De gastvrijheid van P.


Het pinksterweekend brachten we door op een camping in het land van Ellert en Brammert, Drenthe dus. De campingbaas, P. die ook drumt en een collega van school is, had twee mooie caravans in de aanbieding om de nacht in door te brengen. De kids in de een en ik met mijn lief (en de hond) in de andere. Gelukkig houden wij van kleinschalige kampeerterreinen want groot was het niet. Maar wel groen en sfeervol. De campingbaas is een echte gastheer. In alles laat hij zien dat hij zijn gasten serieus neemt. Wij kennen hem al wat jaartjes dus waren wij niet verbaasd dat hij al snel een praatje onder de luifel kwam maken. Andere kampeerders hoorde ik een poging wagen om een verhaal af te steken. Wij wisten wel dat dat onbegonnen werk was. P. associeert hardop en reageert bij voorbaat. Gastvrij als hij is had hij ons uitgenodigd voor het avondeten. Wel moesten we er voor half zes zijn want 's avonds moest hij nog even naar een opening van een tentoonstelling. Ietswat gehaast togen wij derhalve naar onze ontspanningsplek. Door wegwerkzaamheden - de provincie Drenthe moest zo nodig nog een fietspad aanleggen- kwamen wij later aan dan gepland. Terwijl wij in de woonkeuken snel zijn familie begroetten, legde P. de laatste hand aan de avondmaaltijd. Gehaast nam het gezelschap plaats aan de al gedekte tafel. De nasi smaakte prima. De sfeer was meteen goed. Zijn kinderen en die van ons snuffelden even aan elkaar, maar kletsten al snel honderduit. Dit weekend zouden ze elkaar goed leren kennen.
Het geheim van deze kampeerbaas is dat hij zijn gasten tot elkaar weet te brengen. Daarmee maakt hij sfeer op zijn camping. Ik zag hoe hij met alle kampeerders gesprekjes bij de tent of caravan aanging, grappen maakte met de kinderen en dan toesloeg. Hij nodigde alle kampeerders uit voor het kampvuur. Op zondagavond stond dat gepland. Elk gesprekje eindigde hij met een herhaling van die afspraak. 'Jullie komen toch ook?' De verwachting groeide zo met het uur. Voor mijn gevoel kon het alleen nog maar tegen vallen, dat kampvuur. Bovendien hadden wij voor onze caravan al een eigen vuurkorf en drie kuub hout van P. gekregen. Een collectief vuur hadden wij dus niet nodig. De eerste avond laaide ons privé-vuur hoog op. Voor we het wisten kwam onze kampeerbaas met zijn vrouw langs. Aangestoken door de gastvrijheid, deelden wij onze fles port met hen. Ook de toevallig passerende zwager en zus dronken mee. Nee, wat gastvrijheid betreft lieten wij ons niet kennen.
De tweede avond kwamen wij de halve camping tegen op het feest van de buren. P. drumde daar met zijn band en had ons nadrukkelijk uitgenodigd. En inderdaad, het was de moeite waard. Ik zag hem op zijn trommels en bekkens slaan; het plezier spatte er af. Ook mooi vond ik hoe hij de soundcheck deed en de manier waarop hij speurde naar de vervelende brom in de apparatuur. P. is techneut. Hij heeft niet alleen verstand van elektronica, ook van bouwen weet hij veel. De houten schuur naast zijn huis is zijn meest recente meesterwerk. Knap hoor. Toen ik de volgende ochtend met hem over het kampeerterrein liep, langs campinggasten, kippen en konijnen, complimenteerde ik hem met fraaie stand van zaken op de camping. Met gepaste trots nam hij het compliment in ontvangst. Ik roemde de sfeer die hij wist te bereiken. Hij begon weer over het kampvuur.
De kinderen mochten natuurlijk het kampvuur beginnen. Na enige gepruts was er een lekker vuurtje ontstaan. Meerdere kruiwagens houtblokken werden die avond aan het vuur geofferd. Aanvankelijk gebeurde er niets spectaculairs. Iedereen zat in een grote kring om het vuur. De gasten mengden zich niet met elkaar. Na de eerste glazen wijn en flesjes bier fluisterde P. dat het zo meteen zou gebeuren. Dan zouden de mensen door elkaar heen gaan zitten en met het vallen van de duisternis zouden de gesprekken alle kanten opvliegen. En daar was het hem om te doen: de ontmoeting van de gasten. Mensen voelden zich zo vrij, dat als zij starend in de vlammen en verwarmd door de gloed van het vuur werden, zij allerlei ontboezemingen deden aan elkaar. Ik nipte van mijn wijn en luisterde naar het geroezemoes om me heen. Na een tijdje wist ik het. Hij had gelijk: ik hoorde allerlei persoonlijke verhalen. Ik hoorde zinnen als: 'als ik eerlijk ben', 'ik voel', 'ik vind het belangrijk dat'. 'hij vindt in onze relatie belangrijk dat…'. Kortom, rondom het haardvuur werd gechat in levende lijve. Terwijl het zoveelste haardblok vlam vatte en de groep steeds kleiner werd, wist ik dat de volgende ochtend de campinggasten op een andere manier naar elkaar zouden kijken. Hun groet zou morgenochtend oprecht klinken. Ze hadden elkaar immers al eerder ontmoet.
De laatste ochtend kregen wij voor het ontbijt vier warme broodjes en vier gekookte eitjes van P. Ook kwam hij nog even kletsen. Het was hem gelukt om zijn gasten tevreden te stellen. De grond rondom de vuurplaats straalde nog steeds warmte uit.

