Kus je nieuwjaarswensen met lege mond

Nieuwjaarswensen, vuurwerk en oliebollen, ik heb er wat moeite mee. Toch is het mooi, niet die vette bollen met krenten, maar die wensen. Wanneer maak je het nou toch mee in het jaar dat mensen elkaar iets liefs of fijns toewensen? Eigenlijk nooit. Dus dit is het moment van het jaar om uit te pakken. Wens vanuit het credo, wat je een ander toewenst is wat je je zelf zou willen toewensen. Net als een cadeautje, als je het zelf graag wil hebben kun je het ook aan een ander geven, behalve als je van Smurfen houdt. Als het uit een goed hart komt, dan is het goed. Wens iemand gezondheid en geluk toe, wens iemand liefde en aandacht toe, wens iemand rust en schoonheid toe. Denk wel even na wat je wilt toewensen, maak er even werk van.

En spreek niet met volle mond, eerst de oliebol doorslikken en dan wensen.

En niet zoenen met volle mond, veeg je lippen schoon voor je kust.

Wensen en zoenen worden uitgewisseld na twaalf uur, als het vuurwerk pas echt losbarst, al is het de hele dag al schering en inslag met het vuurwerk. Onder daverend gebulder en geknal, uitgelicht door flitsen van vuurwerkpijlen en in het rode schijnsel van de Romeinse kaars, wensen we elkaar een goed jaar. Het lawaai is zo hard, dat de wensen verloren gaan. Dus is de tastzin overgebleven. Zoen je wens dus goed op de wangen van je buurvrouw, je geliefde en je kinderen. Omhels krachtig, schud de hand intens, laat voelen wat je niet kunt zeggen, breng over wat de ander niet kan horen door het lawaai van het bommenconcert.

En drink, drink op het nieuwe jaar, proost op het samenzijn, klink op het persoonlijke contact.

Cava of Appelbessenwijn?

Oud en Nieuw is merkwaardig als gebeurtenis. In afwachting van een administratieve handeling, namelijk van de ene dag naar andere gaan, een maanwisseling en een jaarwisseling, in feite het verhangen van wat bordjes, maken we er een dolle boel van. We halen hapjes in huis, drankjes circuleren, feesten worden aangesticht en smokings en galajurken duiken in alle tv-programma’s op. De tijd van Frits van Egters en de appelbessenwijn is voorgoed voorbij. We laven ons aan champagne, prosecco of cava en genieten van romige kazen en delicate vleeswaren. Smullend gaan we de drempel over. En dat alles omdat de kalender van even naar oneven gaat, of andersom.

Ik word er altijd wat onrustig van. Het moment vlak voor twaalf uur vind ik het rottigst. Het wachten op iets dat niets is maar waar we iets van maken. Waarom tot middernacht wachten om op commando van de klok je geliefden te kussen? Ik wil ze op elk moment zoenen en geluk wensen. Waarom dat het speciale moment afwachten? En dan moeten bellen om familie en vrienden toe te spreken. Wat moet je zeggen? Geijkte oneliners stamelen naar elkaar in het donker. Nee, wat dat betreft is de sms een uitkomst. Droog je zinnen verzenden en woorden van gelijke strekking terugkrijgen. Maar sommige mensen kom je tegen en dan moet je zoenen en praten.

Nee, dan de rust van de eerste ochtend van het Nieuwe jaar. De vuurwerkresten, lege flessen die gebruikt werden voor de vuurpijlen en een enkele vroege wandelaar die de kater probeert te verdrijven. De stilte die dan heerst, na het gerommel van vuurwerk, is heerlijk. Het jaar houdt nog even zijn adem in om straks los te barsten. Alle beloftes van het nieuwe hangen in de lucht. De eerste smetjes en deukjes moeten nog komen, nu is het nog rustig en fris. Over een week is het Nieuwjaar oud nieuws.

Ik haat vuurwerk

Ik haat vuurwerk. Het hoort erbij natuurlijk, maar wat mij betreft: afschaffen. Het geknal rond de feitelijke jaarwisseling mag blijven. Een uurtje boze geesten verdrijven kan geen kwaad. Met een paar vuurpijlen het negatieve klimaat uitbannen, lijkt me alleen maar goed. Probleem is dan wel dat de knaller te weinig tijd heeft om alle knal- en sierexplosieven af te steken. In tijden van vuurwerk toont de mens zijn ongeneeslijke neiging tot overdrijven. Kopen, kopen, hebben, hebben. Dus slaat men groot in. De megapakketten moeten gekocht worden, het is onmogelijk minder te kopen. Gevolg is dat in de laatste dagen van december massaal ‘ingeschoten’ wordt. In de lucht boven de stad hangt een kruitwolk, de straten ligt bezaaid met ontplofte resten Chinees papier. Het geknal is alom aanwezig. Af en toe lijkt het alsof de stad bezet is door gewapende bendes die brandschattend, straat voor straat, wijk voor wijk, de stad innemen. Knallen lijken geweerschoten, hier en daar een weerlicht van een bermbom-imitatie en een duizendknaller klinkt als een clusterbom. Om de hoek wordt een stadsguerrilla uitgevochten. Wat begon met een sterretje is verloren gegaan in een lawinepijl. Het geluid doet me voortdurend opschrikken.

Het gerommel buiten houdt me binnen. Ik denk terug aan vroeger. In de straat voor ons huis verzamelden zich jongens en een enkel meisje. Prille teenagers, waren we. In de groep voelden we ons groot. We zochten kerstbomen voor een oudejaarsfik. Heel de buurt werd afgezocht. Op ons voetbalveldje ging in de avond rond tienen de hens erin. Maanden later kon je de middenstip niet zien onder het zwartgeblakerde gras. Dagenlang sleepten we de bomen door de wijk. Als we niets vonden, had er altijd wel iemand vuurwerk bij zich. Rotjes heetten ze toen nog. Of astronauten. Waarom je ontploffend materiaal astronauten noemt is mij onduidelijk, als een ruimtereiziger iets niet wil is het ontploffen.

Maar goed.

We gooiden het vuurwerk bij voorkeur na elkaar toe, maar ook naar huizen en voorbijrijdende auto’s. Putten en brievenbussen waren er om op te blazen. Maar het allerleukste, ik beken het tot mijn schande, was toch wel met vuurwerk tegen de ramen een buurman zo gek krijgen dat hij met een kwaaie kop uit zijn huis kwam rennen om die rotjochies een lesje te leren. Slap van het lachen ontkwamen we via steegjes en tuintjes. Om later terug te keren met een volle laag. Beschamend natuurlijk. Ik denk dat ik daar mijn afkeer van vuurwerk heb opgelopen. Al vroeg kreeg ik door dat vuurwerk het laagste in de mens kan oproepen. Nu ik al het geknal weer hoor moet ik me bedwingen niet te reageren, op baldadige jongens die er ook niets aan kunnen doen dat ze zoveel knalgoed gekocht hebben.

In de kroeg met mijn vader

In het bezoeken van kroegen ben ik autodidact. Groot was mijn verbazing dat je in een kroeg kon eten. Ik ontdekte het in mijn studietijd. Eten deed je thuis of bij de Chinees, hooguit bij de Pizzeria, maar niet in het café. Nu ben ik geboren in het zuiden des lands. De cafécultuur floreert daar ook buiten de carnavalstijd. Bovendien ben ik opgegroeid in een havenstadje, waar kroegen met zeelieden te vinden waren. Ondanks de juiste omstandigheden bezochten mijn ouders zelden een horecagelegenheid. Geen biertje op het terras of een borrel aan de toog. Zo kwam ik nooit aan de hand van mijn vader in een café. Heel af en toe bezocht ik in mijn pubertijd een discotheek. Maar het gedoe met muntjes, portiers en verplichte garderobe stond mij tegen. Kostte ook te veel geld. Klasgenoten konden daar beter tegen en dansten tot diep in de nacht. Alleen naar de kroeg was voor mij geen optie.

In mijn studententijd, zonder stoer of opschepperig te willen overkomen, heb ik het kroegleven ontdekt, uitvoerig onderzocht en in mijn hart gesloten. Nog altijd zit ik graag met een biertje rond te kijken of een krantje te lezen in een café. Ik ken de leuke plekjes in de stad. En weet welk tafeltje ik moet nemen om ongestoord te kunnen genieten van het kroegleven. Zo zat ik vandaag in een stadscafé aan de stamtafel, in een hoekje aan het raam. Perfect zicht op de ingang. Ieder binnenkomst kon ik registeren en elk vertrek kreeg ik mee. Met een halve draai had ik een panoramablik over alle tafeltjes. Ik zat achter een bockbiertje en had mijn vader meegenomen. Die zat naast me. Ik kon mij niet heugen dat ik op een gewone middag naast hem een biertje dronk in een druk café. We kletsten wat over familiezaken en over het weer, je moet toch wat. Ik vertelde hoe zijn kleinkinderen met enige regelmaat en van kleins af aan kroegen als deze bezochten. Ze kenden de namen. Ze weten de weg van de Ugly Duck naar de Beurs en begrijpen dat Boven Jan niet naast Zomers zit en dat het Feithhuis een prima buitenterras heeft. Kwestie van opvoeden. Ik kon het niet goed waarnemen, maar ik zag het hoofd van mijn vader knikken. Genieten van het leven is zo gek nog niet.

We bestelden er nog een. Onder de frisse slokken herfstbier beweerde ik dat het café vol verhalen zat. De vrouw die tegenover ons de Telegraaf had zitten lezen, had haar date gemist. Na het herhaaldelijk checken van haar mobiel en haar gestifte lippen, ging ze met hangende mondhoeken het café uit. Drama op anderhalve meter afstand. Achter ons vertelde een jonge dokter over zijn poging de co-assistente van zijn dromen te versieren. ‘Ze reageerde maar niet op mijn sms’en en e-mails, tot ik haar gewoon vroeg of ze meeging.’ Twee tafeltjes daarachter huilde een niet meer zo jonge dame uit bij haar vriendin, liefdesverdriet komt op alle leeftijden voor. Achter de bar flirtte de barman openlijk met het nieuwe meisje uit de bediening. En de twee broers naast de piano bij de ingang, waren gewoon blij dat ze samen een leuke middag hadden en bestelden nog een glas rode wijn. Het zijn de instant verhalen in een drukke kroeg. De verhalen liggen voor het opscheppen als je ze maar wilt zien.

Na het bier fietsten we door de stad terug naar de buitenwijk. Ik betrapte me erop dat ik net als ik bij mijn kinderen deed toen ze voor het eerst door de stadse drukte fietsten, mijn vader wees op de gevaren van bussen, taxi’s, zo maar afslaande studenten en gevaarlijk racende pizzascootertjes. Terwijl hij mij heeft leren fietsen. Maar ik woon al langer in de grote stad en heb zelf het kroegleven ontdekt. Dus leid ik hem door de drukte, en breng hem naar drukke cafés, en laat hem en passant zien dat ik mijn weg kan vinden in de kroeg en in het drukke stadsverkeer.

Veilig keerden we terug in de twee-onder-een-kap-woning in de buitenwijk. Het was een mooie middag.

Top Honderd a Gogo

Lang geleden, ver voor het gedonder met de Top 2000 ontstond, diep in de vorige eeuw, maakte ik met een buurjongen elk jaar een Top Honderd Aller Tijden. Waarschijnlijk hadden we het idee gestolen van radio Veronica die zo’n lijst had. Ik geloof rondom Pinksteren dat hun lijst verscheen.

Geheel democratisch maakten wij ook zo’n overzicht. Onze kennis van de popmuziek was niet groot. We leenden de gegevens van de Veronica-lijst en mengden er onze eigen voorkeur doorheen. Dat waren dan nummers uit de afgelopen maanden. Dat aller-tijden moest dus met een korreltje zout genomen worden. Maar honderd platen zetten wij op een rij. Met de pen maakten we in een klein formaat multo-mapje de lijst. Handgeschreven, het moet ergens rond 1980 zijn geweest. Ik denk dat we Queen en Deep Purple hoog in de lijst plaatsten. Ook Boney M en Spargo verschenen in onze rangorde. We deden er niets mee, lieten het aan niemand zien. Het was just for the fun of it. Net zoals we middagen bezig konden zijn met het opstellen van plastic minisoldaatjes op zolder.

De multomapblaadjes zijn in de loop van de jaren verdwenen, tijdens verhuizingen of opruimwoedes. Heel misschien is er nog een stukje over, ergens tussen de kindertekeningen of schoolschriftjes. Wie weet staan The Windsurfers er ook in, of Freddy James of Pussycat. Misschien is het maar beter dat die papieren zijn verdwenen. Toch vind ik het wel stoer dat twee jongetjes van een jaar of elf, twaalf dagen in de weer waren om een lijst van popliedjes in een volgorde te plaatsen. Echte koehandel vond plaats. ‘Okee, als jij Cheaptrick erin wilt hebben dan vind ik dat ik de Boomtownrats er ook in horen.’ Waarop besloten werd om ze ergens in de veertig te plaatsen.

Ik moest vandaag ineens aan onze lijst denken toen ik op radio 2 en op 3FM een top 2000 voorbij hoorde komen.

Keuzestress omtrent een nieuwjaarswens

Ik word elk jaar zo rond eind december een beetje nerveus. Oud en Nieuw komt eraan. Keuzes moeten gemaakt worden. Naar een feest of gewoon thuis? Een film of een conference op tv? Hapjes of een diner? Oliebollen of gewoon chips? Champagne of appelbessenwijn? Een jasje of een slobbertrui?

