KPN lekker dichtblij

Mijn internet-abonnement is heel oud en toe aan een upgrade. Gesurft naar de KPN-site en een snellere versie aangeschaft. Hoe snel dat internet ook wordt, het leveren duurde ouderwets lang. Bovendien gaat het in stukjes. Eerst een bevestinginsmail, toen een abonnementsoverzicht met de post, vervolgens een orderstatus online en toen eindelijk een pakketje met het modem en lekker veel snoertjes en stekkertjes. Ik kick op plug and play dus ik negeerde de duidelijk aangegeven datum van 4 juli. Pas dan loopt mijn oude contract af en kan ik genieten van de nieuwe snelheid op internet. Of toch eerder? Toen ik de kabeltjes op de juiste manier had bevestigd, kon ik contact maken met het net. Speedtest gaf aan dat ik sneller kon internetten dan eerder, maar nog niet op de beloofde topsnelheid. Op MijnKPN zag ik dat ik nu twee pakketten had. Dus maar eens bellen met KPN.

Een aardige dame stond mij te woord. Ze stelde zich keurig voor. Binnen een paar minuten had zij mij uitgelegd dat alles klopte, maar dat het nieuwe internettijdperk pas op 4 juli voor mij geopend zou zijn. Ik antwoordde dat ik dus geduld moest oefenen. ‘Ik had het niet beter kunnen uitdrukken,’ zei de KPN-dame. Om vervolgens te beginnen over een aanbieding van KPN voor digitale TV. Heel handig om dan alles in een te hebben. Wat daar handig aan is, bleef onduidelijk. Ik sloeg het aanbod af met de opmerking dat ik weinig TV keek en dus geen behoefte had aan dertig kanalen erbij. Toen ik hoorde dat er gratis een draadloos systeem gratis bij hoorde voor TV-ontvangst raakte ik toch geïnteresseerd; voor stekkers en snoertjes ben ik altijd in. ‘En kan ik daar een tweede toestel op aansluiten?’ De KPN-mevrouw reageerde scherp: ‘U kijkt weinig TV, maar heeft wel twee toestellen, ik word nu heel nieuwsgierig hoe dit zit met u.’ Ik stamelde wat over kinderen. Vrolijk lachte ze me uit. Ik verwachtte dat ze na haar schaterlach zou toeslaan met een spetterende KPN-aanbieding en dat ik weerloos zou staan.

Ik was ineens volledig op mijn hoede. ‘En heeft u nog iets anders in de aanbieding?’ vroeg ik snel om het initiatief terug te krijgen. Ik hoorde haar toetsenbord rammelen. Nee, de TV-aansluiting was het enige dat ze kon bieden. ‘Mooi, dan kan ik nu beginnen met geduldig wachten tot ik maandag snel internet heb,’ sloot ik het gesprek af. ‘Ik heb in ieder geval weer stof voor een stukje.’ Het werkte. Ze week af van haar script en vroeg wat ik zoal schreef. Na mijn uitleg herpakte ze zich. Geheel volgens protocol, sloot mijn KPN-dame af. De regels schrijven voor de klant met zijn naam aan te spreken. ‘Met wie heb ik ook al weer gesproken,’ vroeg ik ten slotte. Ze herhaalde haar naam en lachte gul. In haar lach verstond ik duidelijk het woord ‘blij’. Ik schaam me nu enorm om de flauwe toespeling waarmee afsloot: ik wenste haar een ‘blije middag’ toe. Sorry.

