Wachtlezen

Op een bankje voor het ziekenhuis bracht ik de wachttijd door met het lezen van het boekenweekgeschenk. Joost Zwagerman schreef Duel. Een boek dat zich afspeelt in de kunstwereld in Amsterdam. De laatste tijd gaat het lezen niet makkelijk. Ik ben snel de draad kwijt en kan moeilijk beginnen. Toch lukte het me aardig om in Duel te beginnen en het lezen vol te houden. Waarschijnlijk zegt dat iets over mijn situatie (of de schrijver weet het boeiend te brengen). Blijkbaar slaan de medicijnen goed aan en kan ik weer wat meer. Mijn vermogen tot concentreren lijkt wat groter. In ieder geval las ik buiten op het bankje – overigens een prachtig in warme kleuren geschilderd bankje, aangeboden door een medewerker van het instituut bij haar vertrek, zo vertelt het bordje – een aardig eindje weg. En dat ondanks allerlei afleidingen in de vorm van aan- en afrijdende taxi's, langs-tuffende scootmobiels en een nieuwsgierige tuinman die steeds dichter mijn bankje naderde. Helaas waaide er een winterse wind, ondanks de lente-achtige aanblik die de zon opriep. Dus begaf ik mij naar binnen om een wachtruimte op te zoeken.

Dat viel niet mee.

Zuchtende mensen bevolkten de wachtkamer. Voorzichtig manoeuvreerde ik me in een hoekje. Van achter mijn boek begluurde ik mijn metgezellen. Onder hen bevonden zich zogenaamde 'internen'. Uit het gesprek dat zij voerden, leidde ik af dat zij elkaar kende. Ze namen de algemene situatie in de kliniek door. Ik voelde geen enkele behoefte mij te mengen in het sociale gebeuren. Een nieuwkomer begroette ik nauwelijks. Ik leed aan een plotselinge aanval van asocialiteit. Ik las stug door, afgesloten van de wereld. Ineens stond de ergotherapeute voor me. Of ik meeging. Ik onderdrukte de neiging om te zeggen; 'Wacht even, eerst mijn hoofdstuk uitlezen.' Dociel volgde ik haar, naar een kale, grijze gespreksruimte.

Nee, de gezondheidszorg is niet het toonbeeld van glamour.

Na de ergotherapeute stond een tweede afspraak op mijn lijstje. Het komende half uur kon ik mooi vullen met wachtlezen. Mijn kleurrijke bankje had ik snel gevonden. Na twee pagina's was ik al zo verkleumd, dit hield ik niet vol. Dus weer naar binnen. Ik vond een wachtplekje van waaruit ik de gang waar ik verwacht werd, in de gaten kon houden. De stoel stond zo in een hoek dat ik geen last had van voorbijgangers. Al snel zat ik met mijn neus in het boek. Totdat een gezette man, in uitpuilende joggingbroek en versleten tatoeages op zijn blote onderarmen rechts naast mij ging zitten. Zijn vrouw hield drie plaatsen tussen hen in vrij. Met alle gevolgen voor het volume van hun kortaffe conversatie. Hun dochter ging ongelukkigerwijs links van mijn zitten, precies in mijn comfortzone. Zo zat ik gevangen in een gezinsdriehoek. Het meisje ging een kruiswoordraadsel oplossen in een van de tijdschriften van de leestafel. Omdat iemand haar al voor was geweest, kon zij zich alleen de moeilijke woorden richten. Ze probeerde de ingevulde woorden te lezen, maar het microhandschrift was bijkans onleesbaar. Vader gewapend met een leesbril, moest voortdurend helpen met het ontcijferen. Het tijdschrift schoof voortdurend voor mij langs. Vader had in ieder geval een scherp oog, hij benoemde op luide toon elke letter. Het meisje verbeterde nauwkeurig de letters in het kruiswoordraadsel.

Waar alfabetisering al niet toe kan leiden.

Ondanks deze afleiding bleef ik doorlezen. Het lukte me om het verhaal vast te houden. Mijn duel met mijn informatieverwerkingssysteem verliep gunstig. Toen de arts mijn naam noemde, duurde het een moment voordat ik opkeek. In het gesprek dat volgde, legde ik uit dat ik mijn doelen moet bijstellen en tevreden moet zijn met minder grote prestaties dan vroeger. De tien pagina's die het wachtlezen mij heeft opgeleverd is het pareltje van de dag. Morgen lees ik de rest van Duel uit.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Laat hier je reactie op het bericht achter.