Dat is niet het ergste. De echte keuzes zitten in het Gelukkig-Nieuwjaar-wensen en -kussen. Kus ik elke voorbijkomende buurvrouw of collega? Of hou ik me bij mijn eigen vrouw? Moet de man ook op de wang worden gezoend? En op welke leeftijd is een jong meisje wel of niet kusbaar? Twijfel al om. En er is een categorie dame die ik bij voorkeur niet zoen, maar ja het is Nieuwjaar, dus ja, ik doe het toch maar. Afgezien van kussen is het wensen ook een bezoeking. Ik wilt niet afgezaagd zijn. Een ‘Gelukkig Nieuwjaar’ is heel veel voorkomend, beetje makkelijk. ‘Veul heil en zeg’n’, is als import Groninger niet te doen. Een ‘Zalig’ Nieuwjaar, is katholiek. Walgelijk is de inwisselbare wens: ik-wens-je-toe-wat-je mij-ook-toewenst. Beter van niet. De ‘beste wensen’ te weids, voor je weet wens je iets dat je niet wenst. Uiteindelijk mompel ik maar iets van ‘insgelijks’. Terwijl ik weet dat dit het meest holle gelukswens is, de moeder van alle laffe wensen is.

De eerste twee weken van het nieuwe jaar, houd ik me bij voorkeur schuil. Sluip ik weg als ik mensen tegen kom. Ik veins verkoudheden, kweek een koortslip, als ik maar niet hoef te kussen en te wensen. Het is een verschrikkelijke keuzemoment, ik sta nu al stijf van de keuzestress. Nog een paar dagen en dan gebeurt het weer, het is onvermijdelijk. Ik moet een slogan bedenken, een gimmick om de kuswens uit te drukken. ‘Het beste’, met twee klapzoenen op elke wang? Of een gestrekte arm om elke kusser op afstand te houden en een knik ter beantwoording van de nieuwjaarswens?

Laat ik het maar houden op een goed jaar! Maak er iets moois van! Doe alles wat je doet met hart en ziel! Laat alles naar wens gaan! Wat ik ook wens, het komt uit een goed hart, moet je maar denken.

Wat doen we met kerst: eten

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. Niet dat dat erg is, maar het cliché wil dat dit zo is. Gelukkig komen weinig clichés uit. Stel je toch eens voor dat je de hele dag christmas carols moet aanhoren. Of instant X-mass-pophits. Ik heb dat laatst meegemaakt. Met Mijn Lief belandde ik in een sauna. Niet onze vaste wellnessspot, maar eentje in Friesland, met zo’n onuitspreekbare naam vol bijzondere klinkercombinaties. Het was er goed toeven. Fijne Finse sauna, prima relax-ruimte met waterbedden (heerlijk in slaap gevallen) en lekkere lunchgerechten. Om de saunagast te vermaken klonk in de kleedkamer, het toilet, het restaurant en in de douches muziek. Kerstmuziek, met een pop-dreuntje eronder, en koortjes, en zoet-zappige uithalen, en truttige trompetjes. Het kabbelde maar door. Elke noot bracht mij verder van het über-relax-gevoel af. Na zeventien nummers had ik een staat van kerst-haat ontwikkeld die ik moeilijk kon onderdrukken. Ineens begreep ik waarom in Engeland de wens tot dronkenschap tijdens de kerstdagen enorm is, even een slokje. Die Engelsen worden helemaal gek gemaakt met kerstmuzak, kerstbomen, kerstcadeautjes, kerstetalages, Kerstmannen, kerstpuddings, kerstinkopen en kerstklokken. Hebben wij nog Sint Maarten en Sinterklaas om het kerstgeweld wat af te stoppen, bij onze eilandburen gaat het na de zomervakantie meteen van start. Maandenlang. Nee, ik ben blij dat ik niet in Engeland hoef te zijn.

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. We eten zo dadelijk lekkere hapjes, Mijn Lief is die aan het voorbereiden in de keuken. Geen ingewikkelde gerechten, geen wild of luxe gevogelte, geen fois gras of truffels, maar fijne van alles wat lekker is eten. Lekker wijntje erbij en een kaarsje aan. Geen uitgebreide tafelschikking, wel servetjes en de mooie borden uit de kast. Er komt niemand aan tafel te gast. Niet dat we niet gastvrij zijn, maar het is ook mooi om in gezinnelijke kring een fijne maaltijd te genieten.

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. Over tien jaar is er misschien wel sneeuw. Hoe eten we dan? Komen de kinderen thuis? Nemen ze vrienden mee? Of mogen wij samen aan tafel? En wat doen we met oma en opa? Ik ben benieuwd, valt er dan nog zonder trilling te drinken uit een rank wijnglas? Ach, het komt wel goed, en als het niet goed komt, valt het wel mee.

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. En dat is goed, want een cliché moet een cliché blijven. Ook dit jaar is de kerstpuzzel van de plaatselijke krant niet al te ingewikkeld, al gaat het niet bij elke opdracht van zelf. De stapel kranten en tijdschriften wacht op lezing. Letters op papier zijn geduldig. Zacht klinkt de muziek. De geluiden uit de keuken overstemmen het kerstconcert op de radio. In een andere kamer kijken kinderen naar een kerstfilm. De hond scharrelt rond, hoopt op een bot uit de kerstkalkoen of een kluif van het konijn. Helaas voor hem wordt het vis. Nou ja, een stukje stokbrood maakt hem ook gelukkig.

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. Waarschijnlijk is de essentie van kerst geworden dat je samen bent. Vandaar die nadruk op gezellig samen eten en drinken, gesublimeerd in het gourmetten. Samen een stukje vlees bakken in een klein pannetje, aan tafel. Met muizenhapjes eten, langzaam, gerekt dineren. Het is natuurlijk ook een cliché, wie wil er nou als Scrooge te boek staan? En wilde ook Scrooge, aangezet door zijn schrijver, uiteindelijk ook niet gezellig aan tafel met anderen? Al is het een cliché, samen de avond doorbrengen, met een fijn maal, een goed glas, boeiend tafelgesprek, en vooral natafelen, zonder sigaar, maar met een drankje en een koffie. Confidenties en hartenkreten. En dat kan ook zonder sneeuw, misschien wel beter.

Wat doen we met de kerst episode 5

Het is mislukt. Mijn aspiratie om een kerstfeuilleton te maken is niet gelukt. Ik faal als het gaat om de sfeer te pakken. Ik kan natuurlijk de omstandigheden de schuld geven. Het zonnetje schijnt en de temperatuur stijgt boven de 10 graden. Geen gevoel dat er een kerst komt. De inspiratie is er niet, er komt geen sublieme inval. Niets, nada. Dus geen verhaaltjes over kerstdiners die mislukken of eenzaamheid onder de kerstklok. Nou ja, volgende keer beter.

Fire of love

Op hoge hoogte zitten we. In Harlingen, in een vuurtoren. Hoe hoog we zitten is niet van belang. Maar we moesten veel traptreden omhoog om in de lichtkamer te komen. We zitten nu in een ronde ruimte met diameter van drie meter. Rondom ons ramen. We kijken uit over het oude stadje en over de haven en zee. De huizen en de straten, de grachten en de binnenhaven hebben veel lichtjes. Er liggen schepen met lichtkabels in de masten. Als we naar de zee kijken, valt op de groene en rode lichtmarkering in het water voor de schepen. geen kunst om in de nacht een haven uit te varen, zou je denken, maar de schepen varen behoedzaam en volgen de aangewezen route. De wind waait niet hard, maar is hoorbaar. We vieren ons twintig jaar samen. Wat ooit in een tochtig bushokje begon, wordt nu in de wolken gevierd. Uit het gastenboek blijkt dat hier heel wat jubilea zijn gevierd. Let love rule, wij hebben de toon gezet na binnenkomst. Nu is het donker en geven kaarsjes schaars licht, sfeer voelt goed.

Wat doen we met kerst dit jaar? Episode 4

 

Het diner met de collega’s van mijn vrouw was geen succes. Ik werd genegeerd door de twee dames waartussen ik in geplaatst was. Ik begon met een gewone vraag:

‘Wat is jou taak binnen het bedrijf?’

‘Eh, wat zeg je? Wacht even hij vraagt wat, momentje.’

‘Ik ben benieuwd wat je doet op kantoor?’

‘Nou, ja, ik doe de post. En wat zei hij toen?’ Haar blik had ze heel kort op mij gericht gehouden, maar ging al snel weer naar de dame achter mij.

‘Doe je inkomende post of de uitgaande?’ Op zich een leuke vraag. En ik had een mooi bruggetje bedacht.

‘Inkomende en uitgaande, nee niks, ik moest hem even wat zeggen, is al klaar.’

‘O, ja, maar wat heb je nou tegen hem gezegd?’

‘Wie? Die leuke jongen in het café, ja, nee ik wilde wat zeggen, maar…’

‘En werk je hier al lang?’ Ik vond dat geen rare vraag.

‘Jo, kun je niet zien dat ik in gesprek ben, met haar. Als je nu even wacht kom ik straks naar jou luisteren. Is dat goed?’ Ze lachte er in ieder geval wel lief bij.

‘Nou nee, ik vind het niet goed om genegeerd te worden.’ Mijn stem klonk te luid voor aan tafel, ik had het zelf door. ‘Ik vind jullie voorbeelden van onopgevoede egocentrische flutwijven.’ Van alle kanten werd naar mijn tafel gekeken. ‘Ah, ik heb uw aandacht, nou kijk maar eens goed naar mijn twee tafelgenoten, u zult ze wel herkennen, twee collegaatjes die alleen oog voor zich zelf hebben.’ Ik duwde mijn stoel achteruit, die op de grond viel, liet mijn glas halfvol gevuld met wijn vallen, de rode vlek liep in de plooien van het tafellaken uit. ‘Ik hou het niet langer vol, ik vertrek.’ Met grote passen liep ik naar de deur. Met de klink in mijn hand stond ik stik, draaide ik me om en zag tot mijn opluchting mijn vrouw in mijn richting komen, met de jassen. Gelukkig.

In de auto kreeg ik de wind van voren, ik had me ten overstaande van haar collega’s belachelijk aangesteld. Ik had overdreven in mijn reactie. Ik had mijn kerstgedachte wel eens beter in de praktijk kunnen brengen. ‘Maar ik dacht dat ik mijn gelijk had gehaald, ben je het dan niet met me eens?’

‘Nou eerlijk gezegd niet op deze manier. Ik denk dat je het anders moet aanpakken. Je moet mensen bewust maken van hun conversatieplicht. Geen prietpraat maar oprechte interesse. Als je in de tafelschikking nu eens iets zou inbouwen. Gewoon als idee.’ Ze stelde voor om elke gast een rijtje van interesses te laten noteren. Sport, leukste film, favoriete boek, lekkerste eten, mooiste vakantieplek. Drie wensen op laten schrijven en meer van dat soort items. Je diner-profiel wordt naast je bord geplaatst en de je buur kan het even doornemen om in stilte kennis met je te maken.

‘Maar dat kun je toch ook gewoon vragen?’

‘Klopt, maar veel mensen vergeten het, en missen zo de essentiele vragen.’

‘En hoe had je dit willen organiseren?’

‘Ik denk er nog even over na.’

Wat doen we met kerst dit jaar? Episode 3

 

In principe is het leuk om mensen aan tafel te ontmoeten. Lekker hapje, goed glas wijn en vooral een fijn gesprek. Vorig jaar had ik aanvankelijk geen zin, maar ik overwon mezelf en ging zonder morren naar een kerstdiner met collega’s van mijn vrouw. Een bedrijfsdiner in plaats van een kerstpakket. Het vond plaats in een Van der Valk-motel, langs de A-28. Een handige locatie, als je weg wilde, kon je heel snel weg, een woordspeling kan het ijs breken, of het gesprek doen stokken. Ik zag er erg tegen op omdat ik niemand kende, of wilde kennen. Gelukkig was er een vaste tafelschikking. Ik hou daar wel van. De hele avond moet je dan naast iemand blijven zitten. Je kunt niet weglopen zoals bij een lopend buffet als het gesprek je niet bevalt, of de persoon. Nee, het is een uitdaging om ingeklemd te zitten tussen twee onbekende mensen en een gesprek te beginnen, vol te houden en af te ronden. Als je weet dat ontsnappen onmogelijk is, ga je net zo lang door tot je een fatsoenlijk gesprek hebt gevoerd.

Ik kwam tussen twee collega’s te zitten. Op mijn vragen gaven ze korte antwoorden. Een tegenvraag kwam er niet. Over mijn hoofd heen werd gepraat over de omstandigheden op het werk. Hoe bullebakkig de chef was, hoe karig de kilometervergoeding en hoe saai de nieuwe collega op hun afdeling was. Ik concentreerde me op mijn eten. Al mijn goede voornemens ten spijt, een gesprek voeren lukte gewoon niet. Ik voelde me verloren. Om mij heen zag ik iedereen met elkaar praten, ik werd genegeerd. Gelukkig stond de karaf met wijn vlakbij. Ongemerkt klokte ik het ene glas na het andere weg.

De tafels in de eetzaal waren allemaal rond, in totaal stonden er zo’n twintig. De bediening was vlot, de gangen wisselden elkaar snel af, de drankjes circuleerden in een hoog tempo. De gewijde kerstsfeer van het begin van de avond, met kaarslicht en stemmige engelenmuziek was vervlogen. Mannen hadden hun dassen en bovenste knoopjes losgemaakt, colbert hingen over stoelleuning, de eerste damesschoenen ploften neer op de vloerbedekking om de beknelde tenen te redden, en de blosjes verschenen op het ene na het andere gezicht alsof het een besmettelijk virus was. Ergens vlak voor het nagerecht gebeurde het. Ik voelde het opborrelen, de wijn was met mijn eten aan de loop gegaan. Ik moest staan. Het kwam eruit voor ik er erg in had.