Elitaire Linkse Luiwammesen

In de afgelopen dagen trok er een stoet door Nederland naar Den Haag. De mars der beschaving heette deze betoging van kunstenaars tegen de bezuinigingen op cultuur. Als cultuurgenieter (consument in het moderne commerciële management jargon) heb ik in de afgelopen jaren genoten van prachtig toneel, schitterend jeugdtheater, ontroerende zangers, flitsende dansers, hilarisch over-the-top stukken, inspirerende luisterliedjes, verrassende locatietheatervoorstellingen, altijd leuke cabaretiers. Ik bezocht deze podiumkunsten in stadsschouwburgen, culturele centra, in voormalige kraakpanden, op straat, in het park en bij mensen thuis. De bezoeken hebben mijn levensgenot vergroot. De franje van het leven, maar ook een verdieping van het leven. Kunst doet er toe. Ik heb mijn kinderen opgevoed in het theaterbezoek en ben er trots op dat ik ze dat heb meegegeven.
Waar ik ook trots op ben is dat zij de andere kant van het theater kennen. Hoe hard ploeteren het is om een voorstelling te maken. Hoe moeilijke het is om als freelancer te proberen na de ene productie een volgende voorstelling aan je CV te plakken. Ze weten hoe lang de dagen van theatermakers kunnen zijn.
Ze begrijpen vanzelfsprekend de cri-de-coeur die ik in mijn mailbox aantrof:
Ik ben geschrokken van de publieke reacties die ik las op de site van de Telegraaf maar ook op die van de Volkskrant betreffende artikelen i.z. de bezuinigingen op kunst en cultuur in Nederland. Hierin worden kunstenaars (daar reken ik mij ook bij) uitgemaakt voor luie elite die enkel hun hand bij de staat ophouden en van verder geen nut zijn. Ook beangstigt mij het feit dat volgens onderzoek 71% van de Nederlandse bevolking deze maatregelen steunt. Misschien ten overvloede maar ik stuur je toch graag nog een mijns inziens helder en prikkelend weerwoord van Ramsey Nasr, Dichter des Vaderland, dat hij gisteren uitsprak tijdens de demonstratie op het Malieveld in Den Haag. NASR voor de toespraak.
 
Hopende dat het klimaat in Nederland niet verstart en verkilt, een goede groet van mijn kant,

Zegt het voort!

Golf in het Stadspark: met je flight de lucht in


Op zondag 26 juni vormde het Stadspark het decor van het derde Stadspark-Open golftoernooi. Rond de vijvers en het grote grasveld lagen 18 holes klaar voor de spelers. Op het groen van de Drafbaan kregen kinderen een kans kennis te maken met de golfsport. Ik bezocht het evenement in mijn ‘achtertuin’ om eens van dichtbij te kunnen bekijken hoe een goede swing eruit hoort te zien. Wie weet zou het leiden tot een nieuwe hobby.

Het is natuurlijk een cliché: golf doe je in je geruite broek en een polo misstaat niet. Al bij de ingang kom ik de eerste ‘ruit’ tegen. Hij wandelt met zijn ‘flight’, een groep van vier spelers die gezamenlijk de holes lopen, het middenterrein van de drafbaan op. Ter hoogte van de plek waar op vijf mei de mannen van Moke speelden, slaat hij de bal met een fraaie boog richting Martiniplaza. Bewonderend kijk ik toe. De foto die ik probeerde te maken, wis ik direct: de bal wordt met zoveel kracht geslagen dat ik alleen uit de opgetogen reacties van de kenners kan afleiden dat de bal op record afstand terecht komt. Ik slik ogenblikkelijk al mijn vooroordelen over de golfsport in. Kracht, precisie en een haviksblik zijn van groot belang.

Bij elke hole staat een marshall die de spelers ontvangt en kort uitleg geeft. De vrijwilliger op de drafbaan vertelt mij dat hij geen spelers is, maar dat de dag hem wel op het spoor van het golfen heeft gebracht. Alleen de verplichting een VGB te halen lijkt hem niets. ‘Ik ga liever meteen slaand de baan op.’ Namens hoofdsponsor Rabobank helpt hij vandaag op de greens. ‘Een mooi evenement, het levert het park ook iets op.’ Met de opbrengst van de dag krijgt de speeltuin bij de Kinderboerderij, een nieuwe attractie.

