Sneeuwschuiven om half vijf in de ochtend

Er is sneeuw gevallen, niet nu, maar een paar nachten geleden. Sneeuwval merk je niet als je ligt te slapen. Ook niet als je wakker bent trouwens. Midden in de sneeuwnacht werd ik wakker. Ik stommelde in het donker naar de wc. Het was half vijf en nog donker. Ik keek even naar buiten en zag de sneeuw liggen. De kinderlijke reflex om meteen naar buiten te gaan, liet ik van mij afglijden.

Toen dacht ik ineens: sneeuwschuiven! Ik had mij eerder deze week goed willen voorbereiden op de komende winter door strooizout te gaan inslaan. Het witte goud was nu al uitverkocht, de mensheid laat zich al snel opfokken door wat weerberichten. Geen zout, maar wel wist ik nog een sneeuwschuiver te scoren. Onze oude sneuvelde afgelopen winter in het sneeuwgeweld. En nu kon ik mijn nieuwe meteen al uitproberen. Maar half vijf ’s ochtends is een belachelijk tijdstip om sneeuw te ruimen. Op mijn blote voeten stond ik naar de sneeuw te kijken totdat ik de plas echt niet langer kon laten wachten.

Terug in de warmte van het bed, bleef de sneeuwschuiver maar terugkeren in mijn hoofd. Om het half uur keek ik op mijn horloge; nog geen tijd. Gelukkig begint het leven hier vroeg in huis. Toen rond zeven uur de kinderen zich langzaam maar met veel lawaai gingen opmaken voor hun schooldag, zag ik mijn kans schoon. Kleren over de pyjama aan en naar buiten. Parmantig trok ik mijn sneeuwbaantjes. Eerst een lang pad naar het trottoir. Dan de baan verbreden. Een plekje vrijmaken waar de fietsen moeten staan.

De sneeuwschuiver deed het super. De steel is lekker dik, kent een goede houvast, en is bijna twee meter lang. Jammer genoeg lag er geen ijslaagje onder de sneeuw. Mijn sneeuwschuiver kan waarschijnlijk heel goed ijsbikken. Maar wie weet wat de winter nog in petto heeft. Ik heb er zin an.

Ron Flon Flon on Line Line Line

Ron Flon FLon, met Jacques Plafond. De kenners weten waarover ik het heb. Geruchtmakende radio uit de jaren tachtig.

‘De post, de post, wat brengt vandaag de post?’

Mooie jingle. En hoe spreek je je publiek aan? Met u of met je? Om niemand voor het hoofd te stoten, koos Jacques voor het gebruik van ‘joe’. De stropdas over de schouder en actie. Onzin en een waar woord. Het draaide steevast uit op een chaos in de studio. Jaap Knasthuis en Wilhelmina Kuttje jr. deelden mee in de feestvreugde. Op Hilversum Drie op woensdag middag. Kom daar nu maar eens om. De muziek van Jan Vos, gegrondvest op stevige keyboardklanken. En flippica’s van Jacques.

Dus want en inderdaad, tot zover, of toch ook, niet dan. Grappen met taal die serieus werden uitgesproken. Een Dik-Voor-Mekaar-Show van quasi-intellectuele hoogte. En dus, in een bijzin, die gevolgd werd met een herhaling of een uitwijding die in het niets leek op te lossen, want onwelvoeglijke taal is welkom, en als je een bandje instuurde kreeg je hem nooit meer terug.

‘Wie zullen we nu weer eens bellen, bellen, bellen en bellen?’

ronflonflongroep

Het cassettebandje kon je opsturen, half gemurmeld adres, en dat moet je dan maar opzoeken, 1200 AA of zoiets in Hilversum, bij Bussum. En vervolgens legde Jacques uit hoe Thee werd uitgevonden (lang geleden kookte een monnik een potje water en toevallig viel daar een blaadje in, hetgeen uitliep in de vraag hoe men op het idee kwam hoe je koffie moest maken waarop Jacques meldde dat volgende week de cacao zou worden behandeld.

