Is afscheid nemen een probleem?

Woensdag neem ik afscheid van mijn werk. Noodgedwongen stopt mijn arbeidzaam leven. Ik weet door de afgelopen periode wat het is om niet regulier te werken. Eerst wilde ik niets van een afscheid weten. Al die aandacht trok me niet. Later begreep ik de waarde van afscheid nemen. Het moment van stoppen moet gemarkeerd worden. Het is beter dan geruisloos verdwijnen van je werkplek.

Vandaar een heus afscheid. Met hapjes en drankjes. Uitnodiging. Handjes schudden, gasten en een praatje. Ik ben dol op speeches, ik heb de mijne al af. Foto’s en een gastenboek. Aan mijn genodigden heb ik de vraag gesteld per sms te reageren op de vraag: is afscheid nemen een probleem? De afgelopen dagen kreeg ik de eerste tekstberichten binnen. Mooie woorden, fijne citaten.

In mijn hoofd ben ik er flink mee bezig. Ik ben benieuwd hoe het zal zijn. Wat staat me te wachten? Het is een verjaardagsgevoel: wie komt erop mijn feestje en wat zal ik krijgen? Toch is er ook de verdrietige kant. Ik heb er niet voor gekozen. Het is mij ook maar overkomen. Tussen die twee polen ga ik heen en weer.

Is afscheid nemen een probleem? Ik ben benieuwd welke reacties ik hier krijg op deze vraag. Laat het weten.

Samen op reis 6

Een weekje weg is voorbij voor je het weet. Het is alweer de laatste avond. Morgen moeten we op tijd op de luchthaven zijn. Het vliegtuig naar Airport Groningen vertrekt rond tien uur. Op Corfu is het vliegveld gelukkig overzichtelijk. Een langgerekte hal, die parallel aan de landingsbaan ligt. Geen megaplazza a la Schiphol met shopping malls die je door moet ploeteren om bij de langeafstandspaden naar de gate te komen. Ook geen slurfen die je naar het vliegtuig leiden, gewoon een trap die na landing naar het vliegtuig wordt gereden. Een bus vervoert je van de terminal naar het vliegtuig. Terwijl je instapt zie je dat de koffers geladen worden. Kun je meteen checken of alles meekomt.

De koffers zijn alweer gepakt, de kleren liggen klaar en de tickets veilig in het paspoortentasje. Nou ja tickets. Tegenwoordig kom je met een printje bij de incheckbalie. Ik blijf me verwonderen dat je met zo'n kopietje gewoon aan boord kan komen. Het papiertje dat we morgen moeten overhandigen lijkt bijna een aanmeldstrookje voor de ouderspreekavond met de mentor op de school van de kinderen. Maar het werkt; we zijn er ook gekomen.

Morgenochtend nog een ritje over bochtige Griekse wegen, nog een keer genieten van de mooie uitzichten op de zee en ons nog een keer verbazen over de bewegwijzering in Griekenland. Maar eerst moet de fles witte wijn nog op, die is al aangebroken dus een bacchanaal zal het niet worden. Ook die orgie kunnen we wel vergeten. Het zal wel weer uitmonden op een symposium. Dat goede gesprek hebben we nog niet echt gehad. Of we hebben het gewoon niet nodig.

we moeten echt met elkaar praten 6

6

Ik stapte op het zand en keek de baai in. De inham was klein; het strandje bood eigenlijk net genoeg ruimte voor twee personen. Er lagen twee badlakens uitgespreid. Een kleine blauwe parasol zorgde voor schaduw. Onder de parasol stond een koelboxje. Ik zag de champagnefles in het zand gegraven, waarschijnlijk hoorde ik het openknallen van de champagne zonet toen ik langs het rotspaadje ploeterde. Twee glazen stonden naast de fles. Heel zachtjes klonk een loungemuziekje. Alles leek klaar te staan voor een intiem feestje voor twee. Probleem was dat ik hier alleen was. De schaduw die ik had gezien was verdwenen.

Ik bleef een tijdje staan kijken. 'Waarom ook niet?' sprak ik tegen me zelf en ik ging liggen op een van de badhanddoeken. Ik was moe, bezweet en toe aan wat eten en drinken. Mijn hand ging naar de koelbox. Ik opende de plastic bak. De koelte kwam me tegemoet. Op de blokken ijs, lag een doosje, keurig ingepakt. Mijn naam stond er op. Ik haalde het papier eraf en zag mijn verloren gewaande horloge liggen.

'Kijk, die is weer terug, heb ik voor je geregeld.' Ik draaide met om en keek in haar gezicht. Een dikke grijns stond op haar gezicht. Het water droop van haar bruinverbrande lijf:
'Feliciteer je me niet?'
Ik keek haar vragend aan. Ik had haar verjaardag niet vergeten, onze trouwdag niet, het was ook niet de geboortedag van de hond, waarmee moest ik haar feliciteren. Natuurlijk, we hadden toch iets te vieren, het was dertien jaar geleden dat ze mij had uitgenodigd om iets te gaan drinken in de stad. Feitelijk het beginpunt van onze relatie, al was er die avond niets gebeurd. Wel was de vonk toen overgesprongen. Pas drie weken later zoenden we elkaar voor het eerst en hartstochtelijk. Ik vond dat die datum de echte start verdiende. Zij vond dat het avondje uit de eer verdiende. Vandaar dat ik niet meteen begreep wat ze had bedoeld.

'Liefje, gefeliciteerd met mij,' zei ik. We zoenden elkaar.

'Fijn dat je me hebt gevonden. Leuk he? Zo'n zoektocht.' Ze keek mij verwachtingsvol aan. 'Snap je het al een beetje?'
Ik snapte niets. Ze kwam naast me zitten onder de parasol en legde uit dat ze vannacht mij had horen weggaan. Omdat ik dat wel vaker deed, even een wandeling in de nacht door de tuin en mij 's ochtends daar weinig van kon herinneren, had ze voor de grap het horloge van het nachtkastje gepakt en gedaan alsof ik die kwijtgeraakt was tijdens een nachtelijke kroegbezoek. Toen ik terugkwam had ze gedaan alsof ze heel boos was en had een verklaring geëist.
'Ik bedacht toen om je te verrassen en je voor de gek te houden, zei ze. 'Ik parkeerde je daarom op dat terras en had de ober de opdracht gegeven je bier te blijven schenken tot ik ongemerkt kon wegrijden. Met die gasten van de kroeg sprak ik af dat ze mij hierheen brachten. Bovendien regelden ze al deze spullen.'
Ik begreep dat de Engelsman door de ober als een bewaker bij me neer was gezet en dat spontane aanbod van de scooter bleek ook al niet zo spontaan te zijn.
'Maar dat sms-je dan, dat was toch wel echt?'
'Soms ben je ook zo dom, iedereen kan toch een bericht sturen zonder dat de afzender bekend is? Zelfs ik!'
'En ik maar zoeken en ploeteren, ik had wel dood kunnen zijn.' Ik vertelde van de aanrijding en liet mijn pleisters zien. Ik keek haar boos aan.
'Gelukkig zit je hier nu heelhuids, althans bijna, stop met sippen. Kom op, laten we klinken op de liefde. Hier drink op.'
Ze straalde en hief haar glas op dat ze vol bruisende champagne had ingeschonken. 'Op nog veel liefdevolle jaren.'
'Vooruit dan maar,' capituleerde ik, 'op ons geluk.'