Ik loop via de Concourslaan, langs het beeld van Jan Evert Scholten (aan welke sport deed hij eigenlijk, honderd jaar terug?) naar het grote veld. Diverse holes liggen er. In het hoge gras zijn de speelvelden uitgemaaid. Op het veld lopen groepjes spelers in groene polo’s. Tussen hen in zwaaien in het zwart gestoken vrijwilligers met rode en groene vlaggen. Af en toe roept er een ‘Fore!’ Dan is het oppassen geblazen voor de toeschouwers omdat er een bal aangevlogen kan komen. Vier mannen met bescheiden, maar duidelijk waarneembare buikjes onder hun groene shirts komen relaxed aangelopen. Hun clubs in rijdende kokers achter zich aan trekkend, slenteren ze op de marshall af. ‘Hoe gaat het?’ vraagt ze vriendelijk. Grappend verhullen de vier hun matige prestaties. Geen hole in one, maar wel dikke lol. Gelach begeleidt de approaches. De marshall wijst ze ontspannen de route naar de volgende tee. Als de mannen weg zijn zucht ze, het is benauwd. ‘Zitten hier teken?’ vraagt ze terwijl ze kleine mugjes wegjaagt.

Serieuzer gaat het toe op de hoek van het veld. De vier jonge mannen, glimmende zonnebril in het haar, één hand gestoken in een gelikt professioneel handschoentje, en ja, een geruite broek en een oranje pantalon, komen bezweet het terrein op. Ze gaan voor de hoofdprijs: de ballonvaart aan het eind van de dag is voor hen. Bravoure, denk ik, tot ik zie hoe de eerste man de bal tot op tien meter van de hole op honderdzestig meter weet te swingen. Zijn maten doen niet voor hem onder, alleen de laatste ziet zijn bal in de rough belanden. Opgetogen vervolgen zij hun weg door het Stadspark.

Op het volgende veldje is de bal echt verkeerd terecht gekomen. Uit het struikgewas komt een groene polo gekropen. Met schrammen op zijn benen, maar met de bal. Onder luid applaus van zijn medespelers tikt hij de bal richting vlag. Het valt me ineens op dat het bijna allemaal mannen zijn. Vrouwen kom je wel tegen onder de vrijwilligers maar niet bij de spelers. Kwestie van kracht en techniek? Of denken dames dat je voor die 200 euro inschrijfgeld ook andere dingen kunt doen?

In de vijver voor NiHao ligt een bootje. De bedoeling is om vanaf de kant met een swing de bal binnen te slaan. Er is niet veel publiek langs het parcours, maar hier zie je toch wat toeschouwers. Heel wat balletjes verdwijnen op de bodem van de vijver. Geen enkele haalt de boot. Ik keer terug op de Drafbaan, waar ondertussen tientallen kinderen oefenen met golfstickjes en behendigheidsspelletjes. Tussen het publiek van trotse ouders staat ongetwijfeld een scout, speurend naar jong talent. Wie weet waar deze StadsparkOpen toe leidt.

Als ik ’s avonds dit stukje schrijf hoor ik in het nabijgelegen Stadspark een luchtballon opstijgen met de winnaars. Ineens weet ik zeker dat er dames aan boord zijn. Boven de stad zal de champagnefles open knallen. Trots kijken de winnaars naar beneden. De stad en het Stadspark aan hun voeten.

