisaccessoires hangen hier dan ook net niet waterpas. Of ze komen in no time weer van de wand. Klussen is organiseren. Wat heb je nodig aan materiaal en gereedschap? Daar begint het mee. Mijn werkwijze is allesbehalve planmatig. Ik improviseer er maar wat op los. Meten is weten, ik ken de leuze. Alleen verlies ik het overzicht al snel uit het oog. Ik raak de draad kwijt en moet daardoor steeds opnieuw beginnen.

Ik merk dat het sinds de diagnose er niet beter op is geworden. Een IKEA-ladenblokje kan ik nog in elkaar krijgen. Dat is allemaal voorgeboord en voorgekauwd. Zelfs met mijn klus-IQ is dat nog te doen. Komt het aan op scheppend doe-het-zelven, dan haak ik tegenwoordig af. Vanochtend wilde ik een klusje bestaande uit twee opbergplanken bevestigen afronden. Simpel, steunlatjes tegen de wand, waterpas maken en schappen er op leggen. Makkelijker kan het niet. Dan blijkt dat ik het niet voor elkaar krijg te bepalen waar de gaatjes moeten komen. Ik hannes rond met de duimstok, zet zoveel streepjes dat ik verstrikt raak in dat doolhof en vergeet uiteindelijk hoe hoog het ook weer moest komen. Multitasken is niet mijn ding. Het is een beperking die alleen maar erger is geworden.

Eind van het liedje is dat ik boos de gereedschappen op de werkbank gooi en de planken met kracht in een hoek van de garage trap. Er hangen nog steeds geen schapjes. Misschien moet ik hulp vragen? Maar ja, een beetje klus-macho doet het alleen. Waarschijnlijk moet ik accepteren dat ik een klus-kluns ben. Men moet mij de toegang tot de Gamma ontzeggen en mijn decoupeerzaag afnemen. Klussen is niet goed voor mijn gemoedsrust en voor de huisvrede.

En toch zal ik het weer gaan proberen. Wie weet lukt het als ik in alle rust, zonder tijdsdruk de klus kan klaren. Zou het werken als ik zelf mijn IKEA-werkplan opstel? Ik weet dat ik elke dag trots zal kijken naar mijn plankjes die muurvast zullen zitten. Voorlopig gaapt een groot gat mij aan.


 


 

Een beetje medicus groet niet

Ben net terug van mijn derde afspraak in medisch Nederland. Ja als patiënt met een chronische ziekte kom je nog eens ergens. De eerste twee medical dates bij fysio en neuroloog waren op bekend terrein. De derde ontmoeting vond plaats in een revalidatiecentrum. Het gebouw stamt uit de jaren vijftig. Het is netjes gelegen in het groen. Echt het idee van een paviljoen. Als patiënt moet je wel tot rust komen, of je wilt of niet. Zoals gebruikelijk moest ik wachten eer mijn intakegesprek begon. De huiselijke stamtafel, gevuld met verouderde tijdschriften, liet ik links liggen. Er was genoeg te zien. Omdat het tegen het einde van de werkdag liep, verschenen er steeds mensen die aan het afronden waren. Vier dames van een jaar of vijftig kwamen langs met hun instellingsrollator. Zij waren klaar met hun dagelijkse oefeningen. Bedreven manoeuvreerden zij door de brede gangen naar de lift. Twee van hen vervoerden hun zuurstofflessen in het mandje van de rollator. Allen waren gekleed in joggingpakken, kennelijk handig als je hier wordt behandeld. Later zag ik een interne patiënt in een rolstoel, zijn bovenlijf ingepakt in een brace. Daar viel nog heel wat aan te revalideren. Ze hadden hem naar de verkeerde afdeling gestuurd. Hij moest op zoek naar de nieuwbouw. Een passerende secretaresse hielp hem op weg. Dat was me meteen al opgevallen: artsen, verpleegkundigen en andere werknemers van dit huis deden aan vriendelijk groeten. Vriendelijke gezichten, aardige knikjes en een geruststellende glimlach.

Tja, het leven in een revalidatiecentrum is al genoeg kapot.