Plots en dan nu. De Nits Under a Mask, wordt ingestart en Jacques verdiept zich, tijdens het outro, in de uitspraak van Mask op zijn Engels en Amerikaans, vertelt dat het van de lp Adieu Sweetbahnhoff komt en lees voor welke tracks op dit album staan, vraagt zich dan af waarom hij dit voorleest en gaat door met een jingle. Heerlijk.

Soms filosofisch. ‘Wat is leven zonder liefde? Dat is leven zonder liefde, en dat is naar, dat is vervelend, maar daar kan niemand wat aan doen, dat is het leven en wat is liefde nu eigenlijk, ik word er somber van, dat moet je zelf uitzoeken, daar ga ik niet op de radio over uitweiden. Bladzijde drie.’ En je hoort een minuut lang geritsel en gescheur van papier. ‘En de vraag is nu in hoeveel stukken heb ik dit papier gescheurd?’ Waarop je nog een scheur hoort en dus moet je je uitkomst met twee vermenigvuldigen. ‘Een briefkaart met op- en of aanmerkingen’ gevolgd door herhaaljingle dus nog even herhalen.

Teveel om op te noemen. Dus luisteren op internet en nu dan dus want de eh, online, mp en drie en dan kan het ook klinken. ‘En nu het nieuws, is er geen nieuws, het NIEUWS, NIEUWS,waar is het nieuws?’ Jacques leest nog een keer de lijst met fictieve medewerkers voor. Warmer Popi, dominee A. Rebel, Alma Zondervan, Bea Borstbal….

Dus voor de liefhebber, klik op de link en geniet van de uitzendingen van Ron Flon FLon, die nu allemaal online te raadplegen zijn op internet. Genieten!

http://weblogs.vpro.nl/ronflonflon/

De Linkse Elite schreeuwt terug

Uitgeput en schor zijn we net terug van het Leidseplein. Toevallig hadden we een weekendje Amsterdam gepland. En juist vandaag werd gedemonstreerd tegen de BTW-verhoging op entreekaartjes van het kabinet Rutte en het wegbezuinigen van orkesten. Op het bordes van de stadsschouwburg was ruimte voor sprekers en optredens. Het motto luidde 'een schreeuw voor cultuur'. Dus de menigte schreeuwde de longen uit het lijf. Het publiek was jong en oud, alternatief tot een beetje netjes. Sommige demonstranten liepen rond met spandoeken, die kunst bestaat kennelijk nog. Ook aktieborden droeg men mee. 'Alles moet weg?!?', 'Dit is geen snoeien maar uitroeien' en de duidelijkste: een zwart geschilderd bord zonder tekst.

Ivo NIehe was de man die de introductie deed. Nooit gedacht dat ik nog zou klappen voor deze presentator. Maar hij was oprecht boos en pleitte voor meer verstand en visie in Den Haag. Hij hekelde de hetze tegen alles wat met cultuur en publieke omroep te maken had. De PVV neemt wraak op de linkse elite. Zonder na te denken wordt er gekort op de kunsten. Linkse hobbies moeten ze zelf maar betalen. Ivo Niehe sprak over de rancune-lust van de PVV.

Vele sprekers volgden. Rick de Leeuw vertelde over zijn hartstocht voor het podium. Maria Goos legde ons uit dat de kunst overal in de stad is te vinden. Een mooie aria met Nederlandse tekst over de cultuurafbraak klonk vanaf het bordes. Frits Bolkestein sprak zich uit tegen de bezuiniging, maar wilde geld weghalen bij ontwikkelingshulp. Een schreeuw was zijn deel.

In het publiek liepen drie in stofjassen gehulde types. Op hun hoofd droegen ze een soort pilotenkapje. Hun lawaai kwam uit blaasinstrumenten waar een motorzaagmotor aan verbonden was. Kunstig wisten ze met hun drietjes ritmes te maken. Oorverdovend.

Op grote schermen naast het podium werd alles goed in close-up getoond. Mensen die schreeuwen kunnen heel mooi zijn en grappig. De cameraman die in het publiek rondliep had een fijne neus voor mooie demonstranten. Mijn Lief levensgroot op een evenementenscherm, mijn demonstratie was geslaagd.