Drenthe, drummer en een kanaal

In zuidoost- Drenthe denderen veel gebruikte auto's met aanhangers over de kaarsrechte tachtig-kilometer weg langs het kanaal. Voortdurend zijn de lokale inwoners bezig spullen te vervoeren. De wagens houden zich keurig aan de maximum snelheid zij het met een overschrijding van zo'n dertig procent. De bestuurders dragen bijna allemaal een petje. Zij hebben een rijstijl die doet vermoeden dat zij de route dagelijks meerdere malen afleggen; een bocht of een verkeersdrempel vormt geen enkele belemmering voor dit verkeer. Langs de kant van de weg wordt van alles verkocht. Uiteraard groente en eieren, maar ook een opgeknapte fiets of zelf gefabriceerde borduurwerkjes worden aangeboden. In een tuin kwam ik een fraaie partij puzzels en familiespelen tegen, ook bood men hier een hometrainer aan uit de jaren zestig. Het betaalgemak ligt op straat: het geld kan overal in een bakje worden achtergelaten. Het is een leven van kopen en verkopen, van sjacheren en afdingen. Hier komt het kanaal van Marktplaats uit in de reële wereld. Ik vermoed dat al die aanhangers die hier rond razen, de op Marktplaats aangeboden spullen ophalen en verspreiden over de dorpen en gehuchten. Het is een openlucht outlet van tweedehands waar.

's Avonds belandden wij op een feest aan de overkant van het kanaal. Toevallig kenden wij de drummer van de band die het feest tot ongekende hoogte zou opzwepen. Hij nodigde ons uit en introduceerde ons bij de gastvrouw. We mochten binnenkomen. Langs het kanaal stond een lange rij geparkeerde auto's. Achter de fraai opgeknapte boerenwoning had men een witte partytent opgesteld. Uit de tent klonk de muziek van een imitatie-Elvis, het voorprogramma. Niet onaardig werkte hij zich door het grote country songbook. De feestgangers, vooral de mannen, liepen steeds van hun kletsgroepje naar de bierpomp en weer terug. Geroutineerd zigzagden zij met zeven plastic bierglazen in de hand, zonder te morsen, door de menigte. Het geroezemoes overstemde bijna de muziek. Jongedames gingen rond met schalen worst en kaas. De stemming zat er lekker in. Iedereen leek elkaar te kennen. Maar na enkele gesprekjes bleek mij dat er meer toevallige introducés waren. Bier verbroedert, dus na enige tijd deinde de meute mee op de cadans van de hoofdact. Bij bier en blues bleef het niet. Het feest diende een goed doel. Via sponsoring en giften moest er geld binnen komen. Een spontane veiling deed het bedrag aanzienlijk toenemen. Het gejuich dat opstak toen de eindscore bekend gemaakt werd, hield een tijdje aan. De muzikanten speelden lekker door.

Ook in de nacht jakkeren er auto's langs het kanaal. Van ver is het motorgeronk te horen. De auto's voeren grootlicht. Toen ik veilig teruggekeerd was aan de andere kant van het kanaal, zag ik hoe een jongedame haar fietsverlichting inspecteerde, opstapte en wegreed. Ze reed in de richting van de feesttent. Het rode achterlichtje werd allengs kleiner. De band speelde nog altijd toen ik de fietser niet meer kon zien in het donker. Op het ritme van de rake drumslagen van onze vriend de drummer vielen wij spoedig in slaap.



 

Genant publiek

Ik schaam me er nog steeds een beetje voor. Afgelopen donderdag was de beslissende wedstrijd in de halve finale van de strijd om de nationale basketbaltitel. Onze lokale trots moest dit vijfde duel winnen, vond ik en met mij vierduizend stadsgenoten. Met mijn zoon en dochter vond ik een plek hoog op de tribune. Een half uur voor aanvang zaten wij op onze stoeltjes. De spelers deden hun warming up. Rondom de speelvloer hingen kinderen over de boarding om een handklap van de spelers te krijgen. Ik zag hoe mijn kids aan dit ritueel meededen. De klok telde de minuten weg en met nog zes minuten tot het startsignaal trokken de spelers zich terug van het veld. Het publiek klapte lauw bij de presentatie van de tegenstanders. De spelers klopten elkaar op de borst om er nog iets van te maken, maar het oogde sneu. De entree van onze ploeg verliep als gebruikelijk. Van Halen's Jump, toepasselijk voor een basketbalteam, knalde uit de boxen. De in blauwwit gehulde cheerleaders maakten hun dansjes. Dit maal werden ze geassisteerd door de nieuwe mascotte. Zijn naam is Thunder en het is een witte tijger. De man of vrouw die het pak droeg, danste goed mee in het midden van de echte danseressen. En toen beleefde ik mijn eerste schaamtemoment: ik juichte en klapte voor de nieuwe mascotte. Alsof je tegen de knuffels van je kinderen staat de praten. Met kippenvel op mijn armen schreeuwde ik mij schor.

De spelers kwamen een voor een op het veld. Hun opkomst werd uitgelicht door een volgspot. De speaker brulde de namen. Bij nummer vijf, de langste speler, juichte ik extra. Een tijdje terug had hij bij een clinic mijn hart gestolen: hij balde toen op aandoenlijk met de deelnemende kinderen. Ik glom van trots om mijn zoon met een ster van het team te zien spelen. Natuurlijk weet ik ook dat zo'n speler dat doet omdat het in zijn contract staat. Maar het is toch mooi. Dus gilde ik luidkeels toen Blue op het veld kwam.

