Oppassen, de buren lezen mee

Joris van Casteren moet oppassen dat hij niet gelyncht wordt in Lelystad. In het boek genoemd naar de stad in het nieuwe land beschrijft hij zijn buurtgenoten. En die voelen zich genaaid want het beeld klopt niet, zeggen ze. Ze worden neergezet als leeghoofden. Het OM gaat de zaak onderzoeken, Van Casteren moet verhoord worden, een rechtszaak dreigt. Smaadschrift kan een jaar gevangenis opleveren of een boete. Zijn oud-buren willen excuses en een rectificatie. Nee, als schrijver moet je oppassen tegenwoordig.

Oeps, dacht ik , ik heb ook wel eens iets geschreven over mijn buurtgenoten. Bewust houd ik het wat vaag. Ik heb geen zin in gezeur. Soms schrijf ik een stukje waar een persoon voorkomt die iets herkenbaars doet. Denk aan de bakker of de postbode. Of een dienstverlener in de paramedische wereld. Zo beschreef ik onlangs de hiërarchische verhouding die heerste in de praktijk waar mijn dochter aan haar uiterlijk geholpen werd (ja, dat kan van alles zijn: plastische chirurgie, nagelstudio, piercingsalon, tandarts, dermatoloog, ehbo-post, ik houd het wat vaag). Ik schetste een beeld van de eigenaar van de gezondheidheidspraktijk dat niet zo positief was. Ik schatte de geportretteerde persoon in staat om elke avond rond te googlen of zij ergens op het genoemd was. Bijna zeker had zij mijn stukje kunnen terugvinden. Soit, zou je zeggen.

Vorige week moest ik met mijn dochter opnieuw naar deze hulpverlener. Ik mocht mee in de behandelkamer. De assistent deed haar best en haar baas registreerde haar werk in de computer. Af en toe, zo zag ik, checkte ze haar mail. Eén keer startte ze internet op. Zie je wel, dacht ik, nu tovert ze het stukje op haar scherm en gaat mij ermee confronteren. Ik bedacht snel welk excuus ik zou mompelen. Verder dan ‘het was maar een geintje’, kon ik niet komen. Ik had haar echt afgeschilderd als een hautaine bitch, die haar ondergeschikten afbeulde. Terwijl ze natuurlijk ook goede kanten had. Die heb ik nu niet even paraat, maar er moet toch wel wat te bedenken zijn.

Mijn angst werd groter met de minuut. Ze printte iets uit en liep met het blad in het rond. De behandeling van mijn dochter duurde nog tien minuten. Vlak bij mijn wachtplaats bleef ze staan, draaide zich om, verfrommelde het papier en verliet de ruimte. Pfff, close escape.

Ik had het al verdrongen tot ik vanavond op tv het nieuws zag over Joris van Casteren. Feit en fictie kunnen door elkaar heen lopen. Maar hoe idioot moet je zijn om aangifte te doen tegen een schrijver die zijn herinneringen noteert aan zijn jeugd? Al zijn die verhalen niet echt positief, je begrijpt toch wel dat een schrijver er is voor de fictie? De politie had deze boze buren moeten uitlachen in hun verongelijkte gezicht. De twee ex-buren van Van Casteren kwamen niet echt over als lezers. De dienstdoende agent had daarna moeten infomeren en moeten concluderen dat de buurtjes het niet begrepen hadden. Voor straf hadden zij op literatuurcursus moeten worden gestuurd.

En toch, ik ga nog voorzichtiger mijn buurt beschrijven. Voor je het weet moet je je verantwoorden voor Vrouwe Justitia.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.