Het slotlied galmde over het plein. 'Laat ons, laat ons, laat ons ons eigen gang maar gaan.' Ik ben niet zo'n zanger. In de zeldzame keren dat ik in zangsituaties terecht kwam, veinsde ik. Nu geen playback, maar uit volle borst zong ik mee. Het lied sloot af met een schreeuw. Heerlijk om al die frustratie over dit prut-kabinet en die knokpartij van Wilders er uit te schreeuwen. Trots op de linkse elite. Laat het een geuzennaam zijn.

Schreeuw!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

Schreeuw mee

Ook vóór cultuur?!... Teken de petitie:



http://www.nederlandschreeuwtomcultuur.nl/

Plannen is nooit mijn ding geweest en SMART ben ik ook niet

Onderwijs maak ik tegenwoordig thuis mee. Ik ben gezegend met puberkids, een in klas 2, de ander in groep 8. De jongste heeft zelden huiswerk, de oudste voortdurend. Hij komt thuis en gaat na wat drinken meteen aan de slag. Kijk zo hoort, kwestie van een goede opvoeding. De jongste komt af en toe met huiswerk uit school. Dat staat dan op een verfrommeld kopietje. En dat zit in haar tas en daar blijft het dan. Soms laat je een steekje vallen in de opvoeding. Als ik haar broodtrommel en drinkbeker pak, zie ik het papier liggen. Het is topografie. ‘Wanneer heb je de toets?’ Ze kijkt me even aan en zegt dat ze gelooft dat het volgende week is. ‘En heb je het al geleerd?’ Ik weet dat ze nu gaat zeggen dat het nog wel komt, maar dat ze eerst nog even iets anders gaat doen. Uitstellen is haar middlename. Ik betwijfel of de opvoeding nou echt wel geslaagd is. Gelukkig heb ik geleerd SMART-doelen te stellen. We spreken af wanneer ze aan de slag gaat om de landen en hoofdsteden van Zuid-Amerika te leren. Mega-zucht, zo kun je haar reactie omschrijven. Ze omlijst haar zucht met rollende ogen en een hartgrondig ‘tssss’-geluid. Vrij vertaald: ik doe wat ik wil, wat je ook zegt. Valt weinig tegen op te plannen.

In mijn rol als huisvader heb ik goed zicht op het thuisgebeuren van school. Ik heb er niet altijd de kracht en energie voor om alles bij te houden, maar ik doe mijn best. Ik waak ervoor om niet in een strijd te belanden. Rustig blijven, niet uit mijn slof schieten, dat is het parool. Als is mijn zoon direct begonnen met zijn huiswerk en ik weet dat hij eigenlijk een streber is, ga ik toch regelmatig even checken in de studeerkamer. In de hal hoor ik hem tikken op de pc. I-tunes knalt er de ene na de andere hit uit. Gelukkig heeft hij mijn voorkeur voor gitaarrock overgenomen (ook een kwestie van opvoeden). Als ik binnenstap zie ik net hoe hij enkele vensters wegklikt. Hyves ligt altijd op de loer. Ik begin mijn riedel over geconcentreerd werken en pleit voor rust in de studeerkamer. ‘Jahah, weet ik, ik checkte alleen even mijn cijfers op Magister.’ En trots vertelt hij dat hij een ruime voldoende op wiskunde heeft gehaald. ‘Toen had ik ook de muziek te hard, weet je nog?’ Hij herinnert me aan de preek die ik toen afstak. ‘Moet ik je nog overhoren met NASK?’ Als dat zo is moet ik me inlezen, zoveel weet ik niet van het berekenen van het volume van cilinders en het bepalen van de massa. ‘Nou straks, eerst even mijn Engelse Stones leren.’ Over zijn schouder zie ik dat het gaat over het gebruik van het woord should. Vaag herinner ik me dat je should gebruikt als iets zou moeten.