Waar ik geen schaamtegevoelens bij kreeg was de minuut stilte die de ruim vierduizend mensen publiek in acht nam. Nog nooit had ik in zo'n grote menigte iets of iemand herdacht. Iedereen dacht op dit moment aan het vliegtuigongeluk. Merkwaardig was dat het publiek de minuut afsloot met een donderend applaus. Ik klapte mee, waarom weet ik eigenlijk niet. Maar dat gebeurt in grote groepen: je doet dingen op de automatische piloot.

In de wedstrijd moest de zesde man het verschil gaan maken. En dat deden wij vol overgave. De ploegen ontliepen elkaar nauwelijks. Bij elke rake bal stak ik mijn rechtervuist omhoog, vinger in de lucht. Regelmatig gepaard gaand met een kreet. Iets van 'yess'. Regelmatig sprong ik op wanneer onze ploeg een mooie actie maakte. Ik vergat mijn rust. Zelfs als de tegenstander een rebound mistte applaudisseerde ik. Ook mijn normale acceptatie van het scheidsrechterlijke gezag liet ik varen. Het merendeel van de afgefloten fouten begreep ik niet, maar ik was het er zelden mee eens. Ik verwerd tot een onredelijke fan.

De laatste vier minuten hield ons team de voorsprong vast. Het publiek deinde mee op een André Rieu melodie. Handen in de lucht en maar zwaaien van links naar rechts. Ik had het ritme al snel lekker te pakken. Toen het deuntje was afgelopen stond ik nog te wiegen op mijn plekje. In de laatste vijftien seconde renden mijn kinderen naar beneden om de ereronde van dichtbij mee te maken. Het eindsignaal klonk. Ik stond en juichte uit volle borst mee. Armen in de lucht en maar gillen. Totaal uit mijn dak ging ik. Terwijl de toeschouwers om mij heen hun jassen aantrokken stond ik nog te schreeuwen.

Tja, mysterieuze krachten in de sport, zullen we maar zeggen.

Schor geschreeuwd begaf ik mij naar de uitgang. Mijn kinderen hadden hun fietsen al gepakt. 'Waar bleef je nou?' vroegen ze. Ik legde met schorre stem uit dat ik vast zat tussen al die mensen. En ik moest nog juichen, gaf ik eerlijk toe. Ik beloofde ze dat we een finalewedstrijd zouden bijwonen. Hopelijk winnen ze weer, aan mijn supportersschap zal het niet liggen.

Totaal uitgeput kwam ik thuis. Op tv zag ik een korte samenvatting van de wedstrijd. De shots van het publiek stelde mij gerust. Ik was niet de enige die er als een waanzinnige bij had gestaan.

Merkgeil

Mijn billen pasten perfect in de spijkerbroek 34/34. Met geluk wist ik uit de grote stapel afgeprijsde jeans mijn maat te vinden. Het voelt altijd goed om een passend voordeeltje te vinden. W34/L34, toen ik nog hard en ver liep kon ik met gemak in 31 of 32, maar de buikomvang is nu een beetje toegenomen. Door toeval belandde ik vandaag met mijn gezin in een outletstore nabij de IJssel. In de regionale krant die in ons gastenverblijf op de mat lag zag ik de advertentie: tot wel 70% korting. In de auto stelde ik voor om ons bezoek aan Deventer te bekorten om bij de modezaak aan te gaan. Vanaf de A1 reden we het groene landschap in. Het kleine dorpje werd overspoeld met middenklaswagens op zoek naar nieuwe pantalons, hoge-boorden-overhemden en casual colberts. Op aanwijzingen van de verkeersregelaars (goed in het pak gestoken!) parkeerde mijn lief ons voor de ingang. Al kon ik niet wachten naar binnen te stormen, geduldig hield ik halt om mijn lief de kans te geven haar ogen op te maken. Stiekem vind ik dat een heel mooi vrouwelijk gebruik: lijntje trekken in het spiegeltje boven het stuur.

Nog op de deurmat hadden wij beet. Althans, onze dochter. De juiste Birckenstock in het blauw voor een schappelijk prijsje. Als een kind zo blij liep zij met de schoenendoos onder haar arm de winkel binnen. Haar buit was binnen. Tijd voor een quick scan. De zaak had zijn collectie ingedeeld op merken. Gant, Gaastra, Hillfiger, G-Star, Napapijri, Boss, Stoner, Replay en vele andere merken. Ik liet mijn lief en dochter als verkenners voor mij uit lopen. Snel vonden zij de juiste maten en zo hadden wij mijn target gehaald. Gaandeweg merkte ik mijn merkengeilheid op. Belachelijk maar waar, ik stond serieus te graaien in de afgeprijsde Napapijri kleding. Ik wilde rondlopen met een Noors vlaggetje op mijn mouw en borstbreed een logo rondtorsen. Wat bezielde mij? Tot welke doelgroep wilde ik behoren? Ik rij echt geen Volvo V70. Ik zou niet weten welk merk bij een Toyota hoort. Dat zal vast iets degelijks zijn. Beter van niet. Bijna was ik bereid om een voordelig vest uit de schappen te halen, voor maar honderdnegenennegentig euro's. Ik kon niet zeggen dat het kledingstuk echt mooi was, maar het had een vlaggetje….

