Over een trekkershut en de oerdrift tot Corona en prosecco

De duinen zijn vlakbij, de zee dus ook en de wind natuurlijk. In het met toeristen overspoelde Zeeland zijn we nu aangeland. Onze slaapplek is een trekkershut. Het huisje is vijf bij vijf meter groot, telt vijf slaapplaatsen en heeft een klein keukentje met een zitje. Eigenlijk is het een veredeld tuinhuisje. Er zijn mensen die zo'n ruimte benutten om er hun grasmaaier en tuingereedschap in op te bergen. Wij slapen erin. Naast ons staat een auto en daarnaast weer zo'n huisje. De twee hokjes staan achter een boerderij die geheel is omgebouwd tot appartementen. Overal duiken mensen op die hier een overnachting geboekt hebben. Een toeristisch mierenhoopje.

Loop je het straatje uit dan kom je langs campings. Minicampings welteverstaan. Al maken vele kleine campings weer een grote. Iedereen doet mee om toeristen te kunnen onderbrengen. Aan de staat van de vaste woonhuizen te zien, lukt het aardig om wat te verdienen met de verhuur. Veel woningen zijn opgeknapt, steken goed in de verf en worden omringd door fraaie tuinen. Zeeland kent dus een grote toeloop van toeristen. Het doet mij altijd wat huiveren, de drukte die dat met zich meebrengt. Al die mensen die de zee en het strand opzoeken. Het hoopt zo op. Bovendien moet er geld aan verdiend kunnen worden. Dus strandtenten met fris, bier en ijs. Verkooppunten van snacks. Verhuur van strandstoelen en strandtentjes. Alles in dezelfde felle kleuren. Zou je ook geld moeten betalen voor het graven van een kuil? Of voor het oplaten van je vlieger? Als het aan de uitbater zou liggen wel, lijkt me. Gelukkig is het nog wel mogelijk een gratis duik te nemen in de zee.

Het gekke is dat veel mensen zonder bezwaar rondom de rood-gele parasolletjes samenklonteren. Alsof ze bang zijn voor een leeg strand. Liever het geroezemoes van medemensen dan het krijsen van een zeemeeuw in een eenzame duinpan. Wat trekt hen aan? Is het de nabijheid van voedsel en drank? Of wil men niet te ver lopen vanaf de strandopgang? Het kan ook zijn dat de badgasten het prettig vinden dat het zand is aangeharkt. Al met al klonteren de strandgangers samen op het zand. Het zal wel een oerdrang zijn: net als in de prehistorie zoekt men geborgenheid en veiligheid in het binnenste van de grot. Zat men toen om een haardvuur, nu komt men samen rondom de flessen prosecco en corona-bier. Wat de overeenkomst is, is dat men samen wil zijn. Men is bereid daarvoor een forse prijs te betalen. Alles beter dan alleen op het strand opgescheept te zitten met een meeuw die rondom je hoofd en tegen de wind in krijst. Nee, strand en zee is leuk, maar het moet niet te natuurlijk worden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.