Get on your boots

Laarzen maken de vrouw. Ik loop door de stad en ik kom vele vrouwen tegen geschoeid op laarzen. Tot de kuiten gehuld in leer. Ferme hakken waardoor de krachtige pas resoluut klinkt. Leer dat nauwelijks bewerkt is, maar wel een hippe kleur heeft. Groen, rood, blauw en zelfs roze. Die roze laars verwondert mij het meest. Het is geen zoete snoeperige laars, maar een rauwdouw-model zonder reserve. Ik loop het liefst op sneakers, zachtjes sluip ik langs de powergirls op leeftijd. Ik check het even bij de volgende gelaarsde dame: ze hebben allemaal niet of nauwelijks make-up. Lipstick of oogschaduw is niet nodig. De onderlijning van de persoonlijkheid is door hak en schacht compleet. De mode schrijft voor dat er leggings met een rokje boven gedragen worden. Meisjesachtige outfit voor vrouwen die al bijna zuchten van de eerste opvliegers. Alsof kleding kan verhullen dat de beste tijd geweest is. Als het weer mee zit verdwijnen de voeten en geharste benen bloot in de boots. Een fijne huidkleurige panty is er niet meer bij. Het schijnt opwindend te zijn voor mannen: blote vrouwenvoeten in laarzen. Ik merk er weinig van. In de stad ontwijk ik de parmantig paraderende en hanige vrouwen. Ik heb ontzag voor ze. Ze stralen uit alles voor elkaar te hebben, of te krijgen. Laarzen maken de vrouw.

Treurniet in de nacht

Laat in de nacht, wakker en woelend in bed. Slapen wordt hem nu even niet. Zachtjes naar beneden. In de loop een joggingbroek meegenomen, samen met de fleece van de kapstok houd ik het wel warm. En ach, het is zomer, al waait een herfstwind om het huis. In de hal kom ik de hond tegen, die op weg is naar zijn slaapplek op de bank. Ik staar naar buiten. In de huizen van de buren is het donker. De straatlantaarn verlichten de weg voor niemand. Soms, als ik ’s nachts zo voor het keukenraam sta, zie ik de krantenjongen langsfietsen. Zwaaien heeft geen zin; geroutineerd werkt hij de postbussen af.

Voor kranten is het nu nog te vroeg. De laptop staat op tafel, naast de al klaargezette ontbijtspullen. Mail komt niet binnen. Ik open mijn tekstverwerker en begin dit stukje te schrijven. De stoel maakt geluid als ik hem verschuif. Om niemand te storen, pak ik de computer op en sluip ik naar de studeerkamer. Op het bankje, met een lampje in de andere hoek aan, typ ik verder. Als enige geluid hoor ik het tikken van de IKEA-klok. De wind is hier aan de achterkant van het huis bijna niet te merken.

De stilte van de nacht duurt ellenlang. Ik weiger mij te laten meeslepen in somberheid. Triestheid is voor later. Maar ik voel donkerte opkomen. Heb ik mij zelf niet teveel opgepept de laatste tijd? Ben ik in de valkuil van het zelfbedrog gestapt? Ik houd mij zelf voor dat het verlies van mijn oude leven nieuwe kansen heeft opgeleverd. Dat klopt wel degelijk. Maar stop ik mijn gedwongen afscheid niet teveel weg? Heb ik voldoende getreurd? Of is het mijn drang naar dramatiek die opspeelt? De nacht stelt lastige vragen. Antwoorden vinden in de duisternis is niet makkelijk.

Een stukje maken verlegt de aandacht gelukkig. Nog even en de vermoeidheid zal toeslaan. Zo meteen nog even de koelkast in, tijdje naar buiten staren en dan het bedje weer in. Ik geloof dat er nog lekkere kaas is. Dus niet langer treuren, fluister ik naar mezelf, afronden, opsturen en afsluiten. Eerst nog wat eten.

Elbow, of hoe een cd niet tot leven kwam

image201106140002Fuck-ie-di-duckley,

Het is een puinhoop in mijn albumcollectie. Vroeger, ja, vroeger, wist ik exact wat ik in huis had aan lp’s. Ook kon ik feilloos de weg vinden in mijn verzameling cassettebandjes. Keurig gerangschikt op alfabet en op jaar van uitkomen. Elke krasje dat ik niet kon vermijden op het vinyl kon ik blind aanwijzen. Van veel platen weet ik de prijs nog – en wel in guldens -. Ook kon ik de namen van de winkels opnoemen. Of ik herinner mij precies de gulle schenker(s).