Een uur later waren we in Deventer. In een outdoor shop scharrelden wij in de uitverkoophoek. Een totaal verkeerd gekleurd jack trok mijn aandacht. Het was een uitgesproken lelijk jasje, maar het had wel op schouderhoogte een North Face logo op de achterkant. Daar wilde ik wel mee gezien worden. De honderdnegenentwintig euro had ik er wel voor over. Gelukkig keek mijn lief bedenkelijk genoeg om mij wederom te weerhouden van deze impuls aankoop. Ook de fleece van hetzelfde merk liet ik hangen. Deventer verliet ik met slechts een aankoop: de zaterdagse Volkskrant.

Mijn werkplek

Week na week had ik het bezoek aan mijn werkplek uitgesteld. Soms voelde ik mij te vermoeid om te gaan. Op andere tijdstippen kon ik geen afspraak met collega's maken, hun werk ging natuurlijk verder. Ook lukte het niet omdat ik medische afspraken had. Vandaag moest het dan maar gebeuren: op naar mijn werkplek.

In alle vroegte – en in een herfstachtige regenbui - stapte ik in de auto om de weg af te leggen die ik op mijn duimpje ken. Vlak bij huis stond ik al stil; door defecte verkeerslichten hoopte het verkeer zich op voor het knooppunt J. Geduldig wachtte ik af. Achter het stuur, filerijdend, luisterend naar het ochtendnieuws, is geen ramp. De in gele hesjes gehulde agenten regelden het verkeer op het knooppunt. Met arm- en handbewegingen dirigeerden zij de verkeerstromen. Gelukkig meldde de radio in de verkeersinfo mijn file. Niets zo erg als moeten staan in een niet officiële file. Nog gelukkiger was het dat ik vrij snel door de drukte heen kwam. Ik volgde de A-28 naar het zuiden van Drenthe, naar mijn werkplek.

Alsof de duivel ermee speelde, moest ik op mijn plaats van bestemming opnieuw filerijden. Dit maal stond er een kapotte vrachtwagen op de weg, die moest worden weggesleept. De sleepwagen, een stoere sleeptruck eigenlijk, stond achter mij en keerde met speels gemak om de kapotte wagen weg te slepen. Zo is het nooit saai op een weg die je al talloze malen hebt afgelegd. Toen ik eenmaal de opstopping voorbij was, kon ik tot aan mijn werkplek doorrijden. Ik vreesde nog even dat tegenover het Italiaanse restaurant waar heerlijk gekookt wordt, de graafwerkzaamheden nog steeds niet waren afgerond. Op de plaats waar maanden lang de weg in een modderpoel was veranderd, belemmerde nu niets een vrije doortocht. Zo kwam ik aan bij mijn werkplek.

Mijn werkplek is een kamer van ongeveer drie bij vier meter, althans zo voelt het. De deur stond half open; het licht brandde, had ik van de buitenkant gezien. Zo gaat dat met werkplekken. Binnen de kortste keren is je vaste werkplaats een flexplek geworden. Ik besloot de kamer de kamer te laten. Tegenover mijn kamer zag ik een collega achter haar bureau zitten. Na een hartelijke begroeting spraken wij over ziekte en werk. Er was veel gebeurd tijdens mijn afwezigheid. Tijd voor pauze. Koffie met gebak, ik liet het mij smaken. Op weg naar de koffie, zag ik hoe vol mijn postvakje zat. Ik zat dus nog in het systeem. Tijdens de pauze schudde ik veel handjes. Een warm bad is overdreven, maar het voelde wel goed. Het geklets aan de koffietafel had ik gemist. Koffie drinken in je eentje is toch anders. Tevreden keek ik rond. Hier en daar zag ik onbekende collega's, kennelijk net begonnen met hun baan. Sommige collega's liepen rond met nieuwe brillen of kapsels. Maar ik herkende ze nog wel.

Na de pauze liep ik naar mijn werkkamer. Niemand zat er. Ik scharrelde wat rond, zag dat het fotolijstje met mijn kids in een hoekje gezet was. Maar hun schilderijtjes stonden nog op hun vertrouwde plek. Ik zette de boeken recht en aarzelde om in mijn laatjes te kijken. Wat zou ik er vinden? Papieren neerslag van oude verantwoordelijkheden, beetje pijnlijk. Mijn blauwe arbostoel stond er uitnodigend bij. Even zitten, het voelde stiekem. De historische wandkaart en het hangertje voor het colbert hingen er nog altijd. De plantjes waren verdwenen. Kennelijk door de flexwerkers genegeerd. Verweesd stonden de lege bloempotjes op het bureau. Mijn huisriddertjes lagen treurig in een bakje. De papieren van de flexwerker lagen bij de computer. Tja, mijn werkplek lag er sneu bij.

Hoe treurig mijn werkkamer was, toch bleef ik vastbesloten. Binnenkort ben ik hier gewoon weer. Ik zie wal wat ik er ga doen, maar ik zal er weer leven in blazen.

Op weg naar huis in de auto voelde ik mijn vermoeidheid en dacht terug aan de vele terugritten die ik met prikkende ogen en pijn in mijn lijf had gereden. Ik stopte even op een parkeerplaats om wat te eten. Toen ik rond twee uur thuis kwam, wist ik dat ik een goed morgen had beleefd.

Rijden in de nacht

De dienstdoende huisarts sprak met een Oosteuropees accent. Ze legde de hand op de zere plek en schreef doeltreffende medicatie voor. De klok wees half vier. Gerustgesteld reed ik mijn lief terug naar onze vakantieresidentie. De capsule begon snel te werken en eenmaal in de bedstee was ze snel in slaap gevallen. Enkele uren eerder had ik in mijn pyjamaatje op de koude keukenvloer hulpeloos toe staan kijken. Ik ben geen held in het medische. De klachten gingen niet vanzelf weg; ze werden zelfs erger. Ik moest hulp inschakelen. De beheerder van ons huisje kon mij niet helpen, althans hij reageerde niet op mijn telefonische oproep. En zomaar binnenstappen leek mij om half drie 's nachts ook niet de bedoeling van het noaboarschaip.