Wat een verschil met het ziekenhuis waar ik 's ochtends ter consult ging. Het enorme gebouw is voor veel geld in rustgevende en vriendelijke kleuren geverfd. Je struikelt over de gastvrouwen die de onzekere bezoekers onder hun vleugels moeten nemen. Wachtkamers zijn gestyled tot loungeplekken. Alles is er aan gedaan om de patiënt op zijn gemak te stellen. En het werkt. Zelfs ik word er rustig en humaan van. Spontaan begin ik mensen te groeten. Ik knik naar de secretaresse achter de receptie. Ik zeg de verpleegkundige gedag die zich per step naar zijn afdeling spoedt. De specialist die zijn stethoscoop in zijn borstzakje frummelt, lach ik bemoedigend toe. Ik ben de vriendelijkheid zelve. Maar ik krijg geen contact. Mensen in het wit kijken naar de grond, of richten hun blik op de wand achter je. Je wordt genegeerd. En niet door één, maar door alle medewerkers.

Kijk, daar word je pas ziek van.

Echter,ik begrijp het wel. Als je de hele dag in zo'n megaziekenhuis zou moeten groeten, dan ben je alleen daarvan al bekaf. En de werkdruk in de zorg is al zo hoog. Dus groeten, beter van niet. Maar adem dat dan in heel je gebouw uit. Pas keiharde zakelijke kleuren toe. Bijt je patiënten toe dat ze hun gemak moeten houden en moeten wachten. Verbloem niet dat je de meeste bezoekers veracht en zeurkousen vindt. Geef gewoon toe dat je baalt als er een cliënt geholpen moet worden. Bekijk een documentaire over de bureaucratie in de oude Sovjet-Unie en je weet hoe je onklantvriendelijk moet optreden. Of kies definitief voor kleinschaligheid. Want daar is het getuige mijn bezoek aan de revalidatiekliniek mogelijk om de menselijke maat te houden. Het was een verademing.

Gloomy Thursday

Sneeuw, opnieuw sneeuw, houdt het dan nooit op?

Niet alleen weer sneeuw, maar ook een grijze lucht. Koude waterige dag. Niks-aan-weer. Nog voor ik de gordijnen opgetrokken had - om eerlijk te zijn: de gordijnen zijn nog steeds gesloten - wist ik al dat het niks zou worden vandaag. Het is buiten net als binnen in mij. Het lijf wil niet. Een zeurderige spiermassa trekt in mijn rug. Maar het ergste zit in mijn kop. Ik heb nergens zin in. De krant ligt onaangeroerd op tafel. Het Olympisch ontbijtjournaal ging langs mij heen. De broodjes door mijn lief gesmeerd heb ik werktuigelijk tot mij genomen. Het internet biedt geen vertier. Zonder enthousiasme heb ik een online spelletje gedaan. Verloren.

Nee, het is een droeve boel.

Een sombere dag is het, een dag die voorbij kruipt. Nerveus reageer ik op kleine dingetjes. Waar heb ik mijn portemonnee? Als ik hem niet snel kan vinden breekt het angstzweet mij uit. Ik zoek in mijn zakken, voel wel mijn sleutels. Dan zie ik onder het boek, dat mij maar niet te pakken krijgt, liggen wat ik zocht. Paniek om niks. Het hoofd bonkt. Al is de nachtrust goed geweest, kan ik zo in slaap vallen. Zijn het de medicijnen die bijwerkingen vertonen of is het iets anders?

Op zijn kussen ligt de hond. Hij dut heerlijk. Zijn bruine borstkasje beweegt langzaam. Af en toe maakt hij een beweging met zijn lichaam. Alsof hij in zijn dromen schrikt. Ondeugend kan hij zijn. Knagend aan snoeren en aan de krantenmand. Als hij door heeft dat ik kijk, gaat hij liggen en legt zijn kop op de grond. Hij weet dat het niet mag, maar ja, wat doe je als hond. Ik heb plichtmatig gespeeld met hem. Zijn tandjes zijn scherp. Als ik zijn kluif probeer af te pakken of als ik aan zijn trektouw trek, voel ik dat. Nu ligt hij aan mijn voeten en hikt.

Buiten is de temperatuur gestegen. Het dooit licht. De verse sneeuw verwordt tot een drassige grijze brij. Het zal snel verdwijnen, in plaats van sneeuw zal er regen vallen. Motregen, van die kleine druppels, net geen mist, maar ook geen fatsoenlijke waterval. Genoeg om nat te worden, teveel om het warm te houden.

Nee, het weer werkt niet mee.