Met de komst van cd’s werd mijn verzamelwoede minder. Ik kocht nog wel, maar de drift verdween. De plastics doosjes stonden mij tegen. Net als de lasertechniek, die de naald en de groef overbodig maakte. Nog erger werd het toen ik in staat kwam om zelf kopietjes te maken op de computer. Aanvankelijk behandelde ik de cd-r’s en cd-rw’s als cassettebandjes, leuk voorkantje, kleurtje, duidelijk namen noteren van de nummers en meer belangrijke details. Maar de jongensachtige manie verdween. De IKEA cd-kastjes vulden zich met een stortvloed aan lege doosjes, niet betitelde cd-rw’s en blijkbaar onbeluisterde gekregen cd’s. In de auto moest de speler ook gevuld worden. Het etuitje met digitale albums zwerft als sinds de vakantie door de Toyota, ergens ter hoogte van de passagiersstoel.

Met de komst van de i-pod werd het nog meer chaos in mijn discotheek. Ik verzamelde vele downloads, betaalde niets, meed de cd-shop. Muziek werd een ‘waardeloos’ produkt. Makkelijk te verkrijgen, massaal ingenomen, teveel om te beluisteren. Waar je vroeger dagen lang achter elkaar dezelfde schijf draaide, en elke noot en wending je eigen maakte, omdat je zolang had moeten sparen, heb je nu in een middag onverschillig muziek binnengeharkt. Soms luister ik niet eens naar wat binnenkomt. Muziek is een wegwerpartikel geworden. Het is erg, het is verschrikkelijk, ik ben diep gezonken.

Gevolg is dat het mogelijk is gebleken dat ik het zicht over mijn collectie kwijt ben. Ik weet niet meer wat ik in huis heb. I-tunes stroomt over, de cd-kast een rommeltje, de auto een op hol geslagen jukebox, de i-pod gigabyte na gigabyte vol onbeluisterde, niet bestendigde muziekstukken.

En zo kon het gebeuren dat ik ooit twee cd’s cadeau kreeg. Een mooie van de Fleetfoxes, gevoelig en passend bij mijn stemming. En een moeilijke van Elbow, zo eentje die moet rijpen, die je vaak moet luisteren met aandacht en interesse. Zo’n album dat moet groeien door contact te leggen met de onderstroom. Een stem waaraan je moet wennen. Ik weet nu dat ik dat niet meer kan. Ik ben meegezogen in de vermegagisering van de digitale muziek. Hoe meer muziek je verzamelt, hoe minder je te genieten hebt. De titel van Elbows album: The Seldom Seen Kid. Ook zelden beluisterd, dus. Vandaag dat het even geen bel deed rinkelen tijdens de Pinkpop-uitzending.

Ik heb meteen een raid door mijn rij cd’s gedaan en ontdekt dat ik een cd van Rufus Wainright heb en van Udo Lindenberg, Tori Amos, Steve Earl, Luka Bloom (ooit es van mijn zwager gekregen), en verhip de Kings of Leon bleek ik ook te hebben, kan iemand mij uitleggen hoe ik daar aan gekomen ben?

Pinkpop vanaf de bank

Pinkpop is op 3FM en Nederland 3. De stereo, aangesloten op de flatscreen, zorgt voor een aangename dreun in huis. De hond slaapt er gewoon door heen, op zijn vaste plekje op de bank. Het beeld kleurt roze van de petjes in het publiek. De mooiste meisjes worden door de regisseur opgepikt en in beeld gebracht. Stoere jongens worden als intermezzo geduld.

‘Ken je deze?’ vraagt mijn zoon bij elke band. Soms kan ik naar waarheid ja antwoorden. Go back to the Zoo en Kings of Leon zijn bekend, Tim Knol heb ik zelf gezien. De naam van Elbow doet geen bel klinken. Eliza Doolitle komt me vaag bekend voor. Simple Plan ken ik ook al niet, zoon stelt vast dat het nu wel ernstig is met mij.