En zo run ik mijn eigen huiswerkinstituut. Zo nu en dan is er crisis. Een opeenhoping van toetsen en opdrachten. Hoe die school dat ook voor elkaar krijgt om alles in een week te proppen, mopper ik als ik een puberjochie naast me heb staan die vecht tegen de tranen. Hij knikt. ‘Ik zal wel even mailen met je mentor dat dit te gek is.’ Maar dat is niet de bedoeling. ’s Avonds maakt hij met mijn Lief een planning. Ook hier is alles SMART en de rust keert terug.

Uit de tas van dochter diep ik een blad op met de instructie voor een werkstuk. Zelfstandig thuis te maken. Of ze al een idee heeft wanneer ze wat gaat doen? Voor ze er erg in heeft, heb ik een opzet van hoofd- en deelvragen gemaakt en een overzicht van wat in het verslag moet komen. En ik maak een planning. Het moet geen haastklus worden. Ze knikt en legt mijn krabbels naast de computer. Als het verslag klaar is, ligt mijn opzet er nog steeds, onaangeroerd. Bij de gratie Lots, mag ik het werkstuk lezen. Ik zie dat paginanummers en conclusie missen. De zinnen vormen geen alinea’s. Op elke bladzijde staat een spelfout. Als ik het waag er iets van te zeggen, is het hommeles. Ik bijt mijn tong af. Even later zie ik in het magazine van de Volkskrant een foto staan die perfect past bij het onderwerp van het werkstuk. Natuurlijk opper ik om het uit te knippen en in het mapje te doen. Oeps. Iets te veel vaderlijk initiatief. Prepuberend negeert ze mijn advies.

Nee, thuis zitten is geen pretje, zeker niet als de kinderen huiswerk moeten maken. Wat zou zo’n huiswerkinstituut kosten? De stress van het begeleiden en plannen kan ik dan uitbesteden. Geen boze blikken of strijd om het huiswerk. Geen ontwijkende antwoorden meer hoeven aan te horen als ik informeer of het verslag voor biologie al klaar is. Geen gemopper als de printer het niet doet wanneer over een half uur de les gaat beginnen. Niemand die ik achter de broek hoef te zitten. Geen planningsperikelen meer. Een serene rust zal over mijn gezin neerdalen. Maar voorlopig blijf ik schooltje te spelen in mijn eigen keuken. Ik inventariseer het werk en controleer de voortgang. Deadlines van de kinderen houd ik scherp in de gaten. Hoe komt het toch dat ze pas gaan werken als de tijd bijna verstreken is?

Zoon zit aan de ontbijttafel met zijn geschiedenisboek. SO, derde uur. Ik neem een slokje thee en smeer mijn beschuitje. Mijn laptop staat naast mijn bordje, ik scroll door de tekst. ‘Pap, kun je me even overhoren?’ Ik schud mijn hoofd: ‘Nee jongen, ik heb geen tijd, ik moet dit stukje af hebben anders missen mijn collega’s straks mijn column. Ik heb nog twintig minuten.’ Terwijl ik mijn tekst probeer af te ronden, hoor ik hem zeggen: ‘Je moet wel alles goed inplannen, hoor, en op tijd beginnen.’ Tja, opvoeden is niet alleen vertellen hoe het moet, maar vooral ook voordoen hoe het moet. Gehaast werk ik toe naar deze slotalinea. Als ik het stuk wil doormailen zie ik dat het internet eruit ligt. Ik hou me in, maar inwendig kook ik. Waarom ben ik er ook zo laat mee begonnen? Plannen is nooit mijn ding geweest en SMART ben ik ook niet.

Sint Maarten slot

Onrust heerste gisteren in ons huis. Zeker toen vanaf half zes de prille tieners van groep 8 binnenstormden. Dochter organiseert graag haar eigen feestjes, goede eigenschap dunkt me. Dus vertelde ze vorige week dat ze met z’n tienen Sintmaarten zouden lopen. En vooraf kwam de groep hier eten. En of mama voor poffertjes wilde zorgen.