Overstekend Wild


In de spits reed ik vanochtend over de Peizerweg naar de ringweg. Ik klooide met mijn sproeiers. Telkens als ik de voorruit sproeide en de ruitenwissers gebruikte, vroor de vloeistof toch vast. Het was min vijf. Ik tuurde tussen de bevroren deeltjes. Het zicht was beperkt. Ineens zag ik een schim op mij afkomen. Een fietser, dacht ik, die tegen het verkeer in reed. Ik sperde mijn ogen verder open, sproeide nogmaals en net voordat mij het zicht op de weg weer onttrokken werd, zag ik wat op mij afkwam. Ik kon de wagen net naar rechts bewegen. Ik keek door mijn rechterraampje en zag hoe een verschrikt reetje zich wanhopig manoeuvreerde door het ochtendverkeer. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik het dier het fietspad opschieten. Ik kon niet stoppen, moest mijn aandacht bij het verkeer houden. Opgelucht bemerkte ik dat de ruit nu ontdooid was. Voorzichtig schoof ik aan in de file op de ring.

's Avonds checkte ik het internet. Ik kon geen meldingen vinden van een ongeluk met een ree. Gelukkig maar.

Het wordt tijd dat de winter plaats maakt voor de lente.

Gluren bij de buren

In de nieuwbouwwijk waarin ik woon, bestaat een actieve wijkcommissie. De club vrijwilligers probeert met allerlei initiatieven de bewoners in contact te laten komen. Eén van de jaarlijkse activiteiten is het rondje buurtcultuur. Vier woonkamers fungeren als theaterzaaltje. De bezoekers worden ingedeeld in groepen van twintig personen. Elke groep bezoekt achtereenvolgens de vier huistheaters waar telkens een niet vooraf bekend gemaakte performance zal plaatsvinden. Gisteravond mochten wij genieten van een theatersportvoorstelling, een accordeonconcert, een poëziediner en een presentatie over Namibië. Vaak worden de voorstellingen of presentaties gedaan door buurtbewoners. Onverwachte talenten kom je zo op het spoor. De buurvrouw die vloeiend flamenco blijkt te dansen of de dame op de hoek die tekenworkshops geeft op zolder, bekijk je ineens met heel andere ogen.

Nu de avond een traditie is geworden kom je elk jaar dezelfde groep cultuurminnaars tegen. Bij iedereen speelt nieuwsgierigheid een grote rol. Elke deelnemer wil graag binnen komen en rondkijken naar de inrichting van de huizen. Na een optreden beweegt de groep van twintig zich door de straten van de wijk op weg naar het volgende spektakel. En in deze wandeling schuilt de aantrekkingskracht van de avond. Gehuld in het donker van de februariavond, diep weggedoken in de winterjas, levert men commentaar op de woonstylistische keuze van het net bezochte interieur. De lamp die in de weg hangt, de bank waaruit je niet meer omhoogkomt, de plavuizen die na tien jaar echt gedateerd zijn. Alles wordt fluisterend doorgenomen. Uiteindelijk levert het bezoek aan andere woonkamers een gevoel op dat je zelf in een heerlijk huis woont, dat precies ingericht en uitgelicht is zoals het hoort.

Het gluren bij de buren is weer achter de rug. Wij zijn weer thuis.

Primavera in Zuid-Afrika

Vanochtend draaide Giel Beelen in zijn radioshow het nummer Free Nelson Mandela! van de Special AKA. Een song die ooit gemaakt is om aandacht te vragen voor de vrijlating van Mandela. Het is een heerlijk opzwepend nummer. Typerend voor de zwarte Zuid-Afrikaanse popmuziek. Met gitaartjes en trompetjes, met mooi koortjes en een heerlijk tempo. Ook de tekst is ijzersterk. Het vertelt het verhaal van de kracht van de ideeën van Mandela. Kortweg komt het erop neer dat je wel iemands lijf kan opsluiten, maar niet zijn ideeën. 'Are you so blind that you cannot see, are you so deaf that you cannot hear'. Het lied richtte zich tegen de blanke machthebbers in Pretoria, die de apartheid hadden ingevoerd, eind jaren veertig. In mijn auto zong ik luidkeels mee. Wat mij zelden overkomt, gebeurde: er biggelde een traan over mijn wang. Kennelijk emotioneert het verhaal van Mandela mij nog altijd. Het mooie van zijn historie is inderdaad de kracht. Iets dat vast lijkt te staan, zoals de apartheid, bleek gevestigd te zijn op een zwak fundament. Met de vrijlating van Mandela begon Zuid-Afrika aan een nieuw hoofdstuk. En dat vlak nadat een jaar eerder de Muur gevallen was. Het leek in die vroege jaren '90 warempel mogelijk om de wereld te veranderen, te verbeteren. De toekomst leek maakbaar. Tot de Golfoorlogen en de aanslagen van 9-11, beleefde de wereld een primavera. Maar de werkelijkheid bleek weerbarstiger. Nieuwe problemen doemden op, nieuwe slachtoffers vielen. Toch is het lied een lied van hoop, zoals het leven van Mandela hoop biedt. Hoop op verandering. Strijd voor een goed doel, tegen onrecht, kan iets moois opleveren. Dat is wat het lied nu nog altijd vertelt, weliswaar in een andere context. Mijn traan was een traan vol hoop.