we moeten echt met elkaar praten 5

5

'Okee, die baai kennen we, wij komen er net vandaan.' De Nederlandse dame plakte de laatste pleister op mijn gehavende elleboog. 'Kusje erop en klaar,' zei ze, 'Grapje.' De scooter lag als een wrak in de berm.
'Moeten we die ook meenemen?' vroeg de bestuurder, 'We kunnen hem zo achterin mikken.'
'Ja, ik moet hem nog terugbrengen, graag.' Ik hoopte maar dat de Griek begrip zou hebben voor mijn ongeluk. Hij zou vast reageren met het gebruikelijke 'no worry'.
'Het minste wat we kunnen doen is je naar die baai brengen, is dat goed? Ik knikte naar de vrouw. De 4x4 werd in de achteruit gezet en met het grootste gemak reden we de heuvel op.

'Dit is de afslag, vind je het erg om te lopen naar beneden? Zelfs voor onze wagen is het een klote helling, toch?' Ze keek naar haar man, die knikte. Hij zei: 'Wij rijden de scooter naar het dorpje en leggen het daar wel uit, met onze verzekering moet dat lukken.'
Ik stemde in met het voorstel en hoopte het beste ervan. Ik stapte uit en keek hoe het stel vertrok. Met een pijnlijke arm en een hoofd dat door de drank, de rit en de zon, op barsten stond van de koppijn, begon ik aan de afdaling.

Onderaan de weg kon ik de zee door de bomen heen zien. Het pad naar de haven was smal, maar goed begaanbaar. Met moeite kon een auto erover heen rijden. Al snel zag ik de haven, een half ronde pier zorgde ervoor dat de scheepjes veilig afgemeerd konden worden. De bootjes lagen er net als gisteren, de reddingssloep lag er tussen de vissersbootjes. Alleen was er geen mens te zien. Ik speurde of ik een Datsun pick-up zag. Aan het begin van de pier zag ik de wagen staan, verlaten. In de cabine, lagen op de bestuurdersstoel haar pumps. Ik moest even uitrusten. In de open bak van de Datsun lag een baal stro. Ik klom in de bak en maakte van het stro een zacht bedje. De wagen stond half onder de bomen. De schaduw en het zeewindje maakte het een heerlijk rustplekje. Even de ogen dicht, dacht ik, straks weer verder.

Het lawaai van de startende motor wekte me. Ik voelde de laadbak trillen. Door het raampje van de cabine zag ik het zwarte haar van de bestuurder. Met een korte schok zette hij de wagen in de achteruit, manoeuvreerde kort en reed langzaam weg. Voor de eerste bocht minderde hij vaart. Hoewel ik stijf geworden was door mijn ongeluk en de korte slaap wist ik toch kwiek uit de bak te springen. In de berm hurkte ik, keek gespannen of de Datsun-man mij gespot had. Hij reed gewoon door.

Zo snel als ik kon liep ik terug naar de haven. Bij de reddingssloep stonden nu de pumps die ik eerder in de auto had zien liggen. Er naast lagen keien in de vorm van een pijl. De pijl wees naar het begin van de pier, waar een rotspad begon. Ik besloot het pad te volgen. In de haven was verder niets dat wees op haar aanwezigheid. Ik klauterde over de rotsen, gleed af en toe weg. Maar ik zette door. Ik begon zelfs lol te krijgen in de zoektocht. Na enkele honderden meters zwoegen maakte het pad een bocht. Het liep dood op een enorme bremstruik. Ik ging naast de gele pracht zitten op een rotsblok. Ik keek uit over de zee, zag in de verte de contouren van een immens cruiseschip en hoorde toen een geluid dat door merg en been ging. Achter de bremstruik kwam het vandaan. Voorzichtig zocht ik een weg door het geel. Ik moest vlak langs het randje van de rotspunt gaan om er langs te komen. Even dreigde ik weg te glijden. Een kleine lawine van steentjes plonsden in de zee. Het geluid was gestopt. Door de laatste takken van de brem heen zag ik een verscholen strandje liggen. Ik moest nog om een tweede brem heen om op het zand te kunnen stappen. Toen ik nog een keer naar het strand keek zag ik een schaduw op het strand die niets aan de verbeelding overliet. Ik wist dat ik ging zien waar ik al zo lang bang voor was.

Donar en radio noord op Corfu

Op Corfu luisteren naar Radio Noord, ik had het nooit kunnen bedenken. Mijn vaste plek op de tribune naast mijn zoon wordt nu bezet door mijn vader of door een vriendje van mijn zoon. Natuurlijk baalde ik toen ik mijn vakantieschema en het play-off-traject elkaar zag bijten. Maar ik geniet van het eiland, het eten en de zon. Toch zat ik de hele dag de kriebels, zal Donar het redden? Wordt het 2-2 of kan Leiden de derde zege boeken en aan nog een overwinning genoeg hebben voor de titel? In dat geval is het voor mijn publieksrol gedaan. Volgende week zaterdag kan ik theoretisch de club kampioen kunnen zien worden. Als het nu maar winst wordt.

Lang leve internet, zo heb ik toch contact met Martiniplaza. Ik hoor nu Martin de Vries zijn commentaar geven. Hij is voorzichtig enthousiast. Hij prijst de spelers: goed verdedigen, scherp schietend, ze maken een kans. Tien punten verschil, het kan dus alle kanten nog op. Ik ga in de Griekse zon zitten met een oortje in en Radio Noord paraat, als het weer die Sneeuwstormwinter van '78-'79 is. De transistor stond toen continu aan op Noord. Ik krijg het koud bij de gedachte, snel het terras op. De tweede helft staat op het punt van beginnen, ik hoor het gejuich al weer.

GO-GO-GO-Donar-GO!