Kerst, en mijn relatie met mijn geliefde vrouw, zou nooit meer hetzelfde zijn.

Wat doen we met kerst dit jaar? Episode 2

 

Vorig jaar ging het niet zo goed, op weg naar het kerstdiner, belandden we in een echtelijke twist.

‘Ik ga niet mee, je gaat maar alleen, ik kan het niet opbrengen dit jaar.’

‘Je kan het niet maken. Dan had je het eerder moeten zeggen, het is altijd hetzelfde met jou.’

‘Wat nou, hetzelfde?’

‘Je laat het er op aan komen, en laat mij raden wat er is, je zult het nooit uit je zelf zeggen.’

‘Ik zeg het je nu toch, ik ga niet mee.’

‘Ja, een uur voordat we er moeten zijn.’

‘Ik ga niet mee, punt.’

‘Dan ga je het zelf maar even doorgeven, ik doe het niet, en zeg maar dat ik ook niet kom.’

‘Wat krijgen we nou, jij gaat toch wel, jij hebt steeds gezegd dat je zou gaan.’

‘Ik ga niet aan tafel met allemaal stellen en dan als een halve weduwe daarbij zitten.’

‘Krijgen we dat weer, ik wist dat jij het ook niet wilde, waarom zeg je dat niet dan.’

‘Volgens mij draai jij het nu om, ik ga niet omdat ik niet alleen wil gaan, jij begint hiermee.’

‘Je wist dat ik niet zou gaan, waarom begin je er niet eerder over, dan had ik kunnen zeggen dat ik niet wilde gaan en had jij je keurig kunnen afmelden.’

‘Dus ik begin, ik dacht dat jij het probleem veroorzaakte.’

‘Ja, altijd makkelijk om je te verschuilen achter je man, die weer eens verzaakt, dat begrijpen de mensen wel. Goedkoop hoor.’

‘Flauwekul, je gaat gewoon mee, geen gezeur. Als je maar belooft niet te veel te drinken.’

‘Ik ga helemaal niet mee als ik niet mag drinken. Zonder een slok op overleef ik het niet.’

‘Ik vraag me echt af wat ik ooit in je hebt gezien.’

‘Ik kan je nog wel wat citaten opdienen uit je liefdesbrieven, mocht je dat vergeten zijn.’

‘Nou, schiet op, kleed je aan, we moeten gaan.’

‘Heb ik iets gemist, ga ik mee?’

‘Ja, ik wacht in de auto op je, vergeet de tas met cadeautjes niet.’

‘Wat moet ik aantrekken? Heb je wat klaargelegd dan?’

‘Wees es creatief, kun je best.’

‘Ik trek het eerste het beste aan wat ik in de kast zie liggen.’

‘Kijk maar, schiet wel op.’

‘Ik ben bijna klaar, even de schoenen.’

‘Vergeet de pakjes niet, ze staan in de gang.’

‘Start de auto, ik kom eraan.’

Wat doen we met kerst dit jaar? Episode 1

 

Koud, het was koud buiten. De wind joeg over het plein, de regen sloeg in mijn gezicht. Het stukje naar de auto was maar een paar meter. Toch werd ik zeiknat. Mijn Lief opende de auto en samen tilden we de kerstboom in de bagageruimte. Dit jaar maar een niet al te grote, zo dachten we. In de auto rook het nu naar kerst. De boom geurde lekker. Ik had thuis de doosjes met ballen, slingers en kerstverlichting al uit het berghok gehaald. Konden we straks meteen de boom optuigen. Of beter, Mijn Lief kon zich daarmee bezig houden.

‘Waar wil je hem neerzetten?’

‘Naast de kast, schuiven we de planten even aan de kant.’

‘Kleine verhuizing, intern,’ poogde ik een grapje te maken. ‘Voor je het week staan we kasten en banken te verplaatsen.’

‘Dat zal wel meevallen.’ Ze concentreerde zich op het verkeer. De regen sloeg op de voorruit. De ruitenwisser kon het amper aan. De auto voor ons reed langzaam en de chauffeur gebruikte meer zijn rempedaal dan het gas. Voortdurend gloeiden de rode remlichten op.

‘Pas op, links, die knalt er tussen,’ ik riep het terwijl ik merkte dat Mijn Lief het al lang en breed opgelost had met een kleine draai aan het stuur. ‘Sorry, ik dacht dat je het niet gezien had.’

‘Ja, ja, ik let wel op, hoor. Dus eerst de kerstboom en dan nadenken over het kerstdiner.’

‘Okee, Tweede Kerstdag thuis, wanneer krijgen we te horen wie er komen?’

‘Niet, we zien het pas als ze binnenkomen.’ Ze grijnsde. Het leek haar een fantastisch experiment. In oktober had ze het idee gekregen. Met een vriendin werkte ze een paar avonden aan een website. Binnen een paar dagen liep het storm. Vanuit alle hoeken van het land kwamen reacties. In de database stonden kandidaten voor de Eerste en de Tweede Kerstdag klaar. De gasten werden automatisch aan een tafel gekoppeld. Drie dagen van te voren kregen de gasten een mailtje met een routebeschrijving en wat achtergrondinformatie. De gastheer en –dame kregen tegelijk een bericht hoeveel mensen kwamen eten en welke dieetwensen er bestonden. De site heette ‘Wat doen we met je ouders deze kerst?’ Een naam die ingewikkeld leek, maar goed opgepikt was. In de krant, op de radio en zelfs op TV kreeg de site aandacht. Na een dag was er een wachtlijst. In de interviews die Mijn Lief en haar vriendin gaven, ter promotie van hun plan vertelden zij wat er vorig jaar gebeurd was.

Skippy en het nut van een kerstpakket

Murray-Skippy-tussen-de-sterren

‘Word geen leraar, jongen. Je leven wordt een sleur. Je wordt saai tot op het bot,’ ik hoor het collega’s tegen hun kinderen zeggen. En het is echt zo. De gesprekken aan de koffietafel: slapper dan de automatenkoffie. De grappen: zo versleten als de gordijnen in de klaslokalen. De beloning is niet oppeppend. De jaarlijkse bonus is een Pluim, van de onderste prijsklasse.

Daarover gesproken, voor die Kerst-Veer, die opgeklopte kerstattentie, zo’n Iris-cheque met een glamoursausje, koop je dit jaar het boek ‘Skippy tussen de Sterren’, van Paul Murray. Het gaat over een jongen van veertien. Hij is een interne leerling van het katholieke Seabrookscollege in Dublin. In hoofdstuk één overlijdt hij. Hij sterft tijdens een wedstrijdje wie-eet-de-meeste-donuts. In de daaropvolgende 600 pagina’s leren we Skippy, zijn medeleerlingen en docenten kennen. De jongens denken maar aan een ding: meisjes. De docenten denken aan vele dingen: alles behalve hun eigen vrouw. Kortom, er kan ruim gefilosofeerd worden over het leven. Van oerknal tot idols, Murray beschrijft het allemaal.

Ik heb het vrijdag j.l. gekocht (weliswaar zonder Kerst-Pluim). Een weekend lang heb ik gelachen, traantjes weggepinkt en vooral ingezien hoe bijzonder een schoolgemeenschap eigenlijk is. Murray beschrijft ze allemaal: de toegewijde docent, de chaoot, de vastgeroeste leraar, de plaatsvervangende directeur die alleen aan de eindexamenresultaten denkt (hij weigert een educatief uitje immers in het eindexamen worden er geen vragen over gesteld, dus is het zonde van de tijd), de flirtende jonge docente en de leraar die toevallig in het onderwijs verzeild is geraakt en na drie schooljaren beseft dat hij in een fuik gezwommen is. De docenten krijgen allemaal te maken met apathie, pesterijen en onbegrip in de klas. Maar de leerkrachten ontdekken ook hoe het is dat de bel zo maar gaat terwijl het verhaal dat ze aan het vertellen zijn nog niet is afgerond en dat de klas blijft zitten om het einde te kunnen horen. Murray presenteert zijn portret van de middelbare school perfect. Hij heeft zich uitstekend verplaatst in de afzeikende communicatiestijl van de jongens. Sneren wisselen beledigingen af. En ondertussen weet je dat Skippy zal sterven, maar waaraan? Die vraag is de drijvende kracht achter het boek.

Mijn advies: Skippy kopen, voor 25 piek bij de betere boekhandel, pik een goede fles wijn uit het kerstpakket van je partner, zoek een lekkere stoel en een fijn voetenbankje, zet de Top 2000 uit, en lezen maar. Hou je smartphone in de buurt om af en toe je kinderen te sms’en dat de pizza uit de oven kan, en dat er koffie moet komen, en je kerstvakantie kan niet meer stuk. Of je na lezing van het boek nog in het onderwijs wilt werken is de vraag, maar je hebt dan wel een heerlijke leeservaring erbij. In mijn Top 2000, staat Skippy als hoogste nieuwe binnenkomer, vlak achter John Irvings Garp, de Bohemian Rhapsody van de internationale literatuur en boven De schaduw van de wind, van Zafon, toch een beetje de literaire Hotel California, wel lekker, maar een beetje eentonig.

Kerstverlichting, nu even niet

Kerstverlichting aan de gevel van je huis is idioot. Is het nodig om een arrenslee van lampjes in je tuin te zetten? Helpt het de beschaving om een knipperende kerstster voor je raam te hangen? Het verhoogt de sfeer, zegt men. Het ziet er zo gezellig uit, pleit men voor de lichtversiering. Ik kan alleen maar somber worden van zo veel lichtheid. De uitbundigheid irriteert mij. Alsof het kerstfeest in een Las Vegas-stijl gevierd moet worden.

Natuurlijk, kerst is een feest van het licht. Van een piepklein lichtpuntje in de donkere nacht. Let wel: een minuscuul, nauwelijks waarneembaar, lichtgevend speldenprikje, een sterretje dat lichtjaren her een zwak schijnsel voortbrengt. Zo’n klein lichtje, zo kwetsbaar, als een kindje in een kribbe, in een verder donkere nacht. Het licht is symboliek geworden, symbolen worden uitvergroot, het zacht stralend lichtpuntje is een alles verzengende lichtshow geworden. Subtiele betekenissen zijn kapot gestraald door felle spotlights.

Het zou mooi zijn als bij wijze van kerstgedachte, alle kerstelektronika wordt vervangen door een enkele kaars, in elk huis een teer vlammetje. Wat een prachtig gezicht zou dat zijn. Subtiel en breekbaar, die symboliek is nu ver te zoeken.

Porren in de plassen

Gelukkig, de herfststormen zijn eindelijk losgebarsten. Met bakken valt de regen neer. De wind buldert. De blaadjes van de beukenhagen in mijn buitenwijk worden door de straten geblazen. In de goten ontstaan plassen doordat putjes verstopt raken door het losse blad. Als ik hond P. uitlaat, kan ik mijn geluk niet op als ik zo’n waterpartij tegenkom. Speciaal heb ik mijn rubberen laarzen aangetrokken. Niet om in de plassen te stampen. Wel om heimelijk aan mijn genot te komen. Ik kijk rond of iemand mij kan zien. Zoals altijd is de straat uitgestorven. Niemand zal mij betrappen. Met de punt van mijn laars veeg ik de voor de putopening opgehoopte bladeren weg. Het regenwater begint te lopen. Een klein watervalletje ontstaat. Het water stroomt, in mum van tijd is de goot leeg. Ik loop alweer door op weg naar de volgende verstopping.

Thuis wacht een andere verstopping. Ik moet het dak op. De afvoer van het garagedak is met bladeren gevuld. Lekkage dreigt. Met de zaklantaarn geklemd tussen mijn tanden en een pollepel in mijn achterzak, beklim ik de keukentrap en ik trek me omhoog aan de dakrand. De wind jaagt over het garagedak. Met moeite kan ik mij staande houden op het wankele trapje. Als ik kort in de afvoer por en restjes bladeren verwijder, begint het water te stromen. Opnieuw ervaar ik een kortstondige sensatie.

Het is alsof ik in de zomer bij een bergstroompje een dammetje bouw van keien. Proberen of je de stroom kan verleggen. Het water beheersen, de loop van een riviertje bepalen. Dat is waarom ik sta te porren in regenplassen. Dat verklaart waarom ik in de regen een keukentrapje beklim. Ach, in ieder mens schuilt een Hans Brinker.

Apeldoorn 2 december, herdenking Rees

Ik heb afgelopen vrijdag mijn grootvader herdacht.

Op de Markt in Apeldoorn hangt aan het Stadhuis een klein monumentje. Het is een bronzen mannetje, dat met het hoofd voorover gebogen staat. Elke 2e december wordt hier een herdenking gehouden. Het is een herinndwangarbeidering aan de mannen en jongens die in december 1944 zijn opgepakt door de Duitsers. De razzia was erop gericht zoveel mogelijk arbeidskrachten te verzamelen. Gewapende soldaten haalden de Apeldoorners uit hun huizen, of plukten ze van straat. Mijn grootvader was een van hen. Net als zijn lotgenoten werd hij per trein afgevoerd naar Duitsland. In het plaatsje Rees, aan de Rijn moest de groep tankgrachten graven. Met als enige gereedschappen een pikhouweel en een schop werkten de mannen acht uur lang in de bevroren grond. Als eten was er een waterige soep, met wat brood. De nacht werd doorgebracht in een tochtige schuur, van een dakpannenfabriek. De sanitaire voorzieningen waren belabberd. Binnen de kortste keren braken ziektes als dysenterie uit. Mijn grootvader overleed in februari, de ontberingen waren te groot.