Maar headliner Coldplay is een graag gehoorde gast hier ten huize. In de recap op maandagavond kregen we Violent Hill te zien. Sfeervol en machtige geluid , onder dreigende luchten en de heuvels van Zuid-Limburg, werden de sterren van de hemel gespeeld, en de nacht moest nog beginnen. Met ‘the Scientist’ barstte het publiek in samenzang uit, slechts begeleid door een eenvoudige piano. ‘Nobody said it was easy’, hoor ik naast mij op de bank brommen. Ik ben een sentimenteel oude man aan het worden, slik een brok weg, pink in mijn oog om traan op te vangen, en voel kippenvel opkomen.

Mijn gedachten dwalen af, naar toen er nog geen live-uitzendingen waren vanaf Landgraaf. Midden jaren tachtig, in alle vroegte met de bus uit het noorden naar het zuiden, om bandjes te zien in Limburg. Geleen, Baarlo en ook Landgraaf. Papa vertelt hoe sfeervol het was, maar niemand kent de bandjes van weleer. The Cure is vergeten, de Waterboys verdwenen, REM is nu golden oldie en Gé Reinders toert met blaaskapels door het land ( ik geef toe: ik heb hem gezien met Gruno Harmonie, en genoot). Vijftigduizend mensen en altijd lol, dat is Pinkpop, muziekje, biertje, blowtje en lekker gluren naar de buren. En natuurlijk op tijd naar voren voor de favoriete bands. John Hiatt en Elvis Costello en Iggy Pop, lang geleden. Sweet memories.

Nu zit ie nog op de bank, maar ik weet zeker dat ik op tv volgend jaar speur naar mijn zoon op het festivalterrein. Of is nog geen vijftien te jong? Vast niet.

Ik hou van mijn stad, voor tien uur ‘s ochtends

Op zaterdag in de ochtend is mijn stad nog niet vervuild door de massa. Het liefst kom ik er voor tienen. Net voor openingstijd van de winkels, de markt is al warmgedraaid, een winkelmeisje wast nog snel een etalageraam, een winkelier hangt vlaggen op, loop ik graag over Vismarkt en Guldenstraat. Bescheiden bedrijvigheid, verwachting hangt in de lucht.

Vanochtend liep ik daar weer. Geen doel, gewoon lopen, zonder koopdrang. Bloemen, had ik mijn Lief wel beloofd, verder geen boodschap. Misschien een koffie ergens, en een broodje. Maar dat kon wel wachten.

Ik liep de Oude Ebbinge door, gluurde even bij een uitverkoop van electronica binnen, kon mij inhouden en vervolgde mijn onbekende weg. Op de Ebbingebrug keek ik naar een plat schip dat als drijvend terras dienst deed. De serveerster veegde de tafeltjes droog. Ik blikte verder rond. Misschien kon ik zien of die auto er nog stond waarin een honkbalknuppel lag. Dat hoorde ik twee jongemannen met een gele cabrio de politie vertellen. Opgewonden deden ze op straat verslag van een bedreiging. Ze wisten waar ik woon, zei de ene jongen. De agent vroeg naar het kenteken, maar dat wist hij niet meer. Ik liep zo sloom als ik kon langs de gele sportwagen. Om de afloop te kunnen meekrijgen, had ik moeten stilstaan. Mijn nieuwsgierigheid verloor van het fatsoen.

Over de brug voelde ik mijn mobiel afgaan. Ik las het sms-bericht. Een boodschap, toevallig liep ik net langs een drogist. Met een klein tubetje in mijn jaszak verliet ik de ETOS en voltooide mijn tocht door de Nieuwe Ebbingestraat. In rustige momenten, zoals op zaterdagochtend, kijk ik op mijn gemak naar panden. Boven de winkellaag valt veel ouds te zien. Ik ben geen kenner, maar klokgevels of strakke jaren vijftig architectuur mag ik graag zien.