We moeten echt met elkaar praten 4

4

Nog voor ik een houding kon aannemen om mijn roes uit te slapen, hoorde ik een brommergeluid, ik rook de benzinedamp. Naast mij stonden twee Grieken, ook al getooid met een midas-baardjes, zo'n jaloers makend stoer vijf-uursbaardje dat zuidelingen direct na het scheren op de wangen hebben liggen en waarmee ze ook bij mij warme gevoelens losmaken. De Grieken wezen op de scooter die zij ronkend naast mijn terrastafel draaiende hielden. Ik had de gevaarlijke voertuigen op het eiland zie rondscheuren. Sommige hadden een transportmandje achterop, andere vervoerden hun lief, die vervaarlijk links voorover gebogen, lieve dingen in de oren van de scooterist fluisterden.
'Go that way, to the Sint Miklas-bay, there you'll find her, good luck.'
Ik had geen flauw idee hoe het ding werkte, op goed geluk draaide ik aan het handvat. Een walm rook trok over het terras. Een van de Grieken wees op een handle en maakte een remmend geluid. Dat er een versnelling op zat geloofde ik wel. Ik trok een voorzichtig rondje over het pleintje. De Grieken en mijn Engelse drinkebroer applaudisseerden.
'Go, Dutchie!' De mannen wezen naar de weg langs de kerk. Voor ik er erg in had, was ik het dorp uit. Ik had talent, de rechte weg ging over in een bochtig parcours. Met moeite hield ik de helse machine in bedwang. De tegenligger toeterde, waardoor ik terecht kwam in de berm. Hij reed door. Ik trok de scooter recht en vervolgde mijn weg, mijn weg naar waar naar toe? Op de schaarse bordjes kreeg ik geen informatie. Ik volgde mijn intuïtie. De zee kon overal zijn rondom het eiland, maar iets zei me dat ik naar de oostkust moest. Immers daar hadden we gisteren een tochtje naar gemaakt. In het kleine haventje lagen vissersbootjes en het schip dat als reddingsschip dienst deed. Ze had daar langdurig staan fotograferen, vooral de kleurrijke details die in de vissersnetten geknoopt zaten.

De baai van Sint Miklas stond op geen enkel bord. De enkeling die ik tegenkwam was of net als ik toerist of begreep niets van mijn Engels. Ik doolde rond. Het enige dat ik onthouden had van die baai was dat de toegangsweg stijl naar beneden liep. Op goed geluk probeerde ik een weg waar een bord waarschuwde voor een helling van tien procent. Al snel had ik door dat ik verkeerd zat. De weg maakte teveel bochten. Halverwege besloot ik te keren. Met alle kracht in de scooter probeerde ik omhoog te komen. Bij elke bocht minderde ik zoveel vaart dat ik bijna achteruit dreigde te rijden. Ik kwam nauwelijks vooruit. Uiteindelijk moest ik afstappen en de scooter omhoog duwen. Elke stap werd de machine zwaarder.

Ondertussen scheen de Griekse zon nu op volle kracht. Ik transpireerde uit alle gaten. Mijn handen gleden steeds meer af van het stuur. Met mijn ogen dicht, als ik zo meer kracht kon zetten, duwde ik door. Het geluid van een gierende auto hoorde ik wel, maar ik zag de terreinwagen pas toen ik geen kant meer uit kon. Met een enorme knal eindigde mijn krachttoer. Ik hoorde in het Nederlands gevloek.
'Ik zei nog zo, rij niet zo hard, zie je nou wat er van komt, eikel!' De vrouw stapte uit de jeep en boog zich over mij. Ik glimlachte, kroop onder de scooter vandaan en vroeg: 'Mag ik een lift naar de Baai van Sint Miklas?'

Samen op reis 5: meeting Achilles (en Sissy)

Sissy haar paleis nabij Corfu-stad deden we vandaag aan. In het paleis, opgetrokken in een Pompeii-stijl en ja het was pompeus, leefde ze de laatste jaren van haar leven. In het kasteel en in de tuin wemelde het van de klassieke beelden. Favoriete figuur van de keizerin was Achilles. In de achtertuin staat een beeld van de onoverwinnelijke held, al viel het mee met die krachtpatserigheid. Levensgroot is namelijk de pijl die in zijn hiel steekt. Ook sterke mannen hebben zwakke plekken. Wat ze zag in deze macho-krijger is een raadsel. Je associeert haar toch eerder met bloemenpracht waarbij ze kinderlijk enthousiast in de handen klapt en roept: 'Ach, wie suss.' Maar nee, Achilles dus, de hunk uit de oudheid is haar idool. Misschien ter compensatie van haar gemaal, de zij-ige FJ, of laat ik mijn historische beeldvorming nu geheel scheef trekken door de technocolor-variant? Vanaf het achterbalkon leidt een imposante trap naar de centrale hal. Op de wanden is een fresco aangebracht. Meer dan levensgroot zie je Achilles rijden op een strijdwagen. Hij houdt de helm van een overwonnen vijand omhoog, het lijk van zijn tegenstander is aan de wagen vastgebonden en wordt over de grond meegesleept. Het publiek juicht.

Kaiser Wilhelm II, de Duitse, kocht het paleis later op. Ook hij ging mee in de Achilles-verering. Een gigantisch A-beeld plaatste de Duitser op het randje van het terras. Heldhaftig richt deze mega-Achilles zijn zwaard richting het noorden. Vreemde symboliek, alsof ook Wilhelm de angst wilde bezweren; de vrees voor het altijd op de loer liggende ongeluk. Onthoud dat je tegenstander je zwakke plek zal gaan zoeken. Wilhelm II had zich gewapend tegen alle bedreigingen. Maar, zowel Wilhelm als Sissy, groots en onaantastbaar, liepen in het mes. De een werd vermoord in Genève door een anarchist, de ander stortte zich in een oorlog die uitliep op chaos en de ondergang. Wilhelm II moest zijn laatste jaren slijten in Doorn. Ook een mooie omgeving, maar de grandeur die hij onder andere op Corfu kon genieten was er niet meer bij.

In de stad Corfu vonden we na het paleisbezoek, in de drukte een rustig plein met een fijn restaurant. De pizza's smaakten prima. Met volle buikjes stortten we ons in de toeristische massa, al bleef het met de drukte mee vallen. We scoorden onze cadeautjes. Tussen de bezoekjes aan winkeltjes door hielden we ook oog voor belangrijke zaken. Zo liepen we door de wijk waar de joden ooit woonden. Ook hier woedde in de Tweede Wereldoorlog de vernietiging. Tweeduizend joden keerden niet meer terug. Mooi om te zien dat de huidige synagoge, goed verzorgd, weer een gemeente kent van zo'n zeventig man. Om de synagoge heen is veel kaalslag. In de joodse wijk vond in het laatste oorlogsjaar een bombardement plaats. Ruines staan als ooggetuigen in de stad. Een karkas van een huis, vele etages hoog, staat als herinnering aan de joodse schrijver, Albert Cohen.

Naast joodse resten, zagen we ook Grieks-orthodoxe kerken, met iconen, kaarsen en zilveren wierookvaten. De geestelijken liepen in hun zwarte gewaden en hun platte hoofddeksels door de stad. Mystiek, duister maar tegelijk midden in het leven. Tijdens onze lunch wandelde een monnik over het pleintje, in vol ornaat, met een boodschappentasje van de Lidl.

De dag sloten we af met een duik in het zwembad bij ons huisje. Heerlijk rustig, al het water voor ons alleen. Al doken de zwaluwen voortdurend het zwembad in om zich te verfrissen. De idylle werd compleet toen een kudde schapen en geiten voorbij kwam. De schapen stelden zich tevreden met het gras, de geiten, de Achillessen onder de tweehoevigen (of toch een hoef?), klommen op hun achterpoten om de blaadjes van de bomen te vreten. Wij weten dat een pijl (of beter: een spit) hun deel zal zijn. Achilles is overal.