Mijn grootmoeder heeft hem enkele keren opgezocht. Op de fiets reed ze dan naar hem toe. Zij verbleef met mijn vader, toen ruim vier jaar oud, op een boerderij in Gendringen, vlak aan de grens. De vroegste herinneringen van mijn vader gaan over die boerderij. Ook ziet hij nog beelden voor zich van soldaten voor het huis waar hij woonde. Het was de ochtend van de razzia, mijn vader en zijn moeder stonden in de erker te kijken wat er gebeurde. Met de loop van het geweer beduidde een soldaat dat zij daar weg moesten gaan. Van de boerderij herinnert hij zich vooral het buitenspelen en de goede maaltijden. De jongentjes waarmee hij toen speelde, ziet hij af en toe nog wel eens.

In Apeldoorn is na de oorlog weinig gesproken over de razzia. Men zweeg. Net als in onze familie. Mijn zus hield hierover een speech tijdens de herdenking van vrijdag. Haar verhaal ging over mijn vader en het zwijgen. Opgegroeid met het zwijgen, vertelde hij later niets over Rees. Pas de afgelopen jaren is dat veranderd. Mijn vader nam ons mee naar het graf in Dusseldorf, vertelde zijn herinneringen en speurde op internet naar nieuwe gegevens. Hij las het herinneringsboek dat in Apeldoorn verscheen over de dwangarbeiders en gaf ons exemplaren. Langzaam kreeg het drama inhoud. Hoe verschrikkelijk het ook geweest moet zijn, je probeert je toch een zo gedetailleerd mogelijk beeld voor de geest te halen. Door de verhalen te lezen van anderen, van overlevenden en nabestaanden, kreeg de geschiedenis van mijn grootvader inhoud.

Sinds enkele jaren bestaat het monumentje van de dwangarbeid in Apeldoorn. Arend Jan Dishoek is de initiator ervan. Hij is ook de spil in de stichting Dwangarbeiders Apeldoorn. Door zijn initiatief is Rees van een verzwegen drama geworden tot een veelbesproken thema. De stichting biedt de mogelijkheid voor nabestaanden om te achterhalen wat er is gebeurd. Met de Duitsers uit Rees bestaat contact. Vrijdag waren in Apeldoorn ook Duitse gasten aanwezig. Het monumentje is geadopteerd door een basisschool. De leerlingen maakten gedichten over herdenken, oorlog en geweld. Enkele leerlingen lazen hun woorden voor. Later hielpen de kinderen mee bij de kranslegging bij het monument. De herinnering aan het verzwegen drama wordt zo doorgegeven, met woorden, onomwonden.

Mijn vader is nu 71. Wat 67 jaar geleden gebeurde, beïnvloedde zijn leven. Ik zat achter hem tijdens de plechtigheid. Mijn zus verhaalde hoe een kleine jongen achterop de fiets zat bij zijn moeder. Ze reden langs het kanaal en waren op zoek naar zijn vader. Het is hetzelfde kanaal als waarlangs mijn vader tegenwoordig fietst. Op dat moment zag ik hoe heel even zijn schouder schokte. Met zijn hand veegde hij snel in zijn ogen. Herdenken met woorden is confronterend en tegelijk mooi. Hoe gruwelijk het in die oorlogswinter ook is geweest, het herdenken brengt ons nader tot elkaar.

Zie voor meer  over  de razzia en kamp Rees, en voor de speech van mijn zus:

http://www.dwangarbeidersapeldoorn.nl/

Herdenking Rees

Stichting Dwangarbeiders Apeldoorn '40 – '45

Later volgt impressie over herdenking slachtoffers dwangarbeiders in tweede wereldoorlog in Rees

Zernike Haren wint First Lego League

Klein geleerd is oud gedaan. Zoon S. speelt al sinds zijn vroegste jeugd met Lego, van Duplo naar Lego Technics. Samen met hem bouwden we kastelen en toren, en dwaalden we door Legoland. Sinds vandaag is hij Lego-kampioen. Met zijn medeleerlingen won hij vandaag de First Lego League, de noordelijke finale. In januari is de landelijke finale in Eindhoven.

Bedoeling is dat je een Lego-robot zo programmeert en bouwt dat het wagentje allerlei missies kan doen. In de wedstrijdbak staan objecten die opgepakt, omgegooid, meegetrokken of wat dan ook moeten worden. Per missie kun je punten verdienen en het team van Zernike scoorde het meeste. De finale werd overtuigend gewonnen. Precies op tijd goed gepiekt.

Het team was gehuld in grijze sweaters, voorzien van het logo dat ze zelf gemaakt hadden en de namen van hun sponsoren. De afgelopen weken ging het nergens anders dan over de robot. Loon naar werken. Helaas liep het begin van de dag niet zo geweldig. Ik had de pech om de eerste rondes te mogen bijwonen. Toen ging het minder, na de pauze begon het te lopen. Gelukkig had de Hanze Hogeschool, die gastheer was van het evenement, webcams en livestreams geregeld. Kon ik thuis op de laptop toch nog meegenieten. En ja, ik was ontroerd en trots toen mijn zoon de beker in ontvangst mocht nemen. Een beker die eruit ziet als een Legosteentje.

Legoleague kampioen

Zoon vandaag met zernike kampioen noorden geworden, nu landelijke finale. Later meer.


Een hork met varkensoogjes

Vandaag bezocht ik het Groninger Archief. In de studiezaal probeerde ik in te loggen op het inventaris. Zo zou ik het nummer kunnen achterhalen van de archiefstukken die ik wilde inzien. Steeds kreeg ik een foutmelding. Als oplossing koos ik om achter een andere computer plaats te nemen. Met het zelfde resultaat. Ik had geen zin de baliemedewerker in te schakelen. In plaats daarvan vroeg ik aan de man in overhemd en met rode das of hij wel het inventaris kon inzien. Zijn bolle kop en varkensoogjes spuwden vuur. Hoe ik het in mijn hoofd halen hem te storen in zijn gewichtige onderzoek. Op zijn scherm zag ik het woord ‘Preadinius’, het plaatselijke elite-gymnasium. ‘Ik weet dat niet, ik werk hier niet. Anders kijk je maar in de papieren inventaris.’ Geïrriteerd wapperde hij met zijn hand in de richting van de boekenkasten met de rode ruggen vol verwijzingen naar het archief. Geagiteerd tikte hij op zijn toetsenbord, nam wat gegevens over. Daarna beende hij, zijn leesbrilletje in zijn hand, parmantig naar zijn studietafel. Wat een aso, dacht ik en ik zei ‘Sorry dat ik u stoorde.’ Hoe netjes kun je zijn als iemand bot doet. Arrogante zak, dacht ik. Het blijkt maar weer eens dat je je kunt vereenzelvigen met je studieobject. Toen ik langs hem terugliep naar mijn plekje, zag ik hem gebogen over een klassenfoto van lang geleden. De foto kwam uit de tijd ver voor de mamoetwet. Uit de tijd dat het gymnasium nog bevolkt werd door kinderen uit de elite. Het was zijn opdracht de namen van de ruim honderd scholieren te herkennen. De resultaten noteerde hij in zijn laptop. Ik had geweigerd de baliemensen te vragen om hulp. Toch lukte het me om het inventarisnummer te achterhalen. Via de computer vroeg ik het stuk aan en kreeg het aan tafel 75 uitgereikt, prima service. Met een mooie gebonden jaargang van de Westerkrant uit de jaren tachtig had ik wat ik nodig had. Ik maakte mijn aantekeningen, liet een scan maken en vertrok. De man met de varkensoogjes tuurde nog steeds naar de zelfgenoegzame blikken van kinderen geboren met de gouden lepel. Ach, die kinderen konden er ook weinig aan doen dat ze bestudeerd werden door een hork par exellence.

Top 2000, laat ik aan mij voorbijgaan

De Top 2000 komt er weer aan. De lijst wordt samengesteld. Het opwarmen van een doorgekookt kliekje van overbekende deuntjes gaat beginnen. We kunnen weer stemmen. Ons lijstje mag doorgegeven worden.

Al jaren neem ik me voor om het te doen. Nooit van gekomen, en nu is het te laat. Ik heb het gehad met de top 2000. De verhalen van stoere mannen die met tranen in de ogen terugblikken op de nummers van hun jeugd, ik ken ze onderhand. En ook de popfeitjes van de kenners kunnen mij gestolen worden. Wie wat wanneer hoe en waarom opgenomen heeft, laat maar zitten. Geen terugblik meer, geen lijstjes met warme herinneringen. Sentimentele humbug.

Ik ben blij dat ik nooit een lijstje met tien favoriete nummers alle tijden heb ingeleverd. Stel je toch eens voor dat ik de wereld had verteld over mijn obligate overzicht met U2, Joe Jackson, the Jam, Queen, Coldplay, the Beatles, Otis Redding, Franz Ferdinand, Amy Winehouse en Tim Knol? Geen lijstje van mij, ik luister dit jaar in de laatste week van het jaar naar Radio 6.

Hoe ik iemand op zijn bek ging slaan

Een film kan je inspireren. Of tot afschuw brengen. De film ‘Heineken, de ontvoering’ deed beide met mij. Niet dat ik iemand ga ontvoeren of afpersen. Dat lijkt me getuige de film teveel gedoe. Wat ook een hoop gedoe is, is een film kijken in een bioscoop. Ik haat het. Ooit was het rustig en vredig. Maar sinds het is toegestaan om te drinken en te snacken in de zaal is het gedaan met rustig kijken. Ik geef toe, ik heb M&M’s gegeten. De zak choconootjes is helemaal op geknaagd. Ik onderdruk de vreetneiging om handenvol in mijn mond te proppen en met veel geknars en gekraak de zoete nootjes te verpulveren. Ik geef dus het goed voorbeeld.

Na de pauze heb ik mij moeten inhouden. Ik had op het scherm al gezien hoe je moet reageren als je zakt voor je rijexamen (sla je examinator een bloedneus en stap uit) of hoe je omgaat met de vriendin van je partner in crime (gewoon afpakken). Grote bek, bluffen en geen angst kennen. Dus wat ga je doen als achter een uit de klei getrokken fucked up uit de Friese rimboe ontvluchte minkukel zijn Grolschbeugelfles met veel geplop opent? Sla hem zijn fles uit zijn klauwen. En wat doe je als hij net te luid zijn bierboeren ononderdrukt laat gaan? Dreigend achterover leunen en hem nog een keer goed waarschuwen. Dat is wat de toffe jongens in café De Hallen zouden doen. En toen ging ie popcorn eten, en niet zo’n beetje ook. Juist op het moment dat de film tot rust kwam, en zelfs gevoelig ging worden. Nou kun je met popcorn niet echt kraken. Maar onze onbehouwen Fries wist elke handvol popcorn met veel gesmak gepaard te laten gaan.

Ik ben te netjes en hoop dat het wel weer over zal gaan. Eén keer durfde ik over mijn schouder te kijken. In het donker zie je natuurlijk niets van een donkere afkeurend frons. Maar er iets over zeggen, ho maar. Nee, ik laat het gewoon gebeuren. Ik ben te netjes, ik durf het gewoon niet. Stiekem had ik hem graag aangepakt, lachend zijn bak popcorn door de zaal gegooid en een handvol M&M’s in zijn bier gemikt. Me verbijtend zat ik de film uit.

Overigens, wat moet je doen als je een bijna zeventig jarige mevrouw een zak mueslibolletjes ziet wegstoppen in haar tas en die vervolgens niet afrekent? Had ik vanmiddag de bakker moeten waarschuwen? Had ik de dame moeten laten voorgaan bij het afrekenen en vilein moeten zeggen dat deze mevrouw haar bolletjes alvast mag afrekenen? Ook toen bleef ik hangen in mijn observerende rol. Had ik moeten reageren of niet? Zegt u het maar.

ELF-ELF-ELF

Het is de elfde van de elfde van de elfde. Gekke datum. Massaal is er door trouwlustigen gewacht op deze datum. Je huwelijk wordt een stuk leuker als je op zo’n datum gaat trouwen. Net als in 2002, 2 februari en straks in 2012 op 12 december, maar dan net wat minder. Wat de dieper betekenis is van dit soort data ontgaat me. Op spirituele internetsites lees je symbolische humbug. Je kunt overal wel iets van maken. In ieder geval is het makkelijk te onthouden. Al is het vreemd dat je zo’n eenvoudige datum nodig hebt om je trouwdag te herinneren.

Voor wiskundigen is het wel interessant om uit te rekenen hoe vaak in een eeuw, of nog spannender gedurende de hele jaartelling, zo’n datum voorkomt. Is er een formule voor te bereken of een kansberekening voor te bedenken? Er is vast wel een oude Griek geweest die daar iets voor bedacht heeft. Al moest die natuurlijk eerst wel de jaartelling zelf bedacht hebben. Een andere uitdaging is om te zoeken naar het moment dat de islamitische, joodse en christelijke kalender alle drie tegelijk een dergelijke datumnotering hebben. Je moet toch iets bedenken.

Taalkundig is er ook een opdracht. Hoe noem je zo’n datum bestaande uit dezelfde getallen? In de term moet iets voorkomen van gelijk en datum of getal. Snufje Latijn erover, en klaar is kees. Iets met Grieks mag ook. Of iets digitaalerigs. ISODATIUM klinkt wel authentiek. Of drie-op-een-rij-datum, is wat ludieker.

Of zijn er betere termen? Mailt u maar.

