Het oranje hesje

In de ochtendspits begaf ik mij vanochtend door de stad. De ergste drukte was achter de rug. Vlak bij de plaats van bestemming zag ik de eerste. Het was een jongetje van een jaar of elf. Hij fietste keurig over het fietspad. Over zijn jas droeg hij een oranje hesje. Daarop viel te lezen dat hij deelnam aan het praktisch verkeersexamen. Voor veel kinderen het eerste serieuze examen na de zwemdiploma's. Hij deed het keurig. Over het fietspad reed hij naar een druk kruispunt. De lichten stonden op rood. Hij minderde vaart en toen gebeurde het. Hij zag net op tijd dat een bestelbus tegen de stroom van het verkeer in reed en parkeerde op de fietsstrook. Het jochie hield zijn benen stil. Hij keek om zich heen of iemand hem zag. De twijfel straalde er van af: stoppen, over de stoep of met een sierlijke beweging erom heen? Even dacht ik dat hij niet kon kiezen en met zijn oranje hesje en al op de wagen zou knallen. Uiteindelijk stopte hij. Met twee benen op het asfalt, fiets tussen de benen gekneld stond hij stil. Hij keek de chauffeur in de ogen. De bestuurder van de bus grijnsde en gebaarde dat hij bleef staan. De jongen ging weer op het zadel zitten en keek over zijn schouder. Netjes stak hij zijn linkerhand uit en toen hij zag dat hij veilig langs de wagen kon, reed hij verder. Voor het rode licht bleef hij staan zoals hij dat geleerd had. Een autobus van QBuzz gleed langs hem heen. Toen het licht groen werd, peddelde hij het kruispunt op, op weg naar het volgende obstakel. Ik denk dat hij geslaagd is.

Opgelucht over de goede afloop reed ik verder. Opnieuw zag ik een oranje hesje, dit keer een meisje. Zij moest de weg oversteken. Ik reed rustig verder en keek in mijn achteruitkijkspiegel of ze na mij zou oversteken. De weg was compleet leeg. Maar ze bleef staan, keek opnieuw links en rechts, en bleef toch staan. Ze blokkeerde kennelijk. Ik reed door en dacht aan mijn eerste keer fietsen in de grote stad. Ik was twintig en wilde naar de binnenstad met mijn studentenfiets. De bussen en het autoverkeer hadden een verlammende werking op mijn provinciale gemoed. Met angst en beven reed ik door het stadsverkeer. Dit was andere koek dan ik gewend was. Met zweet op mijn voorhoofd haalde ik de Grote Markt. Wat het meisje met het oranje hesje meemaakte, herkende ik. Verkeersstress.

Nu na twintig jaar fietsen in de big city ken ik geen angst meer. Ik knal overal tussendoor. Pas toen ik voor het eerst met een kind naast mij fietste zag ik weer alle gevaren. Ik heb mij de afgelopen jaren de longen uit mijn lijf geschreeuwd. Alle bussen en scooters die langs ons schoten heb ik vervloekt. Ik weet het, het is een slecht voorbeeld voor de kinderen. Maar in de wereld van dode hoeken en snelheidsduivels geldt de wet van de jungle: eten of gegeten worden. Ondertussen rijden mijn zoon en dochter alleen door de stad. Soms hoor ik een sirene loeien in de verte. Dan krijg ik alle schrikbeelden die je maar kunt bedenken. Gelukkig ben ik er niet bij als zij door het verkeer slalommen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Laat hier je reactie op het bericht achter.