we moeten echt met elkaar praten 5

5

'Okee, die baai kennen we, wij komen er net vandaan.' De Nederlandse dame plakte de laatste pleister op mijn gehavende elleboog. 'Kusje erop en klaar,' zei ze, 'Grapje.' De scooter lag als een wrak in de berm.
'Moeten we die ook meenemen?' vroeg de bestuurder, 'We kunnen hem zo achterin mikken.'
'Ja, ik moet hem nog terugbrengen, graag.' Ik hoopte maar dat de Griek begrip zou hebben voor mijn ongeluk. Hij zou vast reageren met het gebruikelijke 'no worry'.
'Het minste wat we kunnen doen is je naar die baai brengen, is dat goed? Ik knikte naar de vrouw. De 4x4 werd in de achteruit gezet en met het grootste gemak reden we de heuvel op.

'Dit is de afslag, vind je het erg om te lopen naar beneden? Zelfs voor onze wagen is het een klote helling, toch?' Ze keek naar haar man, die knikte. Hij zei: 'Wij rijden de scooter naar het dorpje en leggen het daar wel uit, met onze verzekering moet dat lukken.'
Ik stemde in met het voorstel en hoopte het beste ervan. Ik stapte uit en keek hoe het stel vertrok. Met een pijnlijke arm en een hoofd dat door de drank, de rit en de zon, op barsten stond van de koppijn, begon ik aan de afdaling.

Onderaan de weg kon ik de zee door de bomen heen zien. Het pad naar de haven was smal, maar goed begaanbaar. Met moeite kon een auto erover heen rijden. Al snel zag ik de haven, een half ronde pier zorgde ervoor dat de scheepjes veilig afgemeerd konden worden. De bootjes lagen er net als gisteren, de reddingssloep lag er tussen de vissersbootjes. Alleen was er geen mens te zien. Ik speurde of ik een Datsun pick-up zag. Aan het begin van de pier zag ik de wagen staan, verlaten. In de cabine, lagen op de bestuurdersstoel haar pumps. Ik moest even uitrusten. In de open bak van de Datsun lag een baal stro. Ik klom in de bak en maakte van het stro een zacht bedje. De wagen stond half onder de bomen. De schaduw en het zeewindje maakte het een heerlijk rustplekje. Even de ogen dicht, dacht ik, straks weer verder.

Het lawaai van de startende motor wekte me. Ik voelde de laadbak trillen. Door het raampje van de cabine zag ik het zwarte haar van de bestuurder. Met een korte schok zette hij de wagen in de achteruit, manoeuvreerde kort en reed langzaam weg. Voor de eerste bocht minderde hij vaart. Hoewel ik stijf geworden was door mijn ongeluk en de korte slaap wist ik toch kwiek uit de bak te springen. In de berm hurkte ik, keek gespannen of de Datsun-man mij gespot had. Hij reed gewoon door.

Zo snel als ik kon liep ik terug naar de haven. Bij de reddingssloep stonden nu de pumps die ik eerder in de auto had zien liggen. Er naast lagen keien in de vorm van een pijl. De pijl wees naar het begin van de pier, waar een rotspad begon. Ik besloot het pad te volgen. In de haven was verder niets dat wees op haar aanwezigheid. Ik klauterde over de rotsen, gleed af en toe weg. Maar ik zette door. Ik begon zelfs lol te krijgen in de zoektocht. Na enkele honderden meters zwoegen maakte het pad een bocht. Het liep dood op een enorme bremstruik. Ik ging naast de gele pracht zitten op een rotsblok. Ik keek uit over de zee, zag in de verte de contouren van een immens cruiseschip en hoorde toen een geluid dat door merg en been ging. Achter de bremstruik kwam het vandaan. Voorzichtig zocht ik een weg door het geel. Ik moest vlak langs het randje van de rotspunt gaan om er langs te komen. Even dreigde ik weg te glijden. Een kleine lawine van steentjes plonsden in de zee. Het geluid was gestopt. Door de laatste takken van de brem heen zag ik een verscholen strandje liggen. Ik moest nog om een tweede brem heen om op het zand te kunnen stappen. Toen ik nog een keer naar het strand keek zag ik een schaduw op het strand die niets aan de verbeelding overliet. Ik wist dat ik ging zien waar ik al zo lang bang voor was.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.