Ramblas in de buitenwijk

In mijn buitenwijk is het stil. Het is herfstvakantie. De buurt is leeggestroomd. Gezinnen met kleine kinderen zitten in vakantieparken op de Waddeneilanden of de Veluwe. Buren met pubers doen een stedentrip. Cultuur opsnuiven in Parijs, Berlijn of Rome in de nazomerzon. Ze zullen zeker genieten. Ik blijf thuis en ga fluitend over straat. Mijn herfstvakantie kan niet stuk. Ook niet als ik de hond uitlaat en opnieuw overvallen word door een regenbui. Nee, ik loop met mijn mobiel op zak, hand op het toestel zodat ik het meteen weet als er een sms binnenkomt. Om de minuut check ik toch even het display. Geen bericht. Als de regen serieuze vormen aanneemt, voel ik het toestel trillen. Gelukkig. Ze is me niet vergeten. Met kloppend hart open ik het bericht.

En zo gaat het de hele dag door. Als een verliefd schooljongen, doe ik maar een ding: wachten op het volgende bericht. De afwas blijft staan, de wasmand puilt uit, het eten haal ik bij de Chinees. Ik vergeet de post uit de bus te halen en de krant ligt ongelezen naast een uitgedroogd klokhuis. En dat terwijl ze maar drie nachten weg is. Even in de herfstvakantie met onze dochter naar Barcelona. Daten met Gaudi, shoppen bij Zara en luieren op het strand. En heel veel sms’jes sturen naar huis.

De zon, de tapas, de cava en het lichte leven in Catalonië volg ik via mijn mobiel. Als ik mijn verlaten straat in loop, kaarsrecht en met uniforme huizen en aangeharkte tuinen, en de regen overgaat in hagel, blijf ik glimlachen. Door de sms’jes slenter ik denkbeeldig op de Ramblas. Niets kan mij raken.

Vanavond is ze al weer thuis. Een verrukkelijk vooruitzicht: mijn vrouw gebruind door de Catalaanse zon. Snel naar huis, de resten van mijn vrijgezelle dagen opruimen. Mijn herfstvakantie kan niet meer stuk.

Doe het zelf lawaai op zaterdagochtend

Het is zaterdag, tijd om uit te slapen. Daar is een buitenwijk geschikt voor. Eigenlijk is zo’n wijk voor slapen gemaakt. Overdag werken en naar school, ’s avonds sociale contacten en sporten en dan slapen. Door de week ontwaakt de wijk vroeg. Als de krantenjongens hun ronde hebben gedaan, vertrekken de eerste wijkgenoten al naar hun werk. Korte tijd later is de buurt ontvolkt. Maar op zaterdag is dat anders. Dan blijven de rolgordijnen naar beneden, worden kinderen voor playstation of dvd geplaatst en draaien de afgetobde ouders zich om, al dan niet tegen elkaar aan gedrukt. Nog even een uurtje of wat liggen in bed. Slapen of minnen, in ieder geval in alle rust de dag afwachten. Zelfs de wekker tikt zachter.

In de buitenwijk zijn vroege vogels die ook op zaterdag niet uitslapen. Die komen in alle vroegte uit hun bed. Na een snel ontbijt en een hete koffie zijn ze niet meer te houden. Acht uur ’s ochtends openen ze de tuinschuur en kijken verlekkerd naar hun elektrische tuintools. Zachtjes strelen ze de hogedrukspuit, voorzichtig pakken ze de bladblazer en leggen de elektrische heggenschaar klaar. Eerst de bladeren wegblazen en dan de tegels spuiten. Om dan het gazon te maaien. De laatste vogel vliegt op uit de tuin als het oranje verlengsnoer wordt uitgerold. Het apparaat gaat aan. Met veel decibellen vliegen de bladeren door de tuin. Keurig netjes wordt het. Een mooie hoop van hersftbladeren ontstaat. Vol genot en op vol volume klaart de buurman zijn klus.

Het geraas dringt door in de slaapkamer. Al is het raam gesloten, het geluid is alom aanwezig. Het is kwart over acht. Uitslapen is onmogelijk. De bladblazer stopt en de grasmaaier neemt het over. Verderop is nu ook actie in de tuin. Een boormachine en een decoupeerzaag worden aangezet om een speelhuisje te maken.

Het is zaterdag in de buitenwijk, het weekendleven begint, ik geef me over en kom uit bed. Misschien dat een douche het lawaai kan overstemmen.

Vier Mijl, wat is daar nou leuk aan?

Hardlopen is een eenzame bezigheid. Je moet het in je eentje doen. Met je eigen benen en op je eigen kracht. Het is heerlijk na een dag hard werken, vol vergaderingen en talloze telefoontjes. Even de kop leegmaken. In alle rust je grenzen opzoeken. De enige die je mag tegenkomen ben je zelf. De hele weg voor je en achter je is leeg, de wereld aan je voeten.

Maar af en toe moet je het omdraaien. Soms moet je juist de drukte in met je loopschoenen. Zondag was het weer zo’n dag: de Vier Mijl. Al weken doken overal in de stad de Vier-Mijl-logo’s op. De lokale media werkten de jaarlijkse Vier Mijl draaiboeken af. En overal in het Stadspark en Noorderplantsoen renden groepjes lopers hun trainingsrondjes. Elk jaar lijkt de gekte te groeien. Met 20.000 mensen de Vier Mijl lopen, kan dat nog leuk zijn?

Wat is de lol om met duizenden tegelijk in een startvak te staan?Is het leuk om ingehaald te worden door een als Pink Panter verklede plezierjogger? Natuurlijk, dat is leuk. Of is het leuk om maar niet voorbij dat zevenjarige blonde in voetbalshirt gehulde jochie te komen? Ach, dat is vertederend. Loop je echt harder als een dweilorkest aan de kant staat te tetteren? Reken maar van yes. Maar is het dan fijn om te merken dat je nog altijd sneller gaat dan die behoorlijk gezette dame die haar shirt laat oversizen om te bedekken wat iedereen kan zien? Ja, het is plezierig. Zelfs het lopen in de regen voelde zondag lekker aan.

Echt fijn is de Vier Mijl pas na anderhalve kilometer. De drukte en het gedrang op de weg is voorbij, iedereen loopt bij elkaar wat snelheid betreft. Zo rond de Esserberg ontstaat er ruimte op het parcours. Je loopt niemand op de hakken, niemand probeert je in te halen. In je eigen vacuüm loop je door. Vanaf Helpman Zuid groeit het publiek. En daar begint de echte lol van de Vier Mijl. In je eigen tempo lopen en in het publiek spieden of je bekenden ziet.

Je herkent je buurman, je geeft je collega een high five en je gaat weer verder. Je loopt Helpman door en je ziet aan de voet van het spoorwegviaduct je Lief staan. Je hoort je kinderen roepen: ‘Zet ‘m op, papa!’ Je kijkt je Lief aan, ziet de blik in haar ogen, je knipoogt en weet dat het goed zit. Voor dit moment ben je een held. De helling van de brug is een makkie. Vanaf de top van de brug kijk je uit over de deinende massa voor je. Via het Hereplein naar de Herestraat. Het valse plat duurt tot aan de McDonald. Maar je voelt het nauwelijks. Steeds smaller wordt het parcours. De toeschouwers roepen en klappen. De adrenaline stroomt en je loopt als vanzelf.

Dan komt er de laatste bocht, de Vismarkt op. Je weet uit ervaring dat je niet meteen moet gaan sprinten, maar dat je nu langzaam mag versnellen. De speaker roept namen en tijden om, muziek klinkt en uit het publiek klinkt je naam. Je favoriete buuv moedigt je aan, ineens ga je nog harder. Natuurlijk die tijd is niet belangrijk, maar voor alle zekerheid zet je toch nog even aan. Je PR scherper stellen met drie seconden en je bent het mannetje voor een week. Met een gebalde vuist en een oerkreet sprint je over de finish. Het is gelukt. Met medaille en sportdrank loop je het parcours af, de drukte in. Op de Westerhaven loop je over de mensen. Het krioelt van de lopers en supporters.

Ineens verlang je ernaar om morgen weer gewoon in je eentje door het park te gaan rennen. Lekker uitlopen in alle rust. Hardlopen is een eenzame bezigheid.

Keep on running 9

Het is gelukt. 39 minuten, 40 seconden, 4 mijl.

Volledig ontspannen en volop genoten. Wind in de rug en regen in verschiet. Glimlachend kijken naar supporters en meedeinend op muziek langs de route. Medelopers laten passeren, voortgaand in eigen cadans. In Haren iets te hard van stapel, later eigen tempo gevonden.

Het is gelukt. 39 minuten, 40 seconden, 4 mijl.

Mijn Lief stond langs de kant, kinderen ver vooruit op parcours. Buren en vrienden moedigden aan, we deelden een high five. Parkinson liep mee, ik liep als vanouds. Het hobbeltje van het spoorwegviaduct nam ik zonder problemen en ook de helling van de Herestraat ging zonder meer.

Het is gelukt. 39 minuten, 40 seconden, 4 mijl.

De Vismarkt is om te sprinten, vuisten gebald in de lucht. De beeps aan het begin en het eind markeren de route, zonder beeps geen genot. De medaille is binnen, een kus van Mijn Lief. Spierpijn blijft uit, trots is het woord.

Het is gelukt. 39 minuten, 40 seconden, 4 mijl.

Donar als voorspel op Vier Mijl

Ter voorbereiding op de Vier Mijl ontspannen avondje genoten. Donar speelt weer. Een geheel nieuw team, nieuwe coaches, maar de hal is hetzelfde en de vaste mensen zaten weer om me heen. Spannende wedstrijd gezien. Ouderwets mee geschreeuwd en geklapt. De voorsprong slonk in het laatste kwart. Gelijke stand tot de laatste secondes. Vrije worp gaf de minimale voorsprong. Met nog 0.1 seconde vrij worp voor tegenstander. Gejuich na bevrijdende zoemer. We zitten er meteen weer in. Nu nog de namen leren van de spelers, ik ben al aardig op weg. Hopelijk heb ik morgen mijn stem weer terug voor de Vier Mijl. Om kwart over twee start ik en hoop voor drie uur op de Vismarkt te zijn. Ach ja, het is een cliché maar er gaat dit weekend echt niets boven Groningen, de pronkjewail in golden raand.

Keep on running, startnummer 11193

Wat voor weer wordt het morgen? Gaat het tijdens de Vier Mijl regen? Hoe staat de wind? Wat is de temperatuur? Een ding staat vast: een stralende herfstdag wordt het niet. Regenkans 80%, windkracht 4 en maximaal 16 graden. Mooi loopweer, zuurstofrijk en helemaal lekker: wind in de rug.

Ik keek gisteren op TV-Noord naar een voorbeschouwing van de loop. De beelden van snelle Kenianen die in ruim zeventien minuten op de Vismarkt staan en van de ploeterende amateurs die zich een weg baanden over de Hereweg rolden over het scherm. De jaarlijkse processie van zweet en doorzettingsvermogen komt er aan en ik heb er zin in. Als ik moet lopen, breekt vast en zeker de zon door. Ik hoop wel op plassen regenwater. Niets zo lekker als het water in je loopschenen te voelen, helemaal een met de elementen.

Ik ga zo meteen mijn hardloopkleding uitzoeken. Het wordt een rood shirt en een donkerblauw broekje, natuurlijk met blote benen en korte mouwen. Kleine veiligheidsspeldjes zoeken voor het startnummer en uit de wasmand twee gelijksoortige witte sokken zien te vinden. Omdat ik niet koud wil worden tijdens het wachten op het startschot trek ik een oude sweater aan. Vlak voor de start gooi ik die in het startvak. De organisatie zorgt ervoor dat al die kleding naar het goede doel gaat. Als het regent trek ik ook nog een vuilniszak over me heen als alternatieve regenjas.

En dan lopen. Ik loop traditiegetrouw aan de westkant van de weg. Met een half oog op de weg, voortdurend speurend in het publiek naar bekenden. Want daar is het natuurlijk om te doen: laten zien dat je er loopt en dat het geen grootspraak is geweest dat je de vier mijl gaat lopen.

O ja, altijd handig. Mijn startnummer is: 11193.

Ik heb er zin in.

Vier Mijl in een kletstempo

Ach ik wist het wel dat ik de afstand in de benen had, die vier mijl. Maar toch is het leuk om even te kijken of het nog lukt. Op een buurmansfeestje ging het gesprek over hardlopen en trainen. Een afspraak tussen twee biertjes door is snel gemaakt, een hardloop-date. Maar om het uit te voeren is vers twee. Gelukkig kwam er nog een vijftigerfeestje waar we de afspraak herbevestigden. Een mailtje deed de rest.

Het zou een testrace worden, effe checken of ik er klaar voor zou zijn. Mijn meerennende buurtgenoot is een ervaren marathonloper, maar eentje die zich niet geneert voor het kleine werk. Gemoedelijk keuvelend legden we een parcours af in het Stadspark. Zolang je kan kletsen heb je nog genoeg over. Dus dat onderdeel van de test was geslaagd.

Jongentjes als we altijd blijven, ook na je vijftigste, deden we op het eind alsof we de Heerestraat opliepen, en bij de Campinglaan visualiseerden we het laatste rechte stuk naar de finish op de Vismarkt. De eindsprint duurde honderden meters. Ik perste het er uit, terwijl ik voelde hoe in mijn flank werd ingehouden. De schaduw die straatverlichting van hem maakte bleef in mijn voetsporen, hoe zeer ik ook aanzette. Maar inhouden of niet, we waren voldaan na gedane zaken.

Test geslaagd, leuke gekletst, fijn gesprint en goed gezweet.

Ik ben er klaar voor, laat die Vier Mijl maar komen.