Vandaag als zondag


Elke ochtend is het koud in huis. De thermostaat staat afgesteld op vroege vogels. Mijn gezinsleden vertrekken tussen half acht en acht uur naar school en werk, terwijl ik wat later uit bed kom. Om het mogelijk te maken de vaste weekprogrammering te doorkruisen heeft men de functie 'vandaag als zondag' ontwikkeld. Door een simpele druk op de knop kan ik weer beginnen aan een zondag. Het zondagsgevoel staat voor een lange lege lome dag. Zondag is in mijn geval zonder kerkbezoek. Vertier moet geheel uit mij zelf komen. Tot en met het ontbijt gaat het goed. Krantje erbij, kopje thee, lekker beleg en een kwispelend hondje in de mand. Maar dan. Dan moet de knop echt om. Voor ik het weet is het echt zondag. Een rustdag die zomaar verglijdt. Ineens kan het twaalf uur zijn en heb ik niets ondernomen. Ja, een beetje gegoogled op niets en niemendal. Maar dat is niet echt. Om mij te ontzondagen moet ik een een lijstje hebben. Things to do. Gisteren moest ik boodschappen doen en een afspraak met de dierenarts maken. Dat lijstje is gelukt. Gisteren was het geen zondag. Vandaag heb ik geen lijstje gemaakt. Ik ben duf en moe. Het leidt tot niets vandaag. Ik merk het en wil er iets aan doen, maar ik blijf steken in voornemens. Mijn mentale thermostaat slaat niet aan. Het lijkt alsof het knopje 'vandaag als zondag' voorgoed vast zit, hoe hard ik ook druk.