Ik scharrelde met mijn zaklampje over het erf, bezon mij op de vervolgactie. Huisarts bellen? Welk nummer? Kon ik 112 bellen? Voor je het weet staat hier een ambulance voor het huis. Maar toen ik het noodnummer had gebeld kreeg ik een rustige ziekenbroeder die mij via een vragenlijstje leidde naar het nummer van de huisartsenpost. Oké, het bleek twintig kilometer verder op te zijn, en dat door de nacht. Ik ben geen nachtrijder. Maar nood breekt wet. Ik startte de auto, ontstak de lichten en zag niets. Het zal wel de laatste nachtvorst zijn geweest van deze winter. Dus ik moest de ruiten krabben. Het bospad reed ik af met grootlicht. De tachtigkilometer wegen waren uitgestorven. Maar snelheid kon ik niet ontwikkelen. Verkeersremmende maatregelen dwongen mijn rustig te rijden. Talloze verkeersdrempels en rotondes kwamen we op onze route tegen.

Het ziekenhuis waar de centrale huisartsenpost in gehuisvest is, was moeilijk te vinden. Op de ringweg werd de route nog goed aangegeven. Met grote verlichte borden volgde ik de weg. Maar op de beslissende rotonde ontbrak elk teken. We reden rechtdoor en liepen vast in een woonwijk. Moeizaam draaide ik op een woonerf. Mijn lief hield zich in, in het zicht van de haven kon ze het nog wel even volhouden. Terug op de fatale rotonde zagen we een onnozel bordje met een klein H'tje. Dat hadden we dus over het hoofd gezien. Op het verlaten terrein van het ziekenhuis reed ik via de baan van de ambulances rechtstreeks naar de spoedeisende hulp. Verkeerd, ik had de hoofdingang moeten hebben. Keren, draaien, in de achteruit en op zoek naar de hoofdentree. Probeer die maar eens te vinden in de stilte. Overdag volg je de mensen, maar in alle verlatenheid is het lastig de ingang te vinden.

Gelukkig stond er al iemand op de uitkijk. Hij opende de deur voor ons en wees ons de weg. In mum van tijd verscheen de arts. Gekleed in een warme wintertrui bibberde ze, ook zij had het koud. Gelukkig kon zij ons goed helpen. Binnen een kwartier stonden we weer bij onze auto. Gewapend met medicijnen en gerustgesteld reden we weer door de nacht.

Eindelijk kon ik op het medische vlak eens wat terug doen. Over voldoening gesproken.

Wildwood

Langs ons vakantiehuis lopen diverse zandpaden. Het pad dat leidt naar ons huisje ligt bezaaid met koeienstront; de hond is er dol op. Vanochtend was ik weer eens vroeg wakker en besloot de natuur in te trekken. Natuurlijk weet ik ook wel dat natuur in Nederland keurig is aangelegd, maar toch. De paden gaan wisselend door bossen en langs velden. Zonder kaart of andere oriëntatiemiddelen liep ik door het groen. De vogels, voor mij onherkenbaar aan hun geluid en al helemaal niet zichtbaar met mijn oogafwijkingen, zorgden voor stemmige achtergrondmuziek.

Na enige tijd liep ik over een keurig aangelegde laan, omzoomd door hoge sprankelend lichtgroene beuken. Zo ver ben ik al wel dat ik een beuk, eik en een kastanje kan onderscheiden. De laan kwam uit bij een landgoed, compleet met gracht. Ik kon niet rechtsaf, want dat was een privépad. Gehoorzaam als ik ben, koos ik voor het linkerpad. Zo kwam ik aan de achterkant van het landhuis. Leek het aan de voorzijde op een Frans manoir, aan de achterkant zag ik schuren als bij een boerderij. Mooi om te zien dat de oorsprong van het landhuis agrarisch is. Net als in Groningen de borgen opgepimpte boerderijen zijn. Of de landheer zelf de landerijen met zijn trekker omploegt vraag ik mij af, zeker nadat de geur van paardenmest zich vastzette in mijn neus. De schuren staan kennelijk vol paarden. Het linkerpad kwam uit bij een van de bijgebouwen. In de tuin was een gezellig zitje gemaakt, compleet met de onvermijdelijke vuurkorf en sfeerverhogende tuinlantarentjes. Op het erf reed een vrouw een kruiwagen vol mest weg. We groetten kort.

Ik vervolgde mijn weg. Om niet te ver uit de buurt van het huisje te geraken besloot ik bij het eerste pad links dat te nemen. Een kaarsrechte sloot verraadde de menselijke aanleg van het gebied. Allemaal leuk die natuur, het moet natuurlijk wel beheersbaar blijven. Halverwege het watertraject zorgde een schutje voor een klein watervalletje. Vlakbij zag ik twee bijna parallel lopende ijzeren balken over het water liggen. Kennelijk bedoeld als provisorische brug. Ik weerstond de aanvechting om er over heen te balanceren. Ook gecultiveerd water is nat. Het pad kwam uit bij een tweede bijgebouw. Dit boerderijtje droeg de naam 'Beekhoeve'. Waarschijnlijk verschool zich hier ergens een beek. Ik zag niets anders dan de kaarsrechte sloot. Dat moest hem blijkbaar zijn. Ook hier een vuurkorf en een zitje in de tuin. Aan de waslijn hing een groot kleed te drogen met een immens wit kruis erop. Ik keek nog eens goed en zag dat het behoorde tot een speelgoed fort. De kinderen van de Beekhoeve spelen zo te zien graag riddertje op dit landgoed.