Papa gaat op kamers 6

Sinds enkele weken heb ik de beschikking over een schrijfkantoor. In het voormalige belastingkantoor in de binnenstad maak ik gebruik van een kamer. Ondertussen heb ik al heel wat knusse uurtjes daar door gebracht en ik moet zeggen dat het bevalt. In de eerste plaats is er het uitzicht. Ik kijk uit op het Noorderplantsoen. De bomen zijn nu nog groen, vandaag tegen een schitterende blauwe achtergrond en zonovergoten. Binnenkort zal ik de val van de bladeren kunnen observeren en de herfststormen hun krachten zien verspillen. Dat uitzicht is heerlijk. Tussen twee regels door even kijken of alles er nog is.

Het is er stil. Althans bijna altijd. Af en toe loopt er iemand door de gang, hakken tikken hun weg door de ruimte. Soms klinken er ver weg stemmen die dan plots heel luid worden als de pratende voetgangers langs mijn raam komen. En heel soms is er een pandgenoot die Led Zeppelin op de platenspeler gooit en elke noot duidelijk hoorbaar uit zijn boxen laat schallen. Ach, het is een klassieker dus ok. Maar de stilte overheerst.

Dan is er de afstand. Ik moet een stukje fietsen om er te komen. Ik ga echt naar mijn werk, dat idee. Nog leuker is dat ik in de stad zit. Die ervaring heb ik eigenlijk nooit gehad. De deur achter je dicht trekken en binnen vijf minuten lopend op de Grote Markt zijn. Tussen twee stukjes is dat heel aanlokkelijke en motiverend.

Kortom ik zit er wel lekker. Maar of de stukjes er nou beter van worden? Dat is nog maar de vraag. De totstandkoming is wel anders en op een bepaalde manier ook beter.

Lipdubbende overBuuv

Lipdub, kent u die uitdrukking?

Ik niet, maar ik ben ook niet zo hip. Gelukkig heb ik een overbuuv die zeer met haar tijd meegaat en die mij en de rest van de buurt leerde wat een lipdub is. Op het feest ter ere van haar jarige man, liet ze ons een zelfgemaakte lipdub zien.

Simpel gezegd is het een opname van een take in een gebouw met meerdere ruimtes waar de camera doorheen loopt en overal op ludieke gasten stuit die het liedje dat klinkt playbacken en uitbeelden met maffe kleding, rare attributen en bordjes met teksten. Ideaal om als universiteit of school je te presenteren. Overbuuv deed het in haar eigen huis met haar kinderen als lipdubbers. Elke scene verbeelde een stukje uit het leven van de verjarende echtgenoot. Prachtig beelden van swingende dochters en een stoer dansende zoon.

Nieuwsgierig geworden tikte ik zojuist de term ‘lipdub’ in en kwam een prachtige tegen gemaakt in de UB van de universiteit Groningen. En ja, tussen de studenten duiken ze op: Rooie Rinus en Pé Daalemmer. Geniet van deze keigave LIPDUB:

Papa gaat op kamers 6

image201109170001Ik heb een tafel, beter gezegd: ik heb een oude tafel. In de studeerkamer thuis stond deze tafel. Eigenlijk te klein om voor studeertafel door te gaan. Maar zo gaat, als eenmaal iets staat moet je van goeden huize komen om het te verplaatsen. Zo ook de tafel in de studeerkamer. Er zaten vier poten onder, handig voor een tafel. Toch waren het geen goede poten, want te klein. Met klosje verlengde ik de korte pootjes tot lange poten. Zo voldeed de tafel lange tijd.

Tot ik zo nodig een schrijfkantoor wilde hebben en kreeg. De inrichting is eenvoudig, met een kast en wat stoelen en lampen, een Issing aan de muur en een kapstokje, is het goed. En dus met een tafel. Om een nieuwe te kopen was wat veel van het goede. Maar een nieuw bureau voor de studeerkamer kon natuurlijk wel. Ik bezocht vanochtend de IKEA, laadde mijn auto vol met bureau en accessoires en reed met mijn dochter en een appelflapje naar huis. Snel de nieuwe, in hoogte verstelbare bureautafel in elkaar gezet. Tevreden over het vlekkeloze witte tafelblad en de glimmende pootjes, begon ik aan de demontage van de kantoortafel. Pootjes eraf, in de auto, andere spullen meenemen en naar het VBK(voormalig belastingkantoor).

Ter plekke had ik de tafel snel op zijn pootjes terecht laten komen. Op mijn directiestoel zit ik nu dit stukje te tikken. Het schrijft lekker. Ik wieg wat heen en weer op de enorme bureaustoel. De tafel heb ik zo geplaatst dat ik door het linkerraam kan kijken. Ik kijk uit op de bomen, die nog zomers groen zijn, van het Noorderplantsoen. Voor de bomenrij ligt een schip, zo’n oude binnenwater schip, waar mensen op wonen. Een gele mast en een lila kleurig geverfde roef en buitenkant. Op het schip geen zeilen, maar wel een tv-schotel. Achter het schip zie ik door het groen, de auto’s rijden richting Wilhelminakade. Aan deze kant van het Reitdiep zie ik mijn auto, volgende keer elders parkeren. Tussen auto en mijn raam loopt het trottoir. Regelmatig gaan er mensen voorbij. Door het open raam hoor ik ze praten of bellen (dat is ook praten, maar irritanter omdat je niet kunt horen wat de ander zegt). Ik kan dus heerlijk afgeleid worden.

In het pand is wel leven. Er lopen af en toe mensen over de gang. Ik ken er een paar, uit andere CareX-panden. Ben wel nieuwsgierig, naar mijn buren. Maar dat komt wel. Op zich is het rustig, en kan ik dit stukje in een lekkere flow schrijven. Het gaat wel goed komen in dit schrijfhok.

Papa gaat op kamers 5

Tja, Aargh stelde de vraag en ik pieker me suf. Aargh is weblogster en schrijft over de natuur. Ik lees haar graag en leer altijd wat over planten en dieren. In mijn vorige bericht schreef ik over mijn nieuwe werkplek. Mijn schrijfkantoor, letterenbureau, verhalenkamer of wat voor naam je ook kunt bedenken voor een schrijvershok. Aargh vraagt zich af wat de werkplek voor effect op het schrijven heeft.

Het schrijfkantoor zal nooit de status krijgen van de schrijfhut van Roald Dahl. In een oude oorfauteuil met zijn voeten op een houten kist, op afstand gehouden door een kabel die aan de stoelpoten gebonden was, schreef hij zijn verhalen. Het papier lag op een houten paneel op zijn schoot. Omdat hij in de stoel last had van zijn rug had hij uit de leuning een stuk gesneden om comfortabel te zitten. Dahl is dood, zijn huisje staat op instorten. Kost half miljoen pond om op te knappen. Kleindochter houdt een inzameling en krijgt kritiek. Elke vijf seconde gaat er een boek van Dahl over de toonbank. Dus kassa. Geld zat om het huisje van opa op te knappen. Overigens is kleindochter een miljoenen verdienend model geweest. Geschat vermogen: 4.5 miljoen pond. Niemand wil meedoen met de inzameling. Hoe dan ook, Dahls plek inspireerde hem en hij kon zich afsluiten van de wereld. Twee belangrijke factoren in het schrijfproces.

Mijn gedroomde effect is dat het schrijven geconcentreerder gaat verlopen. Ik dwarrel nu door het huis, lanterfanter, doe even iets in het huishouden (heel soms) of maak lawaai op mijn gitaar (heel luid). En ik moet dan later met moeite de draad weer zien op te pikken. In mijn schrijfkamer zal ik minder afgeleid worden. Het schrijven zal sneller gaan. Of maak ik een denkfout? In het pand wonen en werken vele mensen met allerlei achtergronden. Die wil ik natuurlijk leren kennen. Gevolg van een nieuwsgierige aard. Daar ga je al. Ook kan ik uren naar buiten kijken, naar het park, het water en de weg. Ik kan besluiten om eventjes de stad in te wandelen, immers het is zo dichtbij. Kortom de verleidingen zijn enorm. Dus dat concentratieverhaal is onzinnig. Rest de factor inspiratie. Die zal er voldoende zijn. Laten we het daar maar op houden dat er een inhoudelijk effect is op het schrijven. Zie het als een vlucht uit de buitenwijk, terug naar het leven. Van stilte naar lawaai, vanuit de rand naar het midden.

Misschien zal ik over een jaar toch moeten erkennen dat het hebben van een schrijfbureel niet goed werkt. En zal ik dan kiezen voor een rustig plekje. Een tuinhuisje à la Roald Dahl. Of een klein woninkje op een volkstuin. Lekker in het groen. Maar daarover kan ik niet schrijven, dat doet Aargh al en goed ook. En ze gaat gelukkig gewoon door, ook als haar weblog door cyberterroristen vernietigd wordt. It’s a shame!

Papa gaat op kamers 4

Gelukkig is er een slot op de deur gekomen. Toen ik wat rondscharrelde en aanrotzooide in mijn lege nog niet ingewijde kantoortje, Ik trof Kees, de technische man van CareX in de gangen van het oude Belastingkantoor. Hij droeg een stapel nieuwe cillindersloten en een daarvan was voor mij. Met veel zaagsel als restprodukt, keurig op de grond achtergelaten in de deuropening, liet hij mij achter met sleutel en slot. Na het slot goed geprobeerd en goedgekeurd te hebben, besloot ik later op de middag mijn spullen te verhuizen.

In de auto, die meer dan een gezin kan vervoeren, propte ik de spullen die ik uit onze restboedel had geselecteerd. Bureaustoel, klapstoeltjes, tafeltje, houten boekenrek, lampje, ladenkastje en prullaria. Ter plekke alles naar binnengebracht, nadat ik eerst de kamer lekker schoongezogen had. Boekenrek inelkaar gezet, historische wandkaart aan de muur, kapstokje opgehangen en spullen op de plaats gezet. Zo begon het al heel wat te worden. Het enige dat ik nog moet regelen is een tafel, wel handig in een kantoor. Gelukkig is Mamamini dichtbij het kantoor.

In de Mamamini viel het niet mee een tafel uit te zoeken. Niet te groot, niet te klein. Prijs mag niet te gek hoog liggen, het moet wel leuk blijven. Liever geen echt bureau met ladenblokken eraan vast. Je moet ook gewoon aan de tafel kunnen zitten koffie drinken en de wereld beschouwen of een puzzel maken. Hout of metaal? Kortom: ik moet weer eens kiezen.

Ik heb wel een pracht van een bureaustoel gekregen van vriendin C. dus daaraan zal het niet liggen: zo'n echte directeurstoel, zwart en breed. Daarmee moet het schrijven wel lukken. Maar dat zal ik maandag gaan ontdekken. Dan ga ik mijn eerste stukje schrijven. Met of zonder tafel, een laptop kan per slot van rekening ook op schoot.

Papa gaat op kamers 3

Meldde ik vorige week vrolijk en blij dat ik op kamers zou gaan, nou het is er nog niet van gekomen. Ik heb de sleutel van de hoofdingang, ik heb in de garage mijn meubeltjes staan, maar de kamerdeur van mijn kantoor is nog niet afsluitbaar.

En dat het kantoor niet afsluitbaar vind ik een onprettig idee. Ik ben namelijk iemand die zelfs een oud stadsfietsje met drie hangsloten vastzet, vier keer checkt of de sleutels in mijn zak zitten en niet in het slot, uiteindelijk twee keer naar buiten gaat om te controleren of de fiets er nog staat, terwijl ik vanuit het restaurant, winkel of café een prima zicht heb op mijn oude wrak. Bovendien wie wil er nu een fiets waarvan het slot het duurst is? Nee, ik ken mijn neurotische tics. Dus ik durf nog geen kladblokje achter te laten in mijn nieuwe kantoor, zolang er geen deursloot op zit. Stel je toch eens voor dat er zomaar iets verdwijnt. Niet dat ik waardevolle meubels, apparatuur of kunstwerken ga neerzetten in het kantoortje, maar het is het idee. Een waanidee, ik weet het. Feit is dat ik nog niet echt op kamers ben gegaan. Het moet er nu toch echt van gaan komen. Morgen maar eens een actiepunt ervan maken.

Ook met de werktafel wil het niet vlotten. Ik heb Mamamini diverse malen gecheckt, maar de ideale werktafel annex ontmoetingsplek c.q. hangplek dan wel alternatieve toog is nog niet gevonden. Maar ik ben zeker dat die er gaat komen. Moet ik er wel een actiepuntje van maken. Morgen dan maar.

Papa gaat op kamers 2

In de ochtend meldde ik me voor het voormalige belastingkantoor om kantoorruimte te bekijken. De hoofdbewoonster ontmoette ik nadat ik door lange kantoorgangen en over brede trappen was gelopen. Namens CareX heet zij de nieuwkomers welkom en regelt zij de interne zaken. Met haar inspecteerde ik de kantoortjes. Ik had mijn zinnen gezet op een plek aan de voorkant van het gebouw, ik ben tenslotte een nieuwsgierig typetje. Aanvankelijk leek er alleen nog plek aan de achterzijde, met een zicht op de parkeerplaats. Ach, dacht ik, what the hack, de ruimtes zijn allemaal gelijk, dan maar een minder uitzicht. Ik doe het, zei ik haar.

Met de auto reed ik naar het bureau van CareX. Ter bureau bleek dat de kamer aan de voorkant toch nog vrij was. Juich! De officiële handelingen wist de kundige medewerkster van het bureau snel te verrichten. We plaatsten handtekeningen, wisselden geld voor sleutels. En toen wist ik het even niet meer. ‘Wat moet ik nu doen?’ De service van mijn favoriete CareX-frontoffice-dame strekt ver, maar hierin kon zij mij niet helpen. ‘Gewoon beginnen, spullen verzamelen en aan de slag.’ Mooi advies. Doen we dan maar.