Buiten nam de najaarsstorm aan kracht toe. De wind veegde menig mantel uit. Blaadjes dwarrelden niet langer, de storm joeg ze door de lucht. Uit school nam dochter alvast een van haar vriendinnen mee naar huis. Blosjes op de wangen en de kwebbels in de aanslag. Iets warms drinken en veel speculaasjes opknagen. Na enige tijd hoorde ik gestommel op de trap; vanuit heel het huis verzamelden de twee eettafelstoelen. De loodzware tafel was verschoven en lag bezaaid met kleurige placemats. De twee meiden liepen als geroutineerde serveersters de tafel voor tien personen te dekken. Servetten, kannen drinken, bestek, de hele mikmak. Het was tijd voor ‘girls talk’: ik hoorde ze over een van de vriendinnetjes vertellen dat die altijd het mooiste plekje met het mooiste bord en glas uitzocht. Het was nog net een constatering. Het meiden-oordeel klonk mild. Gelukkig kunnen meiden van elf nog niet vilein zijn, maar de oefening erin vindt al vroeg plaats.

Ik vluchtte naar boven op zoek naar rust, toen het zesde meisje binnenkwam. Het geluidsniveau werd met elke nieuwe gast hoger. Mijn Lief verzorgde gelukkig alle verdere catering dus de meiden kwamen niets te kort. Ik hoorde haar hakjes klikken tussen de opgewonden meidenstemmetjes heen. Ergens tussen dat geweld moet hond P. wanhopig op zijn kussen hebben gelegen.

Ineens hoorde ik het geluid van de voordeur en was het stil. Ik durfde weer naar beneden. Gewapend met lampionen en tassen waren de meiden vertrokken. De storm dapper trotserend gingen ze van deur tot deur. Terwijl de radio meldde dat een sleepboot door de harde wind omvergeblazen was, liepen de meiden met hun zelfgemaakte lampionnetjes over straat. Toen ze net goed en wel weg waren, viel de novemberregen ongenadig neer.

Ze kwamen doorweekt terug. Twee meiden werd later opgehaald, de rest droop af naar hun huis in de buurt. Natte laarzen, doorweekte sokken, kletsnatte jassen en verwaaide koppies. Lekker warme chocolademelk, met z’n drietjes samen nog tv kijken en af en toe een graai uit de snoeptas. Slechts een van de lampions had de storm overleefd. De rest was op straat gesneuveld in weer en wind. Toen de twee opgehaald werden constateerden beide ouders dat dit wel eens de laatste keer zou zijn geweest. Elk van ons dacht aan de eerste keer lampje-lopen. Vertedering overheerste bij de voordeur. De lampionhoudertjes werden door de meiden netjes meegenomen; wie weet of ze volgend jaar nog nodig zullen zijn. Sint Maarten in de brugklas? ‘Nou, echt niet!’

Wantaal in een woonkeuken

Elk vak kent zijn jargon. Vaak is het afgezaagde en uitgekauwde taal. Voetbaltrainers bezigen clichés en ict’ers doorspekken hun conversaties met applicatietaal. De kunst is er doorheen te kijken. Je moet je niet ergeren aan onoorspronkelijk taalgebruik. Het hoort erbij zoals de conducteur aan het eind van het traject je verzoekt ‘te denken aan je persoonlijke eigendommen en deze ook mee te nemen.’ Glimlach erom en doe wat je gezegd wordt.

Maar soms kan ik het even niet meer hebben en begin ik te grommen. Vanmorgen was het weer eens zover. Ik las een rapport door gemaakt door een orthopedagoge. Ze had het goed verwoord. Vooral de beschrijving van haar observaties vond ik treffend. Maar ja, in een dergelijk verslag moeten ook onderzoeksresultaten worden gemeld. En dan duikelen de nietszeggende begrippen en de afgekloven formuleringen over elkaar heen. Woorden krijgen spontaan een hoofdletter, alsof het een Duitse tekst is geworden, om de importantie van de onderzoeksresultaten te onderstrepen. Zonder gêne gebruiken de makers van de test als aanduidingen woordsamenstellingen van wel vier woorden. Het levert een gebruiksaanwijzingtaal op. Je kunt het wel volgen, het klopt allemaal, maar leesbaar en verteerbaar is het niet. De onderzoeker ontkomt er niet aan de wantaal te gebruiken in het verslag. En zo huiverde ik van ‘betrouwbaarheidsinterval’, ‘interne inconsistentie’, ‘disharmonisch profiel’, ‘Perceptuele Organisatie’. Maar gelukkig word ik getroffen door het onderdeel ‘Plaatjes Leggen’ (jammer van die hoofdletters). Ook glimlach ik bij het item ‘Onvolledige Tekeningen’.