Mijn natuurdoel had ik nog niet bereikt. Op een landgoed hoort natuurlijk wild te zijn. Ik liep over een bruggetje en liep langs de andere kant van over de sloot-beek. Het zandpad ging hier over in een smal platgetreden paadje door het veld. Het bracht mij bij een lange rij wilgen, althans ik zag geen eiken-, beuken- of kastanjeblaadjes, dus moeten het wel wilgen zijn. Hoe verder ik liep, hoe meer struiken er tussen de boompjes stonden. Op de grond zag ik twee groene patronen liggen, hagel neem ik aan. Hier zou ik dus wild kunnen tegenkomen. En ja hoor, plots zag ik op zo'n driehonderd meter van mij af, een hertje staan. Kop opzij gekeerd, in de vluchtstand. De wind stond in mijn richting, zodat het dier mij niet kon ruiken. Maar al snel had hij mij in de smiezen. Met krachtige sprongen verdween hij in het struikgewas. Ik strompelde verder over het ongelijke terrein. Ons huisje kon ik zien liggen. Ik bepaalde mijn koers. Als ik rechtdoor zou lopen, zou ik een tweede sloot over moeten, zag ik. Ik schatte de afstand, een sprong was mogelijk. Maar de steile waterrand weerhield mij ervan. Toen ik de sloot af keek op zoek naar een bruggetje of een dam, zag ik ineens het reetje, in gezelschap van een tweede. Geheel gelukkig staarde ik naar het wild. De oversteek was nadat de twee reeën gevlucht waren snel gemaakt.

Door het veld keerde ik terug naar mijn gezin, dat in het vakantiehuisje langzaam ontwaakte. Ik liet de hond uit, gaf hem eten. Vervolgens heb ik het ontbijt klaargezet en keek ik met voldoening terug op een vroege start van de dag.

Muziek uit giga-bytes

De ipod shuffelt zich door de muziekbibliotheek tijdens deze vakantie. Door de twee kleine geluidsboxjes rijgt zich een muzikale ketting door ons vakantiehuisje. Af en toe komt een nummer uit de voorraad van de vele gigabytes aan muziek, dat bijna vergeten was. Ik stapte zojuist de kamer binnen en daar klonk Coldplay's Viva la vida. Once I ruled the World, once I rolled the dice. Met andere woorden, ik had grip op mijn wereld. Maar dat is nu lang geleden. Ooit speelde ik met mijn vermogen, terwijl mijn onvermogen mij nu in zijn greep heeft. Het was weer zo'n dag. Ik kon niet op gang komen. Kennelijk had ik in de afgelopen dagen teveel energie gevraagd van mijn lichaam. Tergend langzaam vergleed de dag. Een zeurend hoofdpijntje achter de ogen ontnam mij de lust om in actie te komen. Mijn rug voelde vermoeid, alsof ik uren geroeid had. En dat in een groene, zonovergoten wereld.

En dan klinkt er in eens een nummer van Moke, the long and dangerous sea. Dat kikkert even op. Lekker de beuk erin. Of een oudje van de Beatles, When I'm sixtiefour. Liefelijk, klein en hartverwarmend: Will I still love you, when I'm 64? Reken daar maar op. Muziek om je stemming te bepalen. Eigenlijk moet je dan de oordopjes in om heel dicht op de klanken te zitten en dan wegdromen bij je favorieten. Lang geleden, in de tijd van de walkman, draaide ik tijdens mijn verblijf in Ierland cassettes met de muziek van Van Morrisson. No guru, no method, dat soort werk. Het bracht me in een soort trance. Op de Aran Islands, boven de kliffen, uitkijkend over de oceaan en dan het kabbelende muziekdecor van Van the Man in mijn oren, voelde ik mij onoverwinnelijk. Een ommekeer, het leidde naar Viva la Vida. Al bestond dat nog niet.

De ipod houdt zich nu even stil, ik spits mijn oren. Wat zal volgen? Heel zacht hoor ik een stem, ik weet niet wat er gaat komen. De hond snurkt harder dan de muziek. Mother nature's son, weerklinkt zeer zachtjes. Ik heb niet veel met dat nummer. Toch vind ik de titel mooi klinken, kan ik daar iets mee, hier in het groene Gelderland? Stiekem hoop ik op Get Back of Back in the USSR. Opzwepende ritmes. Muziek kan ook te lang te duren, zo is het met Mother nature's Son. Ik zie dat het accuutje bijna geheel in het rood staat. Nog even en de ipod moet aan de lader. De energievoorraad is uitgeput. Tijd voor een nieuwe impuls. Ik ken dat gevoel. Nog even wat lezen en dan de bedstee in. Aan de oplader. Hopelijk kan ik morgen op eigen kracht de dag doorkomen. De hond snurkt nu zo hard dat hij er zelf wakker van wordt. Ons huisdiertje weet als geen ander zijn rustmomenten te kiezen, ik zou nog veel van hem kunnen leren. Hij draait zich nog maar eens om op zijn kussen.

De laatste stukjes energie van de ipod zijn voor Crosby, Stills, Nash en Young. Ze kabbelen lekker weg op hun gitaren en met hun meerstemmig gezang. Vredig.

