Wat Mario Kempes heeft verknald


Staan we aan de vooravond van een sport-historisch dag? Moet ik morgen een oranje shirt aan? Ga ik kijken met of zonder buurtgenoten? Moet ik iets doen aan bijgeloof? Moet ik mij zenuwachtig gaan voelen? Ik weet het nog niet.

Over 24 uur weten we of Oranje in de finale zal spelen. Ik ben eerlijk: ik had het niet voor mogelijk gehouden. Sinds 1978 volg ik de wedstrijden van Oranje met meer dan gemiddelde interesse. De tweede ronde in Argentinië moest Nederland Italië verslaan. En dat lukte: 2-1. Het is mijn eerste echte WK-wedstrijd die ik gezien heb. De finale tegen Argentinië heb ik van het begin tot het eind bekeken. Indruk maakte de juichende, krijsende, huilende massa op de tribunes. Het publiek dat scandeert 'Argentina, Argentina' terwijl men met witte doekjes zwaait, kan ik zo oproepen. Ik was tien en had geen weet dat in dergelijke stadions een heel ander geluid geklonken had. De vuile oorlog was mij onbekend.

In ieder geval heb ik jaren gewacht op een herhaling van die finale. Ik worstelde mij door de eerste jaren van het achtste decennium. Ik maakte 1982 en 1986 mee zonder Oranje, al zat ik alle kwalificatieduels voor de buis uit. In de jaren negentig zuchtte ik bij het WK in Italië en pas bij het WK's in de VS en Frankrijk kon ik weer genieten. Het gevoel van net niet gewonnen heeft mijn sportbeleving sinds 1978 heftig bepaald. Alle overwinningen die Nederlandse sporters sindsdien hebben behaald (WK schaatsen, Olympisch goud volleybal, tourzege Joop Zoetemelk, Wimbledon voor Krajiceck, dartskampioen Van Barneveldt, goud van Anky, medailles voor Van den Hoogeband en Inge de Bruyn, Champions League Ajax, gouden hockey-babes) het stond allemaal in de schaduw van 1978. Als dat kampioenschap gewonnen was had ik echt kunnen genieten van al die andere topprestaties. Nu voelde het allemaal als een troostprijs. Wel uitblinken in dressuur, maar geen WK-finale kunnen winnen. De EK-winst in 1988 is altijd een beetje surrogaat gebleven. Winnen van de Sovjetunie, een land dat toen al bijna verdwenen was, daar wis je geen frustratie mee uit.

Ik hoop voor de kinderen uit mijn straat dat zij morgen en zondag a.s. getuige mogen zijn van twee klinkende Oranje overwinningen. Zij zullen meemaken wat Mario Kempes en de zijnen mij ontnomen hebben: onvoorwaardelijke trots op het nationale elftal. Laat Beatrix samen met de komende premier Rutte voorgaan in de polonaise, zoals de zilveren ploeg in 1974 in de tuinen van het Catshuis premier Den Uyl meevoerde in een feestelijke vreugdedans. Laat de kinderen juichen.
Ik beken wederom: ik ben nerveus. In mijn achterhoofd hoop ik op iets heel moois, maar getekend als ik ben door 1978, weet ik hoe iets moois zo dichtbij kan zijn, en zo onbereikbaar kan zijn.




























   

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Laat hier je reactie op het bericht achter.