Langzaam ontdooi ik door deze heerlijk onschuldige benamingen van de subtesten. Ik laat mijn grommende ik voor wat het is. Het rapport ligt op de keukentafel van de orthopedagoge. Ze heeft een praktijk aan huis en gebruikt de keuken als spreekkamer. De koelkast bromt en de Friese staartklok houdt in de woonkamer de tijd keurig bij. Ik merk dat de huiselijke omstandigheden mij bij zinnen brengen. Ik tracht de test-termen-terreur te vergeten. Ik luister hoe de dames een plan van aanpak bedenken. Als goed vader beaam ik op het juiste moment en doe mijn best op tijd te hummen. Ternauwernood weet ik nog een goede vraag te bedenken. Net op tijd doe ik mee als volwaardig gesprekspartner en draag ik mijn steentje bij.

Als ik door het keukenraam kijk, zie ik de volgende afspraak het erf op lopen. De moeder en het jongetje nemen plaats in de wachtruimte waar ’s avonds de zoon des huizes op zijn drumstel dreunt. Wij ronden af en stellen dat we ons in de conclusies en het rapport kunnen vinden. De vervolgafspraak is gemaakt. Ik ontdek ineens wat mijn irritatie had opgeroepen. De treiterende test-termen detoneren volledig in de orthopedagogische woonkeuken. De opgeblazen blufkretologie past niet bij de persoon van deze orthopedagoge die speculaasjes bij de koffie serveert en de temperatuur van de kachel nog even controleert. Haar inlevende vermogen hoort niet bedolven te raken onder brute Amerikanismen. Ik ben blij dat ik mij op tijd heb kunnen herpakken. En zo reden we terug, thuis voelde ik mij harmonisch consistent en dat voelde goed.

Een rookie in de arena van Donar

Donar speelde vandaag weer. Krappe overwinning, af en toe belabberd spel. Scheidsrechters waren ook niet je van dat. Maar ook dat hoort er bij als je kampioen wil worden. Ongeslagen gaan ze aan de leiding.

Ik richtte mijn aandacht op de bank van de tegenstanders. De vaste kern kwam in wisselende samenstelling het speelveld op. De rookies niet. Waarschijnlijk hoopte de coach op een stunt en wisselde dus op zeker. Een van de nieuwelingen had nummer 21. In de zomer sprak ik op een feestje de ouders van de jongen. Zestien jaar en toegelaten tot de selectie. Een prachtige kans om het echte werk van dichtbij mee te maken. Meetrainen met de grote jongens. Met gepaste trots en bescheiden vertelden zij over de kans van hun jongen. Als laatste betrad hij het veld bij de presentatie, vlak voor het beginsignaal. Een lange jonge vent, nog niet zo breed als zijn teamgenoten. Met flair draafde hij het veld op. De meegereisde supporters juichten ook voor hem. Stiekem klapte ik, zoals ik die zomer had beloofd aan zijn moeder.

Maar van spelen kwam niets terecht. Hij volgde op de bank fanatiek het spel. Sprong op als er een dubieuze beslissing van de scheids was. Bij mooie acties applaudisseerde hij voor zijn teammates. Bij time-outs kwam hij het veld op en luisterde aandachtig naar de aanwijzingen van de coach. Bij het fluitsignaal deed hij hartstochtelijk mee met de high fives en de vuistboxen. In alles straalde hij uit dat hij ondanks alles, one of the guys was.