Basketball, oerdriften en burgemeester


Bij een basketballwedstrijd komen oerdriften bij supporters naar boven. Gisterenavond bezocht ik een wedstrijd van Groningen tegen Den Bosch. De namen van de teams veranderen met het jaar, zo is de Groninger ploeg nu getooid met de naam Flames, omdat de hoofdsponsor actief is in de gashandel en een blauwe vlam als logo voert. Ineens zijn de clubkleuren dan ook blauw—wit. De Bosschenaren in het Brabants rood, zij verloochenen hun provinciale vlag duidelijk niet, heten Eiffel-Towers. Een naam die past bij torenhoge spelers. Het IT-bedrijf voert de slogan 'Grip op de zaak', hetgeen mij eigenlijk wel aanspreekt. Of 'Mijn X is wilskracht', ook een mooie leuze. In ieder geval vormde het duel een titanenstrijd in de Nederlandse basketballcompetitie. De tribunes puilden dan ook uit.
Vanaf ons hoge plek hadden wij een prachtig panaromazicht op het speelveld. En op het publiek. In het vak onder ons zat de vaste kern supporters. Het sfeerteam ontplooit vanuit dit supportersvak zijn activiteiten. Gisteravond bestond die uit het zwaaien met blauw-wit geblokte vlaggen. Heel sfeervol, jongens, vooral mee doorgaan. In het vak zitten de hardcore fans. Elke beslissing van de scheidsrechters wordt fel bestreden of toegejuicht. Het afkeuren gebeurt aan de hand van arm- en handbewegingen en barbaarse keelgeluiden. Soms wordt de pols met de hand omklemd, soms wapperen beide handen hoog boven het hoofd. Een drukte van belang al die handgebaren. Het knappe van deze supporters vind ik dat zij in de vaart van het supersnelle spel in een oogopslag en op forse afstand kunnen zien wat er is gebeurd en het ook nog kunnen begrijpen. Ik geef direct toe dat ik de helft van de spelregels niet ken (zo snap ik pas sinds kort waarom een situatie onder de basket van club A kan leiden tot strafworpen bij het andere doel) en de andere helft van de regels niet kan toepassen in het tempo van het spel. Maar niet de vurige Flamesaanhanger, die staat in lichte laaie nog voordat de actie van de speler is gemaakt.
Tussen de harde-kern-fans zag ik gisteren diverse collegejasjes. Je kunt dan in Amerikaanse stijl je club toejuichen. Jasjes zoals je in jaren-vijftig films voorbij ziet komen. Een blauw jack met witte mouwen, op de rug staan witte letters: DONAR. Op de borst prijkt het logo van de club. Donar, de oernaam van de Groninger ploeg. Ook heel Amerikaans vond ik de vijf jongens die in een rijtje zaten in donkerblauwe shirts met elk mansgroot een letter van de oernaam op hun rug. Vooral de jongen met de letter O, leefde zich compleet uit in zijn supportersrol. Het is in een supercommerciële wereld als het basketball, goed te zien dat supporters wars zijn van de door geld opgelegde namen. What the heck, Flames, het is DONAR wat je hoort scanderen op de tribunes als er een achterstand ontstaat. Want dat gebeurde ook nog, Donar kreeg klop van de Brabantse uitdager. En dat terwijl de nieuwe burgemeester op bezoek kwam.
In zijn eerste jaar bezoekt de burgervader natuurlijk zoveel mogelijk Groninger activiteiten van belang. Zo kwam het dat er tegenover de mannen met de DONAR-letters op de rug een heer in een kostuum op de tribune zat. Keurige stropdas, glimmend gepoetste schoenen en een schone zakdoek. Zijn hand onder de kin, wijsvinger langs de wang. De stadsbestuurder aanschouwde de wedstrijd. In tegenstelling tot de O-man tegenover hem reageerde hij niet op het fluiten van de scheids. Hij klapte netjes als Groningen scoorde, maar deed niet mee aan het sarrende geluid van het publiek als Boschenaar Van Paasen zijn trucs liet zien. Rehwinkel toonde zich gisteren in al zijn burgemeesterlijke waardigheid. Een deel van de wedstrijd miste ik door mij af te vragen of je als burgemeester nou wel of niet een blauw-wit DONAR-jasje aan moest trekken. Of is een blauw-witte sjaal genoeg? En hoe moet je reageren? Is een bescheiden stadschouwburgapplausje voldoende? Mag je meebrullen: 'DONAR – DONAR – DONAR' en met je handen boven je hoofd op de maat meeklappen? En mag je een speler van de tegenstander uitzwaaien na zijn vijfde P terwijl je 'Hit the road, Jack' meegalmt? (tot groot genoegen van de fans moest P. van P. zijn vijfde P incasseren). Ik weet niet wat er in het handboek Burgemeester staat, maar Rehwinkel kiest duidelijk voor aanwezig zijn en ingetogen participeren. Dat doet hij prima, hij is een burgemeester die komt kijken bij zijn Stadjers en die niet koste wat het kost hoeft mee te doen. En als het niet tot je oerdriften behoort ongenuanceerd je frustraties op luide toon en met wilde gebaren te uiten, moet je dat ook niet doen. En dat deed hij goed.