Vanavond reed ik Mijn Lief naar het pand. Vol bravoure opende ik de deur met mijn nieuwe sleutel. Helaas kon ik zonder haar hulp de sleutel niet uit slot krijgen, dus met die bravoure viel het ook wel weer mee. Samen bekeken we kamer. De vloerbedekking is fantastisch in haar lelijkheid: uit mijn hoofd, groene ruiten op rood achtergrondje, of andersom. Systeemplafond, met ingebouwde tl-bakken, lamellen voor de twee ruiten, vier bij ruim vijf meter vloeroppervlakte. Plus uitzicht op het Reitdiep, het Noorderplantsoen en de lucht daarboven. Als dat geen inspiratie oplevert weet ik het ook niet meer.

De locatie is prima, nabij het centrum en park voor de deur. Met andere woorden: kan niet beter. (al ken ik iemand die een ruimte van honderd vierkante meter had met balkon aan de Grote Markt, maar zij woont ondertussen ook gewoon in een buitenwijk, bij mij in huis). Morgen spullen verzamelen.

Papa gaat op kamers….

Een schrijver heeft een werkkamer nodig. Wij wonen in een huis met veel kamers. Huiskamer, slaapkamer, badkamer, zolderkamer, kinderkamer, eetkamer, studeerkamer en ruimtes met kleinere oppervlaktes waar we namen voor hebben als toilet, washok, berging, tweede toilet, hal en gang. In principe kan ik overal schrijven, met mijn laptop of mijn opschrijfboekje. Geen enkel probleem. Maar ik kreeg niet het gevoel dat ik aan het werk ging. Het schrijven ging tussen lummelen en huishouden door. Een tussendoortje leek het. Sinds ik niet meer echt werk, mis ik het ritueel van naar het werk gaan. ’s Ochtends in een grote stoet werklustigen door het Standspark fietsen of met de auto in de file op de ringweg om naar kantoor te gaan. Ik heb daarom besloten om op kantoor te gaan schrijven.

Maar hoe kom je aan een kantoor? Mijn schrijfwinkeltje draait niet op zo’n niveau dat ik hoge vaste lasten kan bijeenschrijven. Gelukkig is er CareX, specialist in het beheren van tijdelijk vrijgekomen panden. Het bureau regelt voor gebouwen die nog geen nieuwe definitieve bestemming hebben gekregen, tijdelijke bewoning of benutting. Studenten, mensen met een kleine beurs, asielzoekers wonen er, kunstenaars richten in de panden hun ateliers in en kleine of startende bedrijfjes houden er kantoor. Ik heb reportages gemaakt voor dit bedrijf, heb vele voorbeelden gezien (zie CareXtoria) en kwam zo op het idee om bij CareX een kantoorruimte aan te vragen.

Binnenkort kan ik al gaan kijken. Ik mag in het voormalige Belastingkantoor aan de Hofstede De Grootkade in Groningen gaan beoordelen of ik de ruimte daar geschikt vind. Ik heb het gevoel als of ik op kamers ga. Ongetwijfeld voldoet de ruimte aan mijn eisen. Die zijn simpel: ruim genoeg voor een schrijftafel, niet hoog in een gebouw en tussen mijn huis en de binnenstad. Alle drie raak. In huis ben ik al aan het rondspeuren wat ik kan gebruiken voor de inrichting. Ik zal mensen in mijn omgeving, bij deze dus, vragen of men nog overbodige edoch goed werkende spullen heeft die ik zo mogen gebruiken. Natuurlijk moet ik ook bij Mamamini langs, de kringloopwinkel, altijd leuk.

Binnenkort fiets ik dus met mijn laptopje om mijn schouder door het Stadspark naar mijn werkplek. Papa gaat naar kantoor. En als hij genoeg woorden heeft geschreven mag hij weer naar huis, mag hij koken.

Dus mijn oproep moge duidelijk, laat weten als je nog overtollig maar goed kantoorspul hebt. Ben benieuwd.

Boeken in de kast

Ons huis is geüpgraded. We lieten vorige week de houten vloer opknappen. Geschuurd en mooi licht is ie nu geworden. Ook de wanden hebben een lekker kleurtje gekregen. Omdat alles er uit moest, moest ook alles er weer in. Nou ja, bijna alles. De flatscreen hebben we achtergelaten in de studeerkamer. Nu hebben wij een woonkamer zonder opdringerige stemmen of flitsende beelden. Geen zappers op de bank, maar rust. In alle rust kunnen we nu lezen of schrijven, of gewoon rustig zitten.

Omdat je niet alle klusjes tegelijk moet doen, moest ik vandaag de boekenkast nog terugbrengen in de kamer. Nee, ik moest niets, ik moest het van me zelf. Het tillen van de kast en de dozen met boeken kostte me moeite. Ik werd perfect geholpen door mijn sterke zoon (die mij kan optillen). Hij sjouwde en hij wees mij erop toen ik badend van het zweet aan het inpakken van de boekenkast wilde beginnen, dat ik moest gaan rusten. Ik volgde zijn advies direct op.

Na de rust keek ik naar de stapels boeken op de tafel. Het hele blad lag vol. Niets vind ik zo leuk als boeken op alfabet zetten, in volgorde van de schrijvers. Muziekje aan, beetje meezingen, en wat meefluiten, af en toe een afkondiging ten beste geven van de oude hits. Boekjes sorteren, op een lijntje zetten. En op een afstandje kijk of het goed lijkt. Ik was tevreden.

Op een afstandje ging ik zitten om te kijken naar de ruggen van de boeken. De volgorde is nu ietsje anders, maar misstaat niet. Boeken maken de kamer warm en compleet. Ineens zag ik dat ik na twee uur iets over het hoofd gezien had. Ik had de kast niet tegen de groene wand, maar tegen de witte muur moeten plaatsen. Oeps.

Vier Mijl hard en heuvelopwaarts getraind

I-pod niet opgeladen. Zonder muziek het park in. Lopen, trainen voor de Vier Mijl. Lange tijd gedacht dat mijn ziekte mij zo had beperkt dat hardlopen er niet meer in zou zitten. Het blijkt nog altijd te kunnen. Een paar keer per week loop ik dus weer. Op de weg gaat het goed, alleen heuvelopwaarts vrees ik voor moeilijkheden. Ik ga uitzoeken of ik het nog kan: heuveltjes lopen

Ik ken de route van de Vier Mijl. Dus ik weet dat op het eind twee hellingen verscholen zitten. Het spoorwegviaduct en het begin van de Herestraat. Die ga ik verkennen. Voor mij loopt een renner in een rood shirt, de afstand bleef tot de Parkweg gelijk. Zijn tempo ligt aardig hoog, ik voel mijn ademhaling oplopen. Tevreden met de snelheid en de soepelheid volg ik hem.

Voor het station langs naar het Hereplein. Om me heen lopen vroege zondagse reizigers, taxichauffeurs hangen rond hun wagens, twee mannen maken foto’s van elkaar. Ik draaf door. Op het plein rijden twee cabrio’s met opgewekte vijftigers over de busbaan. De heren sturen, de dames gebaren naar elkaar. Het belooft een fijn ritje te worden, de warmte neemt toe. Zuiderdiep oversteken, de lege winkelstraat voor me. Zonder winkelend publiek is pas duidelijk hoe het hoogteverschil is. Er moet een heuse bult worden opgerend. Tot aan de MacDonald’s is het omhoog. Rustig dribbelend ga ik voort. Het gaat makkelijk. Geen probleem. Ik heb me weer eens sappel gemaakt om niets. Natuurlijk kan ik dat. Parkinson heeft nog niet alles omgezet in beperkingen. Ik loop, ik loop hard genoeg, ik loop soepel en ik blijf lopen.

Wachten op een ogenblik

Mijn dochter en ik en haar vriendin hebben vanmiddag kroketten en saucijzenbroodjes gegeten in het restaurant van het ziekenhuis. We waren uitgehongerd geraakt na anderhalf uur wachtkamer. De diagnose was snel gesteld: de oogjes hebben een beetje hulp nodig om gewoon tv te kijken of te kunnen lezen. De oogarts, een geduldige grijzende jongeman op leeftijd, nam eens goed de tijd om mijn kleine lief in de ogen te kijken. ‘Mooi’, was zijn oordeel. Ik knikte. Niets aan de hand, alleen een beetje bijziend. Het ‘recept’ met de conclusie, de prijs voor een middagje wachten, borg ik goed op.

Ik vermaak me altijd kostelijk in ziekenhuizen. Met de meiden grinnikte ik om de co-assistent, die om de vier minuten de wachtkamer in kwam, een naam voor las van zijn lijst en vervolgens zonder patiënt af te gaan. Na een korte pauze keerde hij terug met een volgende naam en wederom geen patiënt.

Een fors norse assistente dribbelde rond, gilde af en toe een naam, waarbij ze naar het plafond keek, riep ‘loopt u maar even mee, deze kant op, graag,’ en verdween weer achter haar desk. De slechtziende had haar niet meteen opgemerkt en bleef hulpeloos staan tussen wachtruimte en gang. ‘Kamer veertien, linksaf,’ bromde de dame achter haar computerscherm. Dat kon niet missen, het kamernummer besloeg ongeveer de gehele bovenste helft van de deur, ook met min elf kon je het zien, kan ik getuigen.

‘Kijk, die kamer is BK-13, waarvoor staat die BK?’ vroeg ik de meiden. Opties waren: babykamer, bloedkruiper en de leukste was natuurlijk, Bezemkast. Ja, wachten leidt tot meligheid. De dame aan de andere kant van de wachtkamer, zuchtte zoals alleen in wachtruimtes gezucht kan worden. ‘Vorige keer had ik om half drie een afspraak, ik was om vijf uur aan de beurt.’ Opbeurend. Wij drietjes keken de vrouw aan, pas onder de kroketten durfden we elkaar te vragen waarom de vrouw zo dik geworden was. ‘Laten we het op een ziekte houden,’ zei ik. Ik had een menselijke bui. De dikke dame werd per golfkarretje door een gastvrouw van het ziekenhuis naar de uitgang vervoerd. De meiden keken elkaar aan, ik herkende de blikken, ze wilden ook op zo’n wagentje. Maar dan zonder die gastvrouw. Ze monsterden de gangen, lang en glad. Een avondje skaten in het lege ziekenhuis leek ze ook wel wat.

Iedereen die na ons binnengekomen was, was ondertussen al geholpen. Dat is altijd zo, omdat ik steevast een kwartiertje of drie te vroeg arriveer in ziekenhuizen. Ook vandaag, er moest nog een ponskaartje gemaakt worden. Inclusief wachtmoment, had de geroutineerde en met paarse bril (perfect passend bij de kleding en de huiskleuren van het ziekenhuis) getooide baliemedewerkster maar drie minuten nodig om een id-kaartje te maken. Dus ruim veertig minuten en circa 16 patiënten schuifelden na ons binnen en gingen voor ons de behandelkamer in. Tja, ik creëer mijn eigen wachtlijst.

Vervelend, maar wel een goed alibi om kroketten en saucijzenbroodjes te eten. Zonder wachttijd had dat nooit gemogen. Nee, wachten is leuk.

Een schrijver heeft publiek nodig

Een schrijver zoekt publiek. Er moet een reactie komen. Een lach, dat is altijd fijn, een traan dat is een fraaie beloning of een vloek, dan heb je het echt bont gemaakt. Iemand moet lezen wat je hebt geschreven. Publiceren is dus een must. Een krant of een boek, een tijdschrift of een affiche: de letters van je tekst moeten te lezen zijn. Je moet gelezen worden.

Ik heb mijn kleine publiekjes. Op internet kan ik via mijn eigen netwerkje mijn lezers treffen. Af en toe laten ze weten wat ze van mijn stukjes vinden. Via een mailtje of in levende lijve. Ik leef op als iemand de moeite neemt mij te prijzen. Er zijn dagen bij dat ik het ook prima vind als iemand mij in negatieve zin iets toe bijt.

Leuk wordt het als je voor iemand in het bijzonder schrijft en diegene geniet ervan om het te lezen. Als je samen iets hebt meegemaakt en ik beschrijft mijn interpretatie ervan, en de ander is onder de indruk en kan geen woorden vinden voor het stukje dan heb je het goed gedaan. Ik schrijf veel stukjes en af en toe is het raak. Dat zijn de heerlijkste momenten. Als iemand zegt nog nooit zo iets moois gelezen te hebben, smelt ik. Ik doe alles voor aandacht, en een compliment krijgen is hemels.

Het meest spannend aan stukjes schrijven is het te schrijven voor iemand, die naast je zit, en die het zodra het klaar is als eerste te lezen krijgt. Het voelt een beetje als een proefwerk maken, vroeger op school, als eerste klaar zijn, naar de leraar lopen, inleveren en toekijken hoe hij met zijn rode pen je toets gaat bestrepen. Het oordeel kan hard zijn. Ik kreeg het een keertje terug, met de mededeling, maakt het nog maar eens opnieuw, misschien dat je dan wel iets goed hebt. Met stukjes schrijven is dat eigenlijk ook zo. Ik kijk dan naar mijn publiek, die ene persoon. Ik hoor leesgeluiden. Af en toe een lachje, waar ben je nu, vraag ik dan. Een frons, o jee, toch te scherp neergezet. Een vinger op het papier, shit een schrijffout, komt door mijn linkerpink die doet het niet zo goed meer. Dan houdt mijn publiek het blad nog even voor de ogen, laat het zakken en kijkt mij aan. In termen van ‘leuk, hoor’ of ‘is het autobiografisch?’ of ‘je hebt in ieder geval je best gedaan’ komt er een oordeel aan.