We moeten echt met elkaar praten 3

3

Als een jong hondje liep ik achter haar aan. De auto stond geparkeerd onder de olijfbomen. Venijnig tikten haar hakken op het trapje naar de marktplaats. Ik wist dat er zo dadelijk geloerd zou worden door de oude Griekse mannen die op het bankje voor de kerk hun vaste plekje hadden. En terecht. Ze droeg haar kortste rok en een hempje waarin haar borsten alle ruimte leken te hebben. Met elke stap spande ze haar kuitspieren. De vormen van haar billen wekten verlangens in mij op die ik sinds deze ochtend wel kon vergeten. Haar ogen gingen schuil achter haar grote zonnebril. Midden op het plein stond ze stil en keek om haar heen. Op mijn slippers volgde ik haar. Ook ik keek rond en hoopte dat ze het niet zou zien. Naast de oude mannen stonden wat afgereden auto's, onder andere een rode Datsun pick-up, die je meer zag rondrijden op het eiland.

'Okee, herken je het hier? Ben je hier geweest?'
'Nee, ik denk het niet. Maar laten we naar binnen gaan om wat informatie te krijgen.'
'Ik weet het beter. Jij gaat hier op het terras zitten en ik ga die vragen wel stellen.'
'Hmm, jij je zin.'

Ik vond het wel goed. De nacht was mij niet in de koude kleren gaan zitten. Een koud glas Mythos-bier zou er wel ingaan. De ober begreep mij en kwam snel terug met een halve liter. Daar zou ik het wel even mee volhouden. Vanaf mijn tafeltje zag ik hoe ze binnen aan de bar, half over de toog leunend, met de ober stond te kletsen. Ik wist waar de blik van de man op zou rusten. Ze wist prima hoe ze het vertrouwen van iemand moest winnen. Aan haar gebaren kon ik zien dat ze omslachtig uitlegde wat ze wilde weten. Met haar vrolijke lach en pretoogjes zou ze de man binnen no time ingepalmd hebben. Ze stak haar duim naar me op. Ik lachte zwakjes, wist niet precies wat ze bedoelde. De ober stond nu naast haar, wees naar buiten, en liep naar mij toe. Een tweede fles Mythos-bier belandde op mijn tafeltje. We grijnsden na elkaar.

'Alstieblieft,' zei hij en gebaarde met een handbeweging naar de fles. Altijd fijn als locals de moeite nemen om je in je eigen taal toe te spreken, 'Dankoewel,' zei hij onterecht toen hij terug naar het cafe liep. Ik tuurde in het donker van de kroeg, maar zag haar nergens meer staan. Waar was ze? Toilet? Of sprak ze iemand anders, dieper in de zaak?

Na mijn vierde fles, kon ik geen Mythos meer zeggen. Wel moest ik enorm nodig naar het toilet. De flessen die de ober mij zonder nadere bestelling had gebracht, stonden in een rijtje op het tafeltje. De kerkklok had een half uur weggetikt. Naast mij was een Engelse toerist komen zitten die in moeilijk verstaanbaar Engels tegen mij aan zat te kletsen. Ook bij hem telde ik vier flesjes. Toen ik terugkwam van het toilet en weer bij hem ging zitten schonk hij net weer in.
'There you go mate,' en hij proostte met de vijfde fles. Ik protesteerde maar zette het glas toch aan mijn lippen.
'Are you alone here?'
Ik vertelde dat ik met mijn vrouw hier was. Haar beschrijving ontlokte een duidelijke reactie bij hem.
'The brown hair chick with the long legs and high heels?'
Zo had ik mijn vrouw nooit bekeken. Ik vroeg of hij haar gezien had.
'You just missed her, she drove away in the red Datsun, with a beardy Greek.'

Hij wees in de richting van de kerk. Inderdaad de rode Datsun pickup stond er niet meer. Het vijfde biertje smaakte minder. De ober kwam om de flesjes op te ruimen. Toen ik mijn portemonnee vertelde hij dat de dame alles had betaald. Op de bar, zei hij, had ze bij het houten Mariabeeldje iets achtergelaten voor me. Ik liep naar binnen en zag tegen het houtsnijwerk een bierviltje staan. Geen woorden maar een tekening. Ik herkende een uurwerk en een auto. Onderaan had ze een zee getekend, in de golven een reddingsboei. Meer had ze niet achtergelaten.
'She left you?' De Engelsman was achter mij aangelopen en grijnsde. Ik keek over zijn schouder in de spiegel en zag mijn rode ogen. Te zat om te rijden. Ik kon maar beter wat uitrusten en afwachten.

We moeten echt met elkaar praten 2

2

'Dus je staat op en kan je niet herinneren wat je hebt gedaan?'
Ik knikte, ik wist dat het ongeloofwaardig was, maar het was waar. Ik kon alleen herinneren dat ik van de parkeerplaats over het onverharde pad naar de villa opliep. De keien en gaten in het weggetje zorgden ervoor dat ik herhaaldelijk zwikte. Halverwege struikelde ik over een boomwortel. Ik viel voorover. Mijn polsen klapten dubbel, kleine steentjes bleven achter in mijn handpalmen. Vanaf dat moment wist ik weer wat ik deed. Ik voelde in mijn zak. Geen mobiel of portemonnee, wel een autosleutel.

'En ik moet dat geloven? Heb je dat vaker dat je weggaat 's nachts.'
'Nee, niet dat ik weet.'

Ze zuchtte. Schudde haar hoofd. Liep langs me heen, opende de terrasdeur en ging naar buiten. Ik bleef binnen. Ik stonk. De nachtelijke tocht liet zich ruiken. Rook en alcohol, en iets ondefinieerbaars. De behoefte aan warm stromend water, tandpasta en zeep was groot. Ik trok mijn kleren uit. Ongekleed liep ik naar de koffer om schone spullen te pakken. De handdoek viste ik van het waslijntje op het zijterras. Toen ik binnen naar de douche liep zag ik in de vensterbank mijn telefoon, ik pakte het apparaat op. Ik sloeg de handdoek over mijn schouder en keek op het display Er was net een bericht binnengekomen. Het nummer werd niet meegezonden. De tekst was in matig Engels geschreven. Ik las het tekstje meerdere malen. Langzaam drong het tot me door. Het kwam erop neer dat ik mijn horloge kon komen ophalen, na het middaguur als de Polikator weer open ging. Als afsluiting stond er de naam Miklas Ik wilde het bericht wissen, het leek me beter dat ik het zou verzwijgen. Maar om zeker te zijn liep ik naar het bed en zocht op het nachtkastje naar mijn horloge. Het designers uurwerk lag er niet. Terwijl ik zeker wist dat ik het er voor het slapen had neergelegd. Ik begon zenuwachtig rond te rommelen, zachtjes mompelde ik verwensingen, allemaal gericht op mezelf.

' Zoek je wat?'
Ze stond ineens achter me. Haar zonnebril in haar haar gestoken. Haar blik was gericht op mijn knieen die door mijn valpartij ook gehavend waren.
'Weet jij wat Polikator is?'
'Nee, hoezo?' Ik liet de mobiel zien. Ze knikte, ik ook.
'Geen flauw idee. Ik denk iets Grieks.'
'Mijn horloge ligt hier niet, heb jij die?'
We begrepen tegelijk dat ik die nacht het kleinood ergens achtergelaten had. De kans was groot dat ik in een cafe terechtgekomen was, wat gedronken had en niet kon betalen. Als onderpand een horloge achterlaten en het mobiele nummer, leek voor de hand te liggen. Maar ik had geen flauw idee van Polikator of Miklas. Althans, dat is wat ik haar zei.