Kabelbrij

Rondom mijn werkplek is het een komen en gaan van snoeren en kabels. De voornaamste draden zijn die voor de aansluitingen van de computer. Met de aanschaf van een draadloze muis en toetsenbord is de totale lengte aan kabels enigszins afgenomen. MP3-spelers zijn er helaas bijgekomen. Vanuit de usb-aansluitingen kronkelen de draden mijn bureau op. De stekkertjes liggen klaar om contact te maken met de spelers. Apple zorgt voor gestileerde witte draden, terwijl de Samsung het doet met een doorsnee zwart snoertje. Als de apparaten opgeladen worden, levert dat extra draadlengte op op het tafelblad. Aan de MP3 bungelt meestal een staart met twee oortelefoontjes. Ook de digitale camera doet mee in dit lijnenspel. Voor een duidelijk onderscheid is de kleur van de Olympus grijs. De kabel heeft een rank stekkertje om in het fototoestel te stoppen. Ik kijk er graag naar. Uiteraard raken al die snoeren na een dag of twee in de knoop. Wij zijn thuis van het type, dat komt later wel, dus die knoop wordt alleen maar serieuzer. De spelcomputer draait games die op een R4-kaartje staan. Hiervoor is een adaptertje ontwikkeld: een kabel die begint in de usb-poort en die op het bureau eindigt in een rechthoekige behuizing waarin het kleine geheugenkaartje kan worden geplaatst. In een andere hoek op de tafel ligt de DS-spelcomputer, vastgeklonken aan de oplader, kleur van de draad is bruin. Telefoons worden niet opgeladen rondom de pc. Anders zou het lijnenspel wel erg zwartkleurig worden. De adapters – een groeiend aantal – liggen met keurig rondom de stekker opgerold snoer in een speciaal daarvoor ingericht doosje in de keukenla. Op het gebied van telefoonadapters sta ik mijn scoutingmannetje. Soms als de dradenbrij op mijn werkplek mij te veel wordt, kijk ik even in mijn telefoonsnoerendoos. Het kan best, opgeruimde snoeren, als je maar wilt, denk ik dan. Maar wat ik ook probeer rondom mijn computer, de kabels blijven daar als onkruid op het terras opkomen en lijken onuitroeibaar.

Als jij wij wordt


Rijdend over de A28 dwars door Drenthe, haal ik vele vrachtwagens in. In de meeste gevallen doe ik dat achteloos. Vrachtwagens zijn makkelijk te onderscheiden door hun grootte en dus kan zelfs ik daarop anticiperen. Zo kon ik vanochtend op tijd zien dat ik niet moest inhalen omdat een rode tankwagen uitgebreid ging inhalen. Dus gaspedaal loslaten en aansluiten in de rij achter het rode gevaarte. Doordat de snelheid eruit ging, kreeg ik de kans om op mijn gemak de oplegger te bekijken die ingehaald werd. In grote letters stond op de zijkant de naam van de firma Prénatal. Ik schaterde het uit in mijn eigen veilige cabine toen ik de tekst onder de wolkige letters van de babyzaak las: 'Als jij wij wordt'. De afbeelding ernaast maakte duidelijk dat het ging om de transformatie van vrouw naar moeder. En het klopt! Vrouwen die moeder worden praten ineens in de wij-vorm. 'Wij gingen een ommetje maken.' Terwijl het kind gewoon in de buggy lag te slapen en echt niet een ommetje rondkuierde. Of 'Wij gaan een slaapje doen.' Niks ervan: moeder gaat op internet chatten terwijl zij haar kindje huilend achterlaat in het kinderledikantje, wordt ie immers sterk van. Nee, Prénatal weet in de slogans de essentie van het moederschap precies te raken.
Deze babyketen is ook verantwoordelijk voor hét marketinginstrument voor beginnende moeders. Het is een verrassingspakket dat in de winkel klaarstaat voor net bevruchte vrouwen. Het is gevuld met allerlei baby-goodies. Bijvoorbeeld een speentje met de tekst 'I love mama' of proefzakjes vloeibaar voedsel (gepureerde worteltjes met fijngemalen shoarmareepjes in zoetzure saus), en veel, heel veel tegoedbonnetjes voor babyspullen in het plaatselijke filiaal. Via een slimme truc krijgt de keten de adresgegevens in handen: vriendinnen worden opgezet ('Verras je vriendin') om de aankomende moeders aan te geven bij de Prénatal. Omdat een nog net niet moeder op last van de VIva een groot vriendinnennetwerk heeft, is het bij elke vrouw wel raak. Er zit altijd een vriendin tussen die meent dat het invullen van de aanmeldbon een aardige geste is. Voor dames zonder vriendinnen is een aparte coupon ontwikkeld. Zo kan Prénatal bijna elke aanstaande mama bereiken. Met die gegevens kan een precisiemarketingbombardement worden opgestart. De penetratie van de verwachtingsmarkt.
Tot zover nog niets vreemds, gewoon slim. Je moet op de een of andere manier aan je klanten komen. Maar wat mij altijd tegen de borst stuitte was de naam die aan dit pakket gegeven werd: DE BLIJE DOOS….. Hoeveel inderdaad blije moeder in spee heb ik door de stad zien lopen met zo'n groen pakket met de tekst 'Blije Doos'? Sommige dames torsten er zelfs twee mee. De Blije Doos. Ik ben zelf nooit bevallen, maar van blije, … nee dat is plat om die woordspeling te maken. In ieder geval is Prénatal creatief in het bedenken van slogans en effectief in marketing. Zij zijn in staat om moeders te binden aan hun winkel. Het assortiment is zo opgezet dat je van alles kunt kopen, voor verschillende stadia van de kindertijd. Eenmaal binnen via de doos, blijf je vanzelf in de winkel terugkeren. Klantenbinding begint dus met de Blije Doos. En zo wordt vrouw-jij vanzelf lid van de klantenkring-wij. En argeloze inhalers op de A28 maar denken dat het gaat om de moeder-kind relatie. Terwijl het gaat om de klantenbinding.
De tankwagen had zijn moment op de linkerbaan gehad. Ik gaf een dot gas en liet de Als-jij-wij-wordt-truck achter me. In de verte doemde de afslag 27 op, ik verliet de snelweg, glimlachend om de fraaie wereld van direct-marketing.