Overtreffend is de stilte, dat is vaak de mooiste reactie. Stilvallen is niet meer weten hoe je moet reageren. Stilte omdat je anders in ongeschikte clichés gaat vervallen. Een blik van je publiek zegt dan genoeg. Het is verslavend om reacties te krijgen. Strelingen voor de schrijver. Een schrijver moet publiek hebben.

Depressies, blues en stralend lichte vloer

In alle vroegte stond ik al op de uitkijk. De parketman zou komen. Onze bruine houten vloer werd met de dag donkerder, op het depressieve af. Sombermans kon er blij van worden, zo donker glommen de planken je tegemoet. Elke zonnestraal die de kamer binnendrong, werd opgezogen in de bitterzure chocoladepuur-kleurige hout. Een nieuwe vloer is natuurlijk niet duurzaam, al die bomen die voor niets gesneuveld zijn, dat is jammer. Ook kost het veel te veel, hout is duur. Dus niets nieuws op de vloer, maar upgraden die hap.

Met een paar muisklikjes haalden we een fijne parketeur in huis. Voor de vakantie kwam hij langs met zijn schuurmachine, zijn borsteltjes en zijn flesjes verf. Hij maakte wat proefstrookjes in onze woonkamer. Met een BIC-pen markeerde hij de strookjes: één tot drie. We kozen voor drie, een lichte kleur.

En daar stond ik om acht uur te wachten. De kamer was vanochtend leeg. Totaal leeg. Alle meubels eruit. Het klonk heerlijk kaal, elke stap galmde na. Het rook er naar verf; de muren kregen een fris kleurtje. Het laatste uur van de donker vloer was geslagen.

Anderhalf uur later denderde de schuurmachine van onze parketspecialist door de kamer. Met een fluwelen touch, schaafde hij een piepklein laagje van onze planken af. Geweldig hoe licht het werd. Ik kwam het werk even checken en een koffie brengen, met een blik op de planken verloor ik spontaan mijn depressie. Bovendien geurde het afgeschuurde hout heerlijk.

Morgen komt hij weer terug, onze plankenman. Dan gaat hij coaten en plintjes maken. De galm is ondertussen nog steeds prima. Vlak na zijn vertrek, ben ik gaan gitaar spelen in de kamer. De woonkamer vormde een grote klankkast. Voor neerslachtigheid is geen plaats meer in ons huis. De geïmproviseerde 12-jar-blues, die ik tokkelde kon daar niets aan veranderen.

De Vier Mijl: Ik kan het niet alleen!

De Vier Mijl komt eraan. Op 9 oktober gaat het gebeuren. In de afgelopen vakantieweken ben ik er in geslaagd om op de weg te trainen. Ik holde met passie door het Stadspark. Alle paadjes geplaveid of niet, die ik nog zo goed kende van weleer heb ik weer opgezocht. Ik rende over het wildrooster, langs de Schotse Hooglander, plassen en grote hopen Hooglander poep ontwijkend. Moeizaam beklom ik het heuveltje koos met plezier het met houtsnippers bedekte pad heuvel neerwaarts. Rustte daar kort uit, op adem komend, hartstochtelijk genietend, dat ik dat nog mocht meemaken, ongekend. Sinds de diagnose Parkinson is intensief sporten er niet meer bij. Ik had eigenlijk de hardloopschoenen gedag gezegd. Maar met hulp van mijn fysiotherapeute en mijn fantasie bleef ik op de loopband doen alsof ik nog altijd een hardloper was. Elke week beloofde ik trouw aan mijn fysio om naar buiten te gaan en op de weg te gaan trainen. Kwam niets van terecht. Tot voor de vakantie ik de geest kreeg en gewoon weer begin. De i-pod mee en op de maat van Coldplay, Tim Knol en Go Back to the Zoo in cadans raken. Stoer voelde ik me, sterk leek ik, soepel hoopte ik te lopen. Ik genoot.

Trainen is afzien. Ik voelde mijn benen af en toe stram worden, toch ging ik door. Zolang ik een vast tempo kan houden, lukt het wel. Ik ga die Vier Mijl halen. Ik ken de route, ik weet de geheimen van de route. Ik kom over die finishlijn op de Vismarkt, ik verheug me nu al op de laatste bocht, linksaf de Herestraat uit en de Vismarkt op.

Maar ik kan daar best wat hulp bij gebruiken. Wat aanmoedigingen. Wat supporters.Ik weet dat er lezers zijn die op zondag 9 oktober niets beter te doen hebben dan te luieren en de weekendkrant te spellen. Traditiegetrouw is het op de Vier Mijl lekker nazomers weer. Prima om langs de Hereweg te staan en mij (en al die anderen) toe te juichen. Als beloning geef ik je een high five, met mijn goeie arm. Voor het leukste spandoek stel ik een fles wijn ter beschikking. (ik kom hem dan zelf met je opdrinken).

Dus wie helpt mij op weg naar de Vismarkt?

Hieronder kun je reageren op deze oproep, klik op het symbooltje met het envelopje.

Het is zondagochtend, en Frankrijk fietst.

Wij rijden over landelijke Franse wegen naar de snelweg. Onderweg komen we in dorpjes, waar de rust nog niet is verdreven en de zon langzaam aan kracht wint, zondagsfietsers tegen. De autoraampjes staan open, de Franse kreunmeisjes zijn zacht hoorbaar in de cabine en we laveren langs Fransmannen op racefietsen. Gehuld in oude tricots, waarop logo’s van weleer prijken. Het is een cliché. Men waant zich kampioen. Roulez, pousez. Een fietser op mountainbike in zwembroek. Bandetta á la Pantani. Oudere grijzende getaande koppen, pezige kuiten, door virages en langs bosschages. Om de bocht komen Godet en Levithan in open expeditiejeep, staand met tropenhelm, als volgauto. Lichtblauwe luiken, roze-rode dakpannen, strakblauwe lucht. Fietsers vertragen de tijd.

Het is zondagochtend, en Frankrijk fietst.

Een non loopt naar de auto, zij fietst niet. Het is half elf en 29 graden. Op een stenen brug, tuurt een rode renner in het water onder zich. Op de rand van de brug prijkt een boeket. Herinnering aan een ongeluk? Op een lage racefiets, gaat een kranige dame voorbij, stijlvol grijs. Beter dan het peloton vrouwen in menopauzestijl. Hangend vlees en vet, geregeld stoppen van de dorst en zere ruggen. Onze auto zoeft langs de wielrenners. Fietsers racen en zwoegen, allen op weg naar het terras. Uit op bewondering, verzetten van de grenzen. Winnen van je zelf, daar draait het om op de fiets.

Het is zondagochtend, en Frankrijk fietst.

Rotsen en gorges passeren wij. We komen uit in de bewoonde wereld. Een stadje loopt vol door de opgebouwde zondagse markt. Een Française uit het boekje, rijdt op haar toerfiets, stuur niet in racekromming gevat, versnellingshendels onder het stuur, mandje voorop. Ze draagt een donkere zomerjurk en een rieten hoedje. Ook zo fietst Frankrijk op zondag. De weg wordt nu kaarsrecht, loopt via een serie rotondes uit op de toegangskronkel van de Péage. Nog even en de raampjes gaan dicht, en we sluiten ons af voor het langzame Frankrijk van zondagochtend.

Nacht in Antwerpen 23-8-2011

In Antwerpen overnachtten wij. Buiten begint de stad zich op te maken voor een nieuwe dag. We liggen in ons hotel bij te komen van de reis van gisteren. Na een dagje asfalt, langs Parijs al ging dat snel, kwamen we in de middag aan in Antwerpen. Op vakantie naar Frankrijk is de ring van Antwerpen een magisch moment, alsof je dan pas echt op reis bent. Nu besloten we om de stad in te gaan. Nabij de voetgangerstunnel onder de Schelde hoteleren we. Op de vierde etage, de cirkeltrap blijft maar stijgen, is onze viermanskamer. Hoge plafonds, dakramen. De geluiden op het Vliet kun je dus niet gemaakt zien worden.

Op het pleintje is een stadsbasketbalveldje. Zoon oefende daar gisteren voor het avondeten zijn kunsten. Onder de bomen op een bankje keek ik toe. Hij wierp de bal naar twee jongentjes, en betrok ze in het spel. Hond P. had lekker gelopen langs de Schelde en lag nu aan mijn voeten. Toen hij het kleine en grote vrouwtje aan zag komen lopen, was het gedaan met zijn rust.

Het restaurant van onze keuze heette de Grootte Arend. We zaten onder de arcaden, in een binnenplaats van een zeventiende-eeuwse woning. Lichte stenen pilaren, rechthoekige raampartijen. Het is waar dat je voor bier goed in Antwerpen terecht kunt. Maar ook de kaaskroketje waren heerlijk. Vis en vlees smaakten prima. We deden wat je moet doen in Antwerpen: genieten aan tafel.

Na afloop keken we nog even op de Markt naar de Gildenhuizen. Mijn geschiedenislessen kwamen te laat op de avond en misten doel, al had ik nog zo’n mooi verhaal over de handwerpende Reus van de Schelde. Helaas. Kletsend liepen we langs de Schelde terug naar het hotel. Kinderen op bed en wij nog even samen een terrasje pakken. We dronken ons biertje in de oude stad. Ineens ontstond er om de hoek tumult. Brandweerwagens reden de straat in, brandweermannen in volle bepakking rolden het materieel uit en hoopten er het beste van. In korte tijd stond de straat vol mensen. Er waren geen vlammen te zien, wel rook het naar vuur en naar smeulend materiaal.

In het hotel werd de nacht onderbroken door geluiden van het plein (men haalt hier ’s nachts vuilnis op), het onweer (en hoe werkt een dakraam ook alweer?), een dreigende onwelwordende hond (gelukkig viel het mee toen hij op ons bed mocht liggen) en de mug die de hele vakantie met ons meereist.

Ondertussen regent het weer hard. Geen leuk weer om te shoppen of om terras op te zoeken. Alhoewel, een paar bollekes in het café voor we Nederland weer in moeten? Of een goede lunch? En eigenlijk moeten we Rubens bezoeken of Plantijn.

Spieden naar borsten en billen in bikinibroekjes 20-8-2011

Het is Zuid-Europees warm. Wij hebben een zomerhuis met schaduw en een zwembad. In de tuin valt het uit te houden, zolang je niets doet dan een boek lezen of voor je uitstaren. Het windje verkoelt niet langer. Als een klein broertje van de mistral veegt het briesje de warmte naar je toe. De zon draait en dwingt je telkens tot een stoelendans. In elke hoek van de tuin hebben we nu wel gezeten. Het is nu half vier, het ergste is achter de rug.

De stilte op de camping wordt herhaaldelijk doorbroken door zwemgeluiden. Gelach, geplons en af en toe een gil of en huil. De weg naar het water is niet lang, maar wel een tocht door de zon. Je weet van te voren dat je verkoelt uit het water komt, maar dat je halverwege terug al net zo bezweet bent als voor het zwemmen.

Een handjevol kinderen speelt bij het water. Jongentjes duiken hun met steentjes gevulde flesjes op, lachen elkaar uit om hun flutbommetjes. Twee meisjes van een jaar of zeven spelen beauty-centrumpje. Aan de rand van het bad, in een stenen weggetje hebben ze een kuil gevuld met water. Ze liggen er om de beurt in, bedekken de ander met modder, stenen en rotte bladeren. Daarna duiken ze in het bad.

Een moeder drijft in het water. De lippen gestift tegen de uitdroging van de zomerzon. De bikini kan nog net, over een jaar moet het badpak aan. Ik zit aan de rand van het bad, laat me opdrogen en kijk naar de kunstjes van mijn dochter in het water. Haar geplons zorgt voor frisse spetters. Ik denk terug aan de puberjaren die ik vulde met zwembadbezoek. Al had ik altijd wat te lezen bij me of iemand om mee te kletsen, ik hield door mijn brilletje alles in de gaten wat er aan andere sexe rondliep en –dreef. Sommige gewoontes doven niet uit, die hersencellen bestaan nog altijd. Ik zal het lijstje van vanmiddag aan borsten en billen voor me houden. Was ik nou een borsten- of billenman? Toch nog eens navragen.Wat ook nog altijd hetzelfde is dat het mooiste (al was dat vanmiddag eigenlijk heel relatief) meisje een hele onaantrekkelijke vriend bleek te hebben. Kinderachtig deed ze alsof ze of ze verdronk, hij moest haar redden. Overdreven acterend ontspon zich een reddingsoperatie die eindigt met een natte kus en een tik op het bikinibroekje. Naast mij zat een andere vader, ook met de beentjes in het water. Bij het zien van de scene dook hij snel het frisse water in.

De vrouw was ondertussen gered, haar man met zijn fletsblauwe zwembermuda zat alweer op het bankje achter zijn zonnebril. Het boek lag ongelezen, zij het opengeslagen op zijn schoot. Ik weet bijna zeker dat hij ook monsterend rondkeek. In ieder geval zag hij niet hoe zij vrouw met haar kinderen een rondedansje in het water maakte. De twee kleine meisjes veegden elkaar schoon met een handdoek die een half uurtje geleden smetteloos was.

Geheel verfrist loop ik het campingweggetje op naar ons huisje, op naar de schaduw. Ondertussen kijk ik goed rond of er niemand gered hoeft te worden.