'Ga je douchen, je stinkt als een otter. Als je bent opgeknapt gaan we naar het dorp. In de dat kleine cafeetje aan de markt kunnen ze ons vast meer vertellen. Schiet je op, ik heb geen zin om in de brandende hitte daar te lopen. Nu is het nog koel. Als het straks heet wordt, wil ik bij het zwembad zitten.'
Ik wist zeker dat we die middag geen zwembad zouden zien.

We moeten echt met elkaar praten 1

'En, moet je mij nu niet iets vertellen, moeten we niet praten?' De vraag hing al een tijdje boven de ontbijtbordjes. Ik peilde of het een grap was. De harde ondertoon in de zacht gefluisterde vraag drong nu pas door, als pit in een olijf. Ik kauwde mijn net gesmeerde broodje met zoute Griekse kaas weg, nam een slokje sap. Met mijn puntje van mijn tong veegde ik mijn lippen schoon. Het kleine witte botervlekje in mijn mondhoek sloeg ik opzettelijk over.
'Praten? Nee, ik denk dat nou te laat is,' antwoordde ik. Ik keek langs haar heen, en keek naar het groene landschap dat sterk afstak tegen de bijna staalblauwe hemel. Een paar wolkjes waagden het om langs te trekken.
'Te laat voor een gesprek is het nooit.'
'Wel in ons geval.'
'Toch vind ik dat ik recht heb op een verklaring.'
'Waar haal jij het idee vandaan dat jij rechten hebt?' Ik hoorde het mezelf zeggen, 'Rechten, het zal me wat. Ik doe wat ik wil en hoef je niet te vertellen wat ik doe.'
Ze zweeg. Heel kort keek ze me aan. Ze schoof haar stoel naar achteren, stond op en liet mij achter met de resten van het ontbijt.

Ergens had ze wel gelijk. Ik was die nacht weg geslopen uit ons bed. Ineens stond ik op, alsof ik gewekt was door een onzichtbare hand. Even later deed ik de deur van het huis achter me dicht en stond ik in de door de maan zwak verlichte tuin. Ik ben een goede slaper. Als ik na een kwartier niet slaap is er sprake van een slechte nacht. Uitslapen is er niet meer bij. De biologische klok staat al jaren afgesteld op acht uur slaap. Ook vanochtend had ik na acht uur moeten wakker worden in het echtelijke bed. Toen ik het bed verliet had ik goed een uur gelegen. Kennelijk uitgeslapen.

Ik was niet in het huis toen ze wakker werd, haar ochtenddouche nam, zich aankleedde en opmaakte voor de dag die ging komen. Natuurlijk, het was vakantie en dan is alles anders, maar weggaan zonder briefje of wat voor mededeling dan ook, dat beviel haar niet. In haar handtas zocht ze naar mobiel. Geen sms, geen gemiste oproep. In de vensterbank zag ze mijn mobiel en portemonnee liggen. Verbaasd en boos over mijn onaangekondigde vroege start liep ze door het gehuurde zomerhuis. Om wat te doen te hebben zette ze de ontbijtbordjes en broodjes met de gisteren gekochte jam en kaas op een dienblad. De jus schonk ze in, zette koffie en plaatste alles op de terrastafel. Op het terras keek ze naar de hond die zijn vaste plekje in de schaduw van de boom al had uitgezocht. Ze beet op de nagel van haar duim.

Het idee om naar het Griekse eiland te gaan was ontstaan in de winter. Tijdens de sneeuwperiode, die elk jaar langer leek te duren, boekte ze als verrassing voor mij het weekje naar de zon. Aanvankelijk reageerde ik positief. Samen bekeken we op internet toeristische sites en maakten een lijstje van bezienswaardigheden. Niet dat we het allemaal gepland en volgens een schema wilden afwerken, maar het lijstje was meer een voornemen. Het lag nu op het tafeltje in de vakantievilla. Een plek was pas bezocht, al waren we hier al vier dagen.

In de keuken stond ze tegen het aanrecht aangeleund. Ik nam plaats op een stoel aan de keukentafel en begon te vertellen: 'Ik stond gewoon buiten op het gras en keek naar de maan. Ik begon te lopen en toen begon het.'
'Dus ik heb toch het recht om te weten?'
Ik knikte, maar kon het niet laten geïrriteerd te kijken. Wat een gezeur over rechten.
' Maar het gaat niet over recht hebben, ik hoef mij niet verantwoorden. Als ik 's nachts mijn bed uit ga dan is dat mijn zaak. Jij slaapt en ik ga er uit.'
'Als jij iets vreemds doet, wil ik het weten, dat is heel normaal.'
Opnieuw knikte ik, ze had gelijk. Het probleem was alleen dat ik niet wist wat ik gedaan had, die nacht. Ik leek een slaapwandelaar. Maar er was niemand die het kon bevestigen, geen getuige. De enige aanwijzing kwam later op de middag.

Samen op reis 4 olijven en citroenen op stijle smalle paden

Ik lees de kaart, deze vakantie. Het is niet slim om mij nu achter het stuur te zetten. De wegen zijn smal en de Grieken rijden stevig door. Mijn lief heeft haviksogen, die haar goed van pas komen. On tour op het eiland bereikten wij vanmiddag via een hooggelegen kustweg, een afslag naar een intiem haventje. Ons reisgidsje waarschuwde al voor een onmogelijke parkeersituatie. Het advies luidde:, parkeer voor de splitsing. Alsof ze het dagelijks doet, tufte mijn lief de Panda over het stijl aflopende bergweggetje naar beneden. Op de splitsing reed ze door tot het randje, ramde de versnelling in de reverse, en keerde met een sierlijke u-bocht de wagen om met de neus naar boven in te parkeren. Auto-rijden is zo simpel. Ik trok de armleuning bijna uit de sponning.

Het haventje lag er prachtig bij. Kleine scheepje, zeilbootjes, vissersbootjes en rondvaartbootjes dobberden in de met een halfronde pier afgezette haven. Vanaf de pier konden we de bergen van Albanie zien. Ook op mijn mobiel verscheen een reclame-sms uit dat land. Huiverig voor criminele bendes voegde ik het nummer toe aan de blokkeerlijst. Maar eigenlijk zou ik daar wel eens willen kijken, in Hoxha-land. Aan de haven lag een klein restaurant. Een Engels gezin met inwonende opa, hadden het huis naast de taverne gehuurd. Opa deed de stoep, met een schepje ontdeed hij de stoep van mos en onkruid. Zijn kleinzoon vroeg hem wat hij deed. Hij keek de jongen aan en antwoordde de zesjarige dat hij een kuil groef om hem erin te begraven. Altijd grappig die Engelsen. Snel liepen we door. Een chauffeur deed een poging zijn auto achteruit omhoog te rijden: keren was onmogelijk. Glimlachend liepen we naar onze Fiat. Mijn lief startte en spurtte weg.