Via de brug terug in de Oude Ebb, rechtsaf door de Hardewikkerstraat, rechtdoor, langs wat vroege hoeren, naar de Oude-Kijk-in-’t-Jatstraat, heerlijke naam voor een straat, terug naar de Vismarkt. Fiets gepakt, eerst nog een cappuccino op het terras van Zomers, waar de overlast van klein krijsend grut hinderlijk en amusant was (een knaapje van twee, in de nee-fase, wist in twee minuten en zijn Flevosap en de koffie van zijn vader en de kleurplaat en het glaasje water van zijn moeder, om te gooien, om vervolgens op de grond te gaan liggen en om zijn moeder te gaan roepen, die stoïcijns de andere kant opkeek, haar man wanhopig alleen liet in zijn vergeefse strijd het kind tot beheersing te brengen). Toen kocht ik zonnebloemen en fietste ik naar huis.

Ik houd van mijn stad, vooral op zaterdagochtend voor tienen.

Hout Moet, zegt Daniël Lohues, Toe moar

Vanavond speelde Daniël Lohues in Groningen. De Stadsschouwburg maakte hij tot zijn huiskamer, en wij mochten op bezoek komen. Twee man begeleiding op het toneel, een vleugel en een rijtje gitaren flankeerden Lohues. Omdat het een theatertour was, stonden er heuse rekwisieten: een gans, rubber laarzen, een ladder en boomstammen. De voorwerpen weerspiegelden zijn verhalen die hij tussen de liedjes door vertelde. ‘Hout Moet’, en zo is het maar net.

Lohues’ woorden zijn rake beelden. Hij zingt over kruizen van piepschuim of lood, als het gaat om lijden. Vrees wordt teruggebracht tot ‘Angst is voor heul even, spiet is voor altied’. Of hij bezingt zijn geluk in ‘prachtig mooie dag’. De kracht van muziek verpakt hij als ‘ieder heeft baat bij muziek’ en een advies voor wereldvrede luidt ‘aordig doen tegen mensen die niet aordig doen’. Hij is fier op zijn taal, roemt het Nedersaksisch en spot met het wettelijk vastgestelde ‘goede-smaak’-Nederlands. Wat nou fout, als je zegt ‘mooier als’. Wat nou dom, als je zegt ‘weiniger als’? Hij spreekt de taal van zijn geboortegrond, simpel en eenvoudig. Maar de gedachten gaan ver en dieper.

Zijn liedjes vloeien over in de tussenteksten, af en toe illustreert een liedje zijn woorden. De muzikant is soms cabaretier, lijkt hier en daar een dominee, maar is eigenlijk die jongen die je tegenkomt en die altijd een goed verhaal heeft. Zijn verhalen gaan over zaken waar hij niet bij kan met zijn verstand, of het nou sterren zijn die lichtjaren ver weg staan of een neerslachtige vriend die door de depressie de lentezon niet meer ziet, Lohues bezingt het. Als het te zwaar dreigt te worden, verluchtigt Lohues met humor zijn vertelling. Als hij over zijn tante vertelt die naar de dood verlangt omdat zij zeker is in de hemel te komen, laat hij haar zeggen dat ze met de lepel in de hand begraven wil worden: het hiernamaals is voor haar een heerlijk toetje.

In zijn Adidas-trainingsbroek, met zijn Drentse pens onder het zwarte slobbershirt schittert hij op het podium. Uiterlijke schijn is hem vreemd, of het moeten zijn instrumenten zijn. Maar ook die heeft hij niet voor de mooiigheid meegenomen. De akoestische gitaar is de basis van elk nummer. De bas en de kerkdrum deden de rest. De woorden en de akkoorden spraken elkaar toe. Eigenlijk waren de gans en de ladder overbodig. Niemand wilde na het concert de zaal verlaten. Een beetje verlegen nam Daniël Lohues de ovatie in ontvangst. ‘Toe maor’ en hij maakte van zijn toegift een klein feestje.