Tijd voor een slaapmutsje.

Boeken in Gelderland

In het pand van de uitgever, gevestigd in een stadje aan de IJssel, staat het distributiecentrum compleet leeg. Rijen lege stellingen staan in een verlaten ruimte. Ik keek er naar en hoorde de uitgeefster naast mij verzuchten dat dit ooit het kloppende hart van het bedrijf was. Vooral in de vakantieperiode was het een drukte van belang. Talloze boekenpakketten werden hier samengesteld. Ook de uitgeefwereld ontkwam niet aan de fusiedwang. Nu wordt er in Nederland op één plaats alles centraal ingepakt. In het voormalige distributiecentrum in het IJsselstadje heerst nu een stilte als in een leeszaal. Je zou er prima je tentamens kunnen leren, zo rustig is het er.

Op de kamer van de uitgeefster trof ik gelukkig wel boeken aan. De Algemene Geschiedenis der Nederlanden stond in vijftien delen op de plank. Het gesprek dat wij voerden ging over digitale aanvullingen op educatieve uitgaven. Het schoolboek moest interactief gebruikt kunnen worden. Elk zich zelf respecterende school heeft talloze digiborden. Omdat de leraar nauwelijks tijd heeft zich uitgebreid voor te bereiden, komt het vaak voor dat het digibord te weinig gebruikt wordt. De uitgeefster schetste ideeën om deze leemte op te vullen. Ik zag op haar scherm prachtige aanvullingen op de schoolboeken. Het leerboek met een internetaansluiting. Het schoolboek als portal. Je leest en vanuit de tekst kun je verbinding vinden met verschillende achtergronden. Mooie ontwikkeling, of extenties, om in ict-termen te praten.

Later bezocht ik een boekenwinkel in de oude binnenstad. Het smalle pand stond vol boeken, in het midden smalle toontafels, aan de wanden hoogoplopende boekenkasten. Ik verlekkerde mij aan de nieuwe uitgaven. Boeken met teksten, bundels met foto's, en vooral druksels zonder hyperlinks. De boekverkopers stonden half in de winkel, half in hun kantoortje te bellen met het Centrale Boekhuis. In de wereld achter het boek werd weinig verheffende taal gesproken. De bureaucraat aan de andere kant van de lijn, kreeg het onderste uit de kan. De winkelier was het compleet oneens met de omslachtige manier van doen bij het CB. De lawaaierigheid in de boekenwinkel nam verder toe door de komst van een drietal veertigers die op luide toon hun boekenkennis met elkaar deelden. Kennelijk had de witte wijn bij de lunch rijkelijk gevloeid. Het volume paste namelijk prima bij het nagerecht, de digestief en de sigaar. Door het geklets heen hoorde ik ter nauwer nood een klant verzuchten dat ze niet op de naam van een schrijver kon komen. Aan drie aanwijzingen had ik genoeg. Thomése, hielp ik haar. Superieur herhaalde zij de schrijversnaam waarbij zij nadrukkelijk op de juiste manier het accent uitsprak.

Zonder aankopen verliet ik de winkel.

Thuisgekomen heb ik in bed gelezen in een boek dat ik ooit gekocht heb in de bibliotheek. Het ligt bijna uit elkaar, kapot gelezen. De openbare leeszaal stempelde er met vette letters AFGESCHREVEN in. Het boek als een vondeling in de uitverkoop gelegd. Uit respect herlees ik het. In het boek gebruikt de hoofdpersoon een typemachine om zijn herinneringen vast te leggen. 's Avonds las hij zijn weeskinderen voor uit het werk van Charles Dickens, bij kaarslicht.

Inloggen op het platteland

Alles leuk en aardig in zo'n vakantiehuisje, maar het bereik is nihil. Ik had nooit gedacht dat ik mijn recreëertijd zou besteden aan toegang krijgen tot het internet. Terwijl ik moet genieten van de stilte, van het uitzicht en van de komst van de reetjes in het groene veld, zit ik achter mijn laptop en tuur naar een klein driehoekig geel-wit icoontje in het rechterdeel van de werkbalk. De beheerder riep bij aankomst dat er een wifi-verbinding was. Hij zou de inlogcode nog wel komen brengen. Ik verheugde me erop want de laptop is net twee dagen in mijn bezit. Eindelijk zou ik kunnen genieten van draadloos internet. Even de mail checken, kijkje nemen op buienradar, basketball-playoffs bij houden, dat soort werk.

Toen ik de hond ging uitlaten en ik op het erf de beheerder met zijn hond trof riep hij de code. Ondertussen maakten onze honden een uitzinnige dans. Met hun bekken in elkaar sprongen zij in de rondte. Na enige tijd zag de beheerder dat zijn hond bloedvlekken op de vacht had. Bij nadere inspectie bleek dat mijn hond een loszittend hoektandje verloren had. Daar moest het bloed vandaan zijn gekomen. Ik had al steeds gecheckt of de hoektand los kwam. De dierenarts had al op het punt gestaan de tand onder narcose te verwijderen. Gelukkig was mijn hond niet zo fit en zag ze af van de ingreep. Als de tand na twee weken nog in de weg zou zitten, moest ik alsnog langskomen. Ondertussen moest ik met de hond vooral trekspelletjes doen. Vindt ie ook nog eens leuk. Ik heb de hond heel wat rondgetrokken aan een stevig toe met een knoop erin. Na alle consternatie van de hondendans, het bloed en de tand, probeerde ik snel de inlogcode in mijn telefoon te toetsen. Toen ik dat deed, trok de hond aan de lijn. Hij rook nu de koeienmest die overal op het pad lag. Niets lekkerder dan een stevig hardgeworden koeienflats. Mijn hond lust er wel pap van. Hij trok mij van de een na de ander. Ineens stond hij stil. Ruim twintig pinken kwamen nieuwsgierig naar het hek toe waar mijn hond nieuwsgierig stond af te wachten. Rustig bekeek hij de grote dieren. Hij hoorde hoe de koeien sopten in de modder. Hij schrok op toen een van de dieren tegen het schrikdraad kwam. De knetter deed hem opspringen en eindelijk kon ik de code intikken in het geheugen van mijn 06. Was het nou eerst een cijfercode en dan een Italiaanse jongensnaam of andersom? Ik kreeg geen kans het mij goed te herinneren, de hond had in de volgende wei drie pony's ontdekt, die nodig begroet moesten worden.