Maar goed ik las de kaart. Althans, ik hield hem vast en deed een poging de weg te wijzen, ik zag een geel lijntje aan voor een shortcut, maar zag over het hoofd dat het een zig-zag-lijn was. Daardoor belandden wij op een bergweg, vol haarspeldbochten en dusdanig smal dat passeren eigenlijk niet mogelijk was. Gelukkig kwam er nauwelijks een tegenligger. Kon dit keer dus met mijn kop boven het dashboard blijven. Ook was het uitzicht prachtig: zee, bergen, blauw, groen en geel. Via de bergweg kwamen we aan bij een restaurant The Lemon Garden, met echte citroenboompjes. Lekker gegeten, biertje en wijntje gedronken en een prima lemon-pie tot besluit gegeten. Onder het eten even wat evaluatieve huwelijksgesprekken gevoerd, nooit verkeerd om te doen. En weer een ervaring rijker.

O ja, de olijfbomen zijn hier geplant in opdracht van de Venetiaanse overheersers. Men weigerde de bomen te planten. Totdat de Venetianen geld boden voor elke geplante olijfboom. Sindsdien bezit elke inwoner van Corfu minimaal een olijfboom. Mooi verhaal dat een oude dame in een toeristische winkel vol handwerk en olijfhout ons vertelde. Ook vertrouwde ze ons toe dat de prijzen verdrievoudigd waren sinds de invoering van de euro. Daarom geven de toeristen minder uit, en gaat het nog slechter met de Griekse economie. In hetzelfde dorpje zag ik de kop in de Telegraaf van gisteren, waarin de PVV de Grieken ervan langs gaf. Grieken zijn profiteurs, dat was de teneur. De PVV en de oude Venetianen vinden elkaar.

Samen op reis 3: geen kind, geen hond

Op vakantie zonder kinderen en zonder hond is dubbel. Die hond hebben we al vervangen; op de boerderij hiernaast loopt een goedige Griekse stamboomloze viervoeter die af en toe komt buurten. Languit legt hij zich aan het begin van ons terras neer als wij een borrelmoment genieten of gewoon theedrinken. Zodra het dier zijn eigen baasje hoort, schiet hij weg. Gelukkig heb je dat met kinderen niet. Die komen wel op een andere manier tot je. De eerste avond tegen kinderbedtijd, zeg maar een uur of tien 's avonds, sms-te de een dat ze ons mistte. De berichtjes gingen over en weer, tot ze in slaap viel. Vanuit haar zolderkamertje, vanaf haar bed, zocht ze contact met mama.

Ik kreeg gisterenavond rond elf uur mijn laatste berichtje van mijn zoon. Keurig deed hij wat ik hem gevraagd had: de score doorgeven van Donar. Mooie berichten. Eerder op de dag steeg een gejuich op in onze huurauto, toen hij in de schoolpauze doortikte dat er een voldoende op Nederlands gescoord was. Even overwogen we een borrelmoment in te lassen, maar zagen er van af toe we de dikbenige Engelsen op het terras zagen zitten.

We vieren dus zonder de kinderen vakantie maar ze dringen wel door tot onze vakantiesfeer. Niets mis mee. Voordeel is wel dat we net als vroeger onze tijd geheel zelf kunnen indelen. Eten als je zin hebt, luieren in bed als dat nodig is en lezen tot diep in de nacht. Helemaal lekker als je af en toe heel zacht, in de naastgelegen vakantiewoning een dreinend kind hoort dat haar ouders tot handelen dwingt. Ook fijn in vliegtuigen om bezorgde mama's te zien hannessen met hun baby die verschoond moet worden in een kleine toiletruimte terwijl de nuljarige uit protest tegen het luchtvervoer alleen maar huilt. De ontlasting is, zo viel te ruiken, stresserig zacht van structuur. Overigens zijn de Waddeneilanden uitgevonden voor vakantievierende baby-ouders. Maar ik dwaal af. Kinderen thuislaten, betekent wel dat je het steeds over ze hebt. Dus eigenlijk zijn ze er ook.

Samen op reis 2: muzakki-deuntjes

De dag is voorbij als ik de zonsondergang mag geloven. Achter de beboste heuvel kleurt de hemel oranje met wat flarden donkergeel. De grijsblauwe wolken die af en toe voor regen zorgden, drijven voor het kleurenfeest langs. Ik probeer niet te denken aan de kolkende massa in de Martiniplaza, waar nu de finalewedstrijd van Donar plaatsvindt. De rust is hier natuurlijk veel heerlijker dan de techno-beats bij de wedstrijd, en het uitzicht op de Griekse natuur mooier dan een steal van JD.

Voor ons huisje staat onze Fiat Panda, een deksel karretje. Alle bergweggetjes en haarspeldbochten heeft FP feilloos genomen. En bochten waren er veel vandaag. Mijn lief was in topvorm en chauffeurde ons van het ene naar het andere uitzichtspunt. De wegen zijn slecht, hier is het Europese geld niet echt in gaan zitten. Smal straatjes in dorpjes dwingen je te stoppen als er een tegenligger aan komt. Of je moet achteruit rijden, de heuvel af. Ik heb weer heel wat momenten onder het dashboard gelegen. Gelukkig is de Panda klein en is er altijd wel een oplossing, zegt mijn lief. Ik geloof dat.

Onderweg zag ik vaak Grieken rondrijden in oude pickup-truckjesm Datsuns. Hoe ging dat liedje van de Stones ook alweer (Girl, you just a memory, she drove a pick-up, painted, black and blue, zoiets? Wie kent het?). Over muziek gesproken, op de autoradio ontvangen we alleen songfestivallerige nummers of echte traditionele Griekse muzakki-dreuntjes.

De dorpjes in het binnenland bevallen ons wel, beetje rommelig, kleurrijke gevels, veel bloemen. Eigenlijk moet je het daar bij laten, maar we wilden toch ook de zee zien. En dan kom je op plekken die je moet mijden. Quasi-boulevards, met inwisselbare souvenirshops en matige tot slechte eettentjes, waar eigenlijk alleen het uitzicht valt te genieten. In elke plaatsje aan zee, hetzelfde aanbod. Alsof deze winkels deel uit maken van een onzichtbare keten van wansmaak.

Maar goed, de stranden en de rotspartijen zijn de moeite waard. Op een plek konden we parkeren op het strand. Een brede baai, met helder water en lichte golfslag, verleidde ons bijna tot een zeebad. Het bleef bij pootjebaden, ook lekker. We keken omhoog en zagen een wit kerkje op de rand van een klif. Op het strandje een lounge-tent, zoals je er wel meer ziet. Lekkere banken, kussens, en een heuse DJ. Helaas regende het toen wij op het terras van Panorama gingen zitten.