Een boodschappentas vol pilletjes

De apotheek was tot voor kort een plek waar ik nauwelijks kwam. Af en toe een hooikoortstabletje of een antibioticakuur, dat was het wel. Maar tegenwoordig krijg ik echt een boodschappentas vol groen-witte doosjes mee. Om mij goed bewust te maken van de kosten staat de prijs op het etiket. Ik moet goed weten dat ik een dure patiënt ben. Nou ja, voor zo’n jaarpremie bij de zorgverzekering mag ik ook wel , vind ik. De zorgverzekeraars schrijven de wet voor. Het is apart te zien tot welke merkwaardige kronkels de vergoedingsregels leiden. Van een bepaald middel moet ik 0,30 mg per dag gebruiken. Omdat het pilletje dat mijn dosering exact heeft niet vergoed werd, kreeg ik een alternatieve verpakking: per dag moest ik 24 tabletjes lospeuteren uit een dun stripje. Voor mij met mijn verstoorde fijne motoriek, een hele klus. Nou ben ik niet zo ingesteld dat ik Radar, Kassa of andere consumentenbeschermende instanties ga inschakelen. Toch bevreemdde het mij. Tot 1 januari toen kon het ineens wel, hoera! Nog een half boodschappentasje wegslikken en ik hoef maar een pilletje per dag te gebruiken. Dank, wijze heren van de Zorgverzekering voor deze ingrijpende wijziging in het stelsel. De fabrikant van de medicijnen, ook sponsor van het patiëntenblad trouwens, ja je moet je maatschappelijke betrokkenheid nadrukkelijk tonen, heeft waarschijnlijk in samenspraak met de patiëntenvereniging afdoende gelobbyd. Per januari kan ik dus mijn eigen dosering op maat krijgen. Mijn specialist oordeelde tegelijkertijd dat ik van een tweede medicijn ook resultaat kon verwachten. Dus dat krijg ik nu ook in mijn boodschappentasje van de Kringapotheek mee. Uiteraard is de exacte dosering niet verkrijgbaar of te vergoeden. Ik moet een half tabletje per keer slikken. Dat halfje moet ik zelf maken door een tabletje van circa acht millimeter doormidden te breken. Met mijn verstoorde fijne motoriek een hele klus. Ik heb vandaag dan ook een vijfachtste tablet genomen in plaats van een half pilletje.
Dit gehannes met medicijnen, toch klantonvriendelijk, staat in schril contrast met de moderne instelling van de apotheek anno 2010. Was een apotheek vroeger in staat zijn eigen pillen op maat zelf te draaien (de vijzel, de beker en het weegtoestel staan nu als museumstukken in de etalage), de medicijnenverstrekker is nu een servicestation geworden. Met folders en klantvriendelijke assistentes beweegt de apotheek zich op de medicijnenmarkt. De apotheek kan de vergelijking met een pompstation bijna doorstaan. Medicijnen verstrekken lijkt haast bijzaak. De verkoop van hoestsnoepjes en rekverbanden lijkt de kernactiviteit te zijn geworden. Nog even en er worden spaarkaarten verstrekt voor gratis badhanddoeken met het logo van uw eigen apotheek. Wat een geluk dat ik als chronische zieke de apotheek tot in lengte van jaren zal verlaten met een goed gevulde boodschappentas. Wie nog een handdoek nodig heeft kan een beroep doen op mijn spaarkaart. Als het tenminste mag van de zorgverzekeraar.

Ik ga mijn avonddosering op maat breken. Hopelijk lukt het zonder het pilletje te verbrijzelen.