's Avonds besteedde ik meer dan drie kwartier aan pogingen verbinding met het net te maken. Tientallen combinaties van cijfers en letter tikte ik in het venstertje. Zonder resultaat. Gelukkig heeft Windows 7 een probleemoplosser. Als ultieme oplossing komt het programma met de waardevolle suggestie om iemand die rustig en ervaren is te vragen om hulp. Echt waar. Of het apparaat uit te zetten. En naar bed te gaan, voegde ik er aan toe. Maar dat deed ik natuurlijk niet. Het werd een obsessie. Ik kon niet meer stoppen. Combinatie na combinatie vuurde ik op de laptop af. Het was natuurlijk een mission impossible. Zonder internet bezocht te hebben ging ik te laat de bedstee in. Tijdens het inslapen was ik nog bezig met getallen en namen tot een code om te zetten. Vanochtend werd ik wakker en liep ik als een junk om het apparaat. Ik moest echt vechten om niet meteen weer te gaan proberen.

En dat terwijl de oplossing voor handen ligt. Even het erf opstappen en de beheerder opzoeken. Een makkelijk toegankelijke vent. Een gesprekje van niks zou leiden tot de oplossing van mijn inlogprobleem. Maar ik doe het niet. Misschien om mij zelf te tarten, internet hoort niet tijdens het recreëren. Eigenlijk hoort die laptop er ook niet bij. Het komende uur moet ik daarin maar een besluit nemen. Of de inloggegevens opvragen of de laptop wegstoppen. Ben benieuwd of ik eruit kom. Ik voorspel dat ik morgen nog bezig ben met die code. En mijn hond met koeienstronthoopjes.

Lastig te vinden en te bereiken vakantiehuisje

Het knusse van vakantiehuisjes is de houtkachel. Mijn lief heeft het vermogen prima vakantiestekjes te vinden. Via allerhande sites tovert zij idyllische plekjes tevoorschijn. Uiteraard vermijdt ze Landallparken en andere instant terreinen. Met enkele google-acties lukt het haar telkens om ons gezin een weekje te laten recreëren op eigenzinnige locaties. Welke criteria ze stelt is mij niet helemaal duidelijk, maar de huisjes die wij de afgelopen jaren hebben bezocht hadden alle een ingewikkelde routebeschrijving. Misschien gebruikt ze de site Lastig-te-vinden-en-te-bereiken-huisjes.nl. Ook nu moesten we het doen met cryptische aanwijzingen. Zo speurden we gisteren naar bordjes die waarschuwden voor overstekend wild. Tweehonderd meter verder moesten we een zandpad oprijden en bij een bord verboden in te rijden moesten we juist doorrijden. Via een met frisse lentegroen omzoomde slingerweggetje bereikten we ons tussendoorvakantieadresje. De hoeve oogde vervallen, het erf rommelig, maar de eigenaar wees ons het paadje naar het gastenverblijf. En ja hoor, bingo! Liefje had weer eens goed gezocht. Een bescheiden houten huisje dat eigenlijk uit een grote kamer bestaat. Aan het eind van het vertrek is een wand gevuld met een prima keukenblok, de slaapkamertjes zijn eigenlijk bedsteden. Maar de grootste attractie is de westwand die bijna geheel bestaat uit ramen. De ramen bieden een perfect uitzicht op een groene weide, populieren aan het eind, met daarvoor bolvormige bomen. In dit groene decor lopen koeien. Deze groene sensatie is gehuld in stilte. Af en toe een vogel of een kerkklok. Door de ramen stroomt, zelfs op een regenachtige dag als vandaag, helder licht in ons stulpje. Vanuit de bedstee – je moet met een klein trapje in bed klimmen – kun je de groene stilte ervaren. Maar wij hielden de deurtjes van ons bedkamertje gesloten. Zo groot als een tweepersoonsbed is ons slaapkamertje. Er is een klein richeltje waar ik mijn brilletje kan neerleggen. Het boek moet aan het voeteneind gelegd worden.

En ja ook een houtkachel is aanwezig. Niets is zo leuk om een vuurtje te stoken in huis. Met wat aanmaakblokjes en smalle houtjes kreeg ik vanmiddag de kachel aan de praat. De kachel stuwde de temperatuur al snel op tot boven de 27 graden. Puffend lag de hond in zijn bench, tong uit de bek, de drinkbak leeggeslobberd. Iets te enthousiast gestookt. Maar wel knus. En genieten.

Gisteren zagen we al reetjes in de verte. De hond vreet alle koeienstront op die hij tegen komt. Nee, we genieten echt allemaal.