We lunchten uiteindelijk in een klein dorpje. Bij een taverne. Lokale salades en pre-fab vleesgerechtjes met frietjes. Goedkoop, niet alleen in prijs. Leukste attractie op het terras was de overstroming onder ons tafeltje. Twee Engelse mannen namen talloze biertjes eer zij hun maaltijd kregen. De bijna tandenloze, bevende oudste man, zou nog heel wat Amstel tot zich nemen eer hij teruggereden werd naar hotel The Rock, waar hij al 43 jaar te gast was. Hij hoefde als vriend van de eigenaar niet meer te betalen, zijn maatje wel. Maar die had dan ook echte Engelse tatoeages.

En zo ging een dagje Corfu voorbij. De kikkers klinken in de verte, ze doen een wedstrijd in geluid met de krekels. De kwakers staan voor, ze kunnen het harder. In Groningen staat een kleine voorsprong op het scorebord. Het komt wel goed, en anders is het wel goed.

Samen op reis 1

Ik zit op de eerste rij in het vliegtuig, mijn lief naast me. Het gangpad tussen ons in. We stijgen op, voor de tweede keer. De tussenlanding in Eindhoven duurde kort. Met een gele transitkaart mochten we het vliegtuig verlaten. Het toestel moest klaargemaakt worden voor de echte trip. In een afgezet deel van de vertrekhal moesten alle passagiers voor Corfu wachten. Keurig stonden de vakantiegangers achter het koord. Ik werd opstandig en deed wat ik niet durfde. Ik opende de afzetting en liep de drukke vertrekhal in. De meute volgde mij. Ik spoedde mij vooruit bevreesd dat de beveiliging mij in de peiling hield en mij wegens ondermijning zou insluiten. Maar er gebeurde niets. Om eerlijk te zijn, ook andere passagiers glipten door de afzetting. Na een half uur werden we weer opgeroepen om te boarden, nu voor het echie.

Tijdens het opstijgen kijken we elkaar aan. Ze knikt ter geruststelling. Ik ben geen liefhebber van opstijgen en dat weet ze. Ik wil haar hand vasthouden. In plaats daarvan fixeer ik mijn blik op een rood lampje in de stewardessenruimte. In diagonale stand klimmen we, ik let op mijn adem terwijl ik voel hoe ik in mijn stoel geduwd word. Snel kijk ik naar links, ze glimlacht. Ik zoek het rode lampje weer op en voel dat het meevalt. Een van de stewardessen kijkt me aan en beweegt met haar oogleden. Knipoogt ze? Of niet? Wil ze me laten zien dat ik niet bang hoef te zijn. Ik sluit mijn ogen. Pas als het vliegtuig horizontaal in de lucht hangt open ik mijn ogen en kijk in het rond.

We vliegen, dalen en stappen uit. Korfu is geen bakoven. De koffer en auto hebben we snel te pakken. De route naar ons huisje is perfect aangegeven. Na een uur hobbelen we over het boerenweggetje naar ons plekje. Stilte, vogelgeluiden en kikkerkwaken is alles wat we horen. Op het terras eten we wat, we maken een rondwandeling over het terrein. Ik kus mijn lief en zeg haar dat het toch fantastisch is hoe ze altijd de mooiste plekjes weet te vinden. Morgen gaat de zon schijnen, dat weten we zeker. Voor ons geen omheiningen.

Rupsje nooit genoeg verbouwt de boel

image201105150001Wij wonen in een wijk waar rupsje nooit genoeg heerst. Mooie ruime woningen, geplaatst op behoorlijke kavels. Comfortabele huizen zijn het, voorzien van moderne keukens vol slimme gadgets en badkamers waar je niet alleen schoon kunt worden. Meer kamers dan je nodig hebt. Gewild zijn de huizen dan ook, makelaars sturen bijna wekelijks brieven om ons op het idee te brengen te verhuizen zodat zij met ons huis hun cliënten kunnen bedienen en er zelf ook wijzer van worden in hun al goed gevulde portefeuille. Maar we doen het niet, we blijven zitten op ons kaveltje.

Maar rupsje nooit genoeg dus. Hoe mooi en groot we ook wonen, er moet bijgebouwd worden. Deze wijk is een verbouwplaats. De busjes van aannemers en loodgieters staan bijna standaard op de groenstroken geparkeerd. Elke straat heeft zijn eigen puincontainer. Wandelaars vinden het doodgewoon om tijdens de wandeling door de wijk de stoep te verlaten omdat er bouwmaterialen staan opgesteld. Van verbouwen heeft iedereen plezier.

De verbouwingen worden steeds omvangrijker. Begon het ooit met een dakkapeltje of een verbindingsgangetje naar de garage, een ombouw van de keuken of het perfectioneren van de badkamer, het aanleggen van een open haard met rookkanaal, ondertussen zijn we aanbeland in de fase van het realiseren van extra leef- en werkruimtes in, aan en op de garages. De eerste buren die hun garage tot studeerkamer upgraden haalden de kanteldeur eruit en plaatsten daar een kozijn in. Klaar in een dag. Daarna werd de garage eerst uitgebouwd om vervolgens bij de woonkamer te trekken. Die bouwopvatting werd opgevolgd met het ontwerp waarbij de gehele achtergevel van het hele huis opengebroken werd om de effectieve woonruimte te verdubbelen. De gemeente keurt het allemaal goed, al weet ik zeker dat er heel wat gedrochten zijn afgekeurd. Rupsje nooit genoeg is niet altijd een goed ontwerper.

Wij hebben ook geen oorspronkelijke garage meer. Wel een uitbouw. Al twee jaar zijn we tevreden met de extra ruimte. Maar de afwerking laat te wensen over. Als het goed is krijgen we morgen de laatste keer de bouwman op bezoek. De door hem geleverde garagedeuren stonden na een natte periode direct krom als een hoepel. Het hard hout bleek van dubieuze kwaliteit te zijn. Met grote moeite kreeg je de deuren open, terwijl je wist dat je ze alleen met geweld weer dicht kreeg. Twee maanden geleden heeft onze bouwman de deuren opgehaald en er houten platen voor in de plaats gezet. Onze garage is niet bereikbaar, fietsen moeten via de voordeur. Buren vragen verwonderd waarom het zo lang duurt.

Trots belde de bouwman vorige week dat hij "al" klaar was met het vernieuwen van de garagedeuren. In dezelfde tijd dat onze deuren werden gerepareerd zijn sommige verbouwingen in de straat opgestart en al afgerond. Ik moet nog maar eens zien of de deuren morgen geplaatst worden, en of ze goed kunnen sluiten. Ik vrees het ergste. Waren we maar nooit besmet geraakt met het rups-virus.

The Killing en het verlies van Flames

Weinig tijd om te schrijven, avonden gevuld met kijken naar geleende DVD’s. Twintig keer een uur van the Killing. Een nieuwe verslaving is ontstaan. Vannacht laat geworden omdat het eerste deel heel goed beviel en de tweede aflevering meteen maar bekeken werd. Nu staat de drank en de hapjes klaar voor het derde stuk. Ik denk dat we deel vijf vannacht wel halen. We dompelen ons onder in de duistere kanten van Kopenhagen, de machtsstrijd in de lokale politiek en zijn benieuwd naar de ontwikkeling van Sarah Lund. Dus niet bellen of langskomen, wij zijn er even niet.