De coach liep ijsberend langs de bank om zijn team te observeren en in te grijpen. Hij wees voortdurend jongens aan voor een wisselbeurt. Nummer 21 bleef buiten het spel. Ik kan me voor stellen dat je als broekie van 16 stiekem hoopt op een snelle achterstand. In zo’n hopeloze situatie kan de coach besluiten je speeltijd te gunnen. Maar ik zag aan de reacties van de jonge speler dat hij vurig wenste dat zijn club zou winnen van de landskampioen. Het had er in gezeten. Een andere optie was het uitvallen van spelers. In de eerste minuten van de wedstrijd driegde een ernstige blessure. Ook dat moet een twijfelmoment zijn geweest. Bezorgd keek hij toe hoe de jongen werd opgelapt. Hij moet teleurgesteld zijn geweest toen de blessure meeviel. Op het eind gloorde er weer een kans. Vlak achter elkaar moesten twee mannen met vijf persoonlijke fouten het veld verlaten. Het verschil was toen nog maar een punt of zeven en met nog vier minuten te gaan kon plus andere spelers die of bijna vijf P’s hadden of er geheel doorheen zaten, zou het mogelijk kunnen zijn dat een van de jonkies de arena mocht betreden. Het heeft niet zo mogen zijn. De ploeg verloor.

Maar stel je toch eens voor dat het verschil een punt zou zijn geweest. En de coach zet je er toch in. Zo van ‘Nou jij dan maar!’ En natuurlijk, geheel in de geest van de Tröckener Kecks (Iedereen wil naar de top), begaat je tegenstander een fout en mag jij de twee strafworpen nemen. En je raakt ze, alle twee. Geweldige apotheose. Verhaal uit een jongensboek. Ik weet niet of ik het dan droog had gehouden.

http://www.lyricstime.com/tr-ckener-kecks-naar-de-top-lyrics.html

De zwarte moeder-supporter

Het is natuurlijk een bekend maatschappelijk probleem: ouders langs de kant van het sportveld. Vanochtend zat ik naast een bijzonder geval. De tribune bij de sportclub van mijn dochter is klein en het zicht op de tribune is niet optimaal. Ik was op tijd dus had ik een goed plekje weten te bemachtigen. Ik kon de basketbalvelden goed overzien en zag hoe mijn dochter en haar teamgenoten hun best deden. De tegenstandsters speelden al een tijdje in. Hun trainer had de wind er goed onder.

Terwijl ik de spelers observeerde, kwamen er twee vrouwen de tribune op. Een doorsnee en een excentrieke moeder. Ze kwamen voor de tegenstanders was mijn al snel duidelijk. Voorzichtig gingen de twee op het bankje naast mij zitten. ‘Oei, wat is dit smal,’ kraaide de opvallende moeder. Zo voorzichtig mogelijk keek ik op zij; ik wilde onder geen beding in contact komen met haar. Ik heb zo mijn grenzen, die ik goed wil bewaken.

De doorsnee toeschouwer zou het niet in het hoofd halen zich zo uit te dossen. Haar laarsjes met kleine stipjes die subtiel in haar kousen terugkeerden, zorgden ervoor dat ze net groter was dan haar metgezel. Op haar jas, zwart, lang en getailleerd pronkte een grote rode stoffen bloem. De kraag van de mantel omlijstte haar spitse gezicht, de lippen gestift in een net iets feller tint dan haar rood geverfde, halfkort geknipte haar. In haar handen, verpakt in subtiele vingerloze handschoentjes, hield zij een klein rieten mandje dat ze had versierd met brede linten van kleurige bloemenstof. Aan een van haar vingers maakte een brede zwarte ring haar outfit compleet. De ring paste uitstekend bij de grove kralenarmband die zij over haar jasmouw had geschoven. De moeder was keurig gekleed. Overdressed, zou je ook kunnen zeggen.

