Rijden in de nacht

De dienstdoende huisarts sprak met een Oosteuropees accent. Ze legde de hand op de zere plek en schreef doeltreffende medicatie voor. De klok wees half vier. Gerustgesteld reed ik mijn lief terug naar onze vakantieresidentie. De capsule begon snel te werken en eenmaal in de bedstee was ze snel in slaap gevallen. Enkele uren eerder had ik in mijn pyjamaatje op de koude keukenvloer hulpeloos toe staan kijken. Ik ben geen held in het medische. De klachten gingen niet vanzelf weg; ze werden zelfs erger. Ik moest hulp inschakelen. De beheerder van ons huisje kon mij niet helpen, althans hij reageerde niet op mijn telefonische oproep. En zomaar binnenstappen leek mij om half drie 's nachts ook niet de bedoeling van het noaboarschaip.

Ik scharrelde met mijn zaklampje over het erf, bezon mij op de vervolgactie. Huisarts bellen? Welk nummer? Kon ik 112 bellen? Voor je het weet staat hier een ambulance voor het huis. Maar toen ik het noodnummer had gebeld kreeg ik een rustige ziekenbroeder die mij via een vragenlijstje leidde naar het nummer van de huisartsenpost. Oké, het bleek twintig kilometer verder op te zijn, en dat door de nacht. Ik ben geen nachtrijder. Maar nood breekt wet. Ik startte de auto, ontstak de lichten en zag niets. Het zal wel de laatste nachtvorst zijn geweest van deze winter. Dus ik moest de ruiten krabben. Het bospad reed ik af met grootlicht. De tachtigkilometer wegen waren uitgestorven. Maar snelheid kon ik niet ontwikkelen. Verkeersremmende maatregelen dwongen mijn rustig te rijden. Talloze verkeersdrempels en rotondes kwamen we op onze route tegen.

Het ziekenhuis waar de centrale huisartsenpost in gehuisvest is, was moeilijk te vinden. Op de ringweg werd de route nog goed aangegeven. Met grote verlichte borden volgde ik de weg. Maar op de beslissende rotonde ontbrak elk teken. We reden rechtdoor en liepen vast in een woonwijk. Moeizaam draaide ik op een woonerf. Mijn lief hield zich in, in het zicht van de haven kon ze het nog wel even volhouden. Terug op de fatale rotonde zagen we een onnozel bordje met een klein H'tje. Dat hadden we dus over het hoofd gezien. Op het verlaten terrein van het ziekenhuis reed ik via de baan van de ambulances rechtstreeks naar de spoedeisende hulp. Verkeerd, ik had de hoofdingang moeten hebben. Keren, draaien, in de achteruit en op zoek naar de hoofdentree. Probeer die maar eens te vinden in de stilte. Overdag volg je de mensen, maar in alle verlatenheid is het lastig de ingang te vinden.

Gelukkig stond er al iemand op de uitkijk. Hij opende de deur voor ons en wees ons de weg. In mum van tijd verscheen de arts. Gekleed in een warme wintertrui bibberde ze, ook zij had het koud. Gelukkig kon zij ons goed helpen. Binnen een kwartier stonden we weer bij onze auto. Gewapend met medicijnen en gerustgesteld reden we weer door de nacht.

Eindelijk kon ik op het medische vlak eens wat terug doen. Over voldoening gesproken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.