En wij hebben de Vierde Serie van Mad Men ook nog liggen, dus na The Killing blijven we gekluisterd aan ons toestel.

Leiden gewonnen van Flames, vierde kwart zakt Donar door de hoeven, zonde. Lang leve live statistics en Radio Noord.

Voorbeeldfunctie op het spoor

Reizen per trein blijft interessant. Deze week bracht de trein mij naar Den Bosch en gelukkig ook weer terug. Samen met mijn zoon bezocht ik daar een uitwedstrijd van Donar. In de trein lokte een conducteur geweld uit, diste een oude heer op over het familiefortuin en zoende een jonge studente haar geliefde verrukkelijk vol op de mond. Natuurlijk ondervond ik ook last mobiele apparatuur.

Omdat wij van voordeeltjes houden, gebruikte ik de aanbieding van de CJP-kaart om voor 11 euro een dagkaart te bemachtigen. Even klikken op de site en je hebt een kaartje, dacht ik. No way. Tien keer moest ik mijn wachtwoord (zo’n ingewikkelde met $ en % en &, afgewisseld met hoofdletters en cijfers) op verschillende schermen invoeren. Een kluis vol juwelen is minder goed beveiligd. Na zes pogingen lukte het mij om een kaartje af te rekenen. Het tweede biljet kreeg ik pas een dag later uit de CJP-digichaos.

Het kaartje stond afgebeeld op een liggend A-4’tje. Vier vlakken, met onvervalsbare NS-graffiti. Mijn naam en geboortedatum stonden groot en zonder leesbril leesbaar op het kaartje. ‘In vieren vouwen’, luidde de instructie. Keurig deed ik wat mij opgedragen werd. De vouwen streek ik met mijn nagels na, zodat een compact document ontstond. Met de gedrukte zijde naar binnen want zo hoort het. Een brief vouw je ook naar binnen toe. Zeker als er confronterende informatie instaat, zoals je geboortedatum in lettergrootte 20.

De conducteur moest dit treinkaartje controleren. Ouderwets met een knijptang stempelde hij het blad, dat ik half opgevouwen aanbood. Of ik de volgende keer het papier andersom wilde vouwen, dat was namelijk handiger voor de conducteur. Ik voelde een ontembare boosheid opkomen. ‘Pardon, wat zegt u?’ Hij herhaalde, enigszins geïrriteerd, zijn verzoek. Ik kon alleen heel braaf zeggen dat ik dat meteen ging doen. Overdreven meelevend bood ik mijn excuses aan. ‘Sorry dat ik uw werk zo moeilijk maak.’

Binnen drie tellen had ik mijn CJP-kaartjes op de juiste manier gevouwen. Ik hield ze in de lucht, wapperde ermee en probeerde de aandacht te trekken van de NS-man. Die was ondertussen aan het eind van de coupé bezig een reiziger duidelijk te maken dat het verboden was om je koffer op een stoel te plaatsen. ‘Kijk, ik heb het meteen gedaan, conducteur, kijk dan!’ Mijn zoon geneerde zich meer dan dood. Zijn blik bracht mij weer bij zinnen.

Toen we uitstapten in Den Bosch liep de conducteur voor ons de trap op, zijn dienst zat erop. Ik kreeg opnieuw de aandrang hem te kapittelen voor zijn zuigende gedrag. Maar in mijn voorbeeldfunctie van vader heb ik er vanaf gezien. Wel jammer, om een rolmodel te moeten zijn.

4 Mei: herdenken

Herdenken op 4 mei is iets dat je moet doorgeven aan je kinderen. Samen met mijn zoon hang ik vanavond de vlag halfstok. Op hetzelfde moment maakt mijn dochter zich klaar om met haar moeder naar de stad te fietsen. Zij gaan meelopen in de herdenkingstocht naar het Martinikerkhof. De stad komt elk jaar tot stilstand. Waar bussen anders razen lopen dan zwijgende mensen.

Thuis kijken mijn zoon en ik naar de reportage van de nationale herdenking op de Dam. Het blijft gelukkig stil. In beeld zien we de hoofden van aanwezigen. Jong en oud, blank en gekleurd. Serieuze gezichten, kinderen met onbevangen blikken. De kransen worden gelegd. Het defilé trekt langs de bloemen.

Ondertussen is het moment van zonsondergang daar. De vlag ga ik klaarmaken voor morgen: Bevrijdingsdag. Dan mag de driekleur weer in top. Zo stil het nu is, zo geluidruchtig zal het morgen zijn. Het Stadspark is dan het toneel van het Bevrijdingsfestival. Moke treedt op, en wij gaan kijken. De bandleden schoten zo net door beeld. Op de Dam liepen zij als ambassadeurs van de Vrijheid mee. Morgen trekken ze door heel Nederland om met hun muziek te laten voelen wat vrijheid is.

Het is een krachtige dubbelslag: herdenken en vieren. Serieus beseffen wat er is gebeurd en de volgende dag onbekommerd lol maken. Het draait om het begrip dat de vrijheid niet zo maar iets is. Ik hoop dat de volgende generatie de traditie overneemt. We vertellen de verhalen die wij gehoord hebben, verhalen uit de familie en uit de grote geschiedenis. Verhalen die soms onbegrijpelijk zijn, omdat oorlog leidt tot onbegrijpelijke gebeurtenissen. Jonge vaders raakten verwikkeld in situaties die onmogelijk leken voor mei 1940. Het zijn die verhalen die wij door vertellen. Het zijn die verhalen die het mogelijk maken te begrijpen dat het niet vanzelfsprekend is de luxe van i-pods, lap-tops en nieuwe fietsen. Herdenken is doorgeven.

Boren uit hartstocht

Ik loop de hele avond met een geladen accuboormachine door het huis. De kinderen liggen te slapen. Ik moet voorzichtig zijn. Op diverse plekken in mijn huis heb ik schroeven extra vastgedraaid. Ik speur naar een plekje waar ik mij kan uitleven. Maar hoe later het wordt, hoe minder de kans op bevrediging wordt. Dus leg ik de net gekochte Black&Dekker maar in het koffertje. Verliefd kijk ik hoe de oranje body van de boor, afsteekt tegen het zwart van de opbergcassette. Het snoer van de oplader rol ik keurig op en leg ik naast het fraaie stukje techniek. Met een zachte doek haal ik de vingerafdrukken van de boorkop. Het koperen bijgeleverde bitje steek ik in het handige houdertje dat onder de boor zit. Ik treuzel om de klep dicht te doen en het apparaat in de garage op te bergen. Nog een keer druk ik op de knop en hoor een zacht geratel. Met mijn vinger voel ik hoe de kop ronddraait. Het vingertopje wordt snel warm, een liefdesblaartje plopt op. Jammer dat ik morgen niet thuis ben, anders had ik lekker kunnen boren en schroeven. Niet dat ik van klussen houd… Dan is het genoeg. Met een gedecideerde klap doe ik de boorkoffer dicht. Ik zet hem op het schap onder de werkbank, tussen de decoupeerzaag en de klopboormachine. Een fijn rijtje.