Op zich is het niet erg om er bijzonder gekleed bij te lopen. Het is weer eens iets anders dan de geijkte spijkerbroek met inkijk in de bilspleet of het gebloemde rokje over de ziekmakende legging en de eeuwige laarzen. Maar de zwart geklede moedersupporter kon haar mond niet houden. Tegen iedereen die binnen haar attentie-zone kwam, sprak ze te luid. Haar vriendelijkheid uitte zich op luide toon. De vader die met een kopje koffie op de tribune verscheen, vroeg ze of de kantine al open was. Wel vroeg ze er keurig bij of ze dat wel mocht vragen. ‘En welke van de meisjes is van u, als ik zo nieuwsgierig mag zijn?’, vroeg ze hem daarop. Ongemakkelijk schoof de man van haar weg. Omdat hij op de hoek van de bank zat, kon hij niet ver genoeg van haar komen. Pas in het derde kwart redde een collega-vader hem door een gesprek over het werk te beginnen. Tot die tijd moest hij de aanmoedigingen van de zwarte moedersupporter ondergaan. ‘Kom op, meisjes!’ en ‘Overspelen’, riep ze vrolijk tegen haar dochter en de andere meiden. Dat dochterlief en kompanen ruw en onsportief speelden merkte ze niet op. De beugel van mijn dochter werd bijna doormidden gebeukt, maar mevrouw bleef het gezellig houden. ‘Yes’, en stak de arm met het armbandje in de lucht, toen het zoveelste punt gescoord werd. ‘Doorgaan!’ was haar standaard-aanmoediging. Altijd handig van die adviezen.

De wedstrijd werd dik verloren. Mijn meisje en haar team konden er niet tegen op boksen. In de auto op weg naar huis zei ze: ‘Ze waren gemeen, krabden en waren te fel. En wij te lief.’ De analyse klopte als een bus. Ik knikte. Vaderlijk merkte ik op dat ze dan wel te lief waren geweest, maar toch ook sportief, zeker ook onderling. ‘En jij, heb jij het leuk gehad op die tribune?’ Ik vertelde dat ik altijd wel iets leuks zie. ‘Ja, zeker die aparte moeder.’ Ik knikte en wees op mijn notitieboekje. ‘Het is maar goed dat zulke mensen bestaan', zei ze. Opnieuw knikte ik. We grinnikten samen. Ik gaf extra gas zodat we eerder thuis zouden zijn voor de tosti.

Mulisch en de uitverkoop van de Hemel

De laatste van de grote drie is dood. Mulisch is niet meer. Hermans en Reve gingen hem voor. Herdenkingsuitzendingen over de schrijver buitelen over elkaar heen op radio en tv. De krant telde vanochtend vijf pagina’s met Mulisch-artikelen. De man is in zijn leven zo vaak geïnterviewd en gefotografeerd en de anekdotes over hem zijn zo legio dat de hele krant er mee gevuld had kunnen worden.

Een bijzonder gevolg van het overlijden is dat zijn boeken vandaag enorm goed verkocht werden. Er dreigt zelfs een tekort aan het werk van Mulisch. De Bezige Bij is al aan het bijdrukken. Geen betere promotie dan doodgaan. Hetzelfde gebeurde bij Wolkers overlijden. Kortgeleden bezocht ik diverse tweedehands boekenwinkels en trof er regelmatig Mulisch’ meesterwerk ‘De Ontdekking van de Hemel’ aan. De gedumpte boeken zagen er mooi uit. Haast onaangeroerd. Slechts de eerste tientallen pagina’s leken gelezen. Althans, als ik de leessporen in de vorm van ezelsoren en nagelinkepingen goed heb geïnterpreteerd. Onuitgelezen belandde Mulisch grootste roman dus regelmatig op de tweedekans markt. En nu is het boek niet aan te slepen. Mooi hoe dat gaat.

Hopelijk wordt zijn oeuvre mooi heruitgegeven in een fijne cassette. Een geheide kaskraker. Misschien is het marketingstechnisch mogelijk om meteen maar de hele top van de Nederlandse literatuur van de Twintigste Eeuw mee te nemen. Of alleen de drie grote en Wolkers. Maar ik vrees dat de hele hausse in de boeken van Mulisch snel afneemt en dat de tweedehands winkels met een overschot aan ‘Ontdekkingen van de Hemel’ komen te zitten. Onze verering van literaire helden is vluchtig.