Wachten op een ogenblik

Mijn dochter en ik en haar vriendin hebben vanmiddag kroketten en saucijzenbroodjes gegeten in het restaurant van het ziekenhuis. We waren uitgehongerd geraakt na anderhalf uur wachtkamer. De diagnose was snel gesteld: de oogjes hebben een beetje hulp nodig om gewoon tv te kijken of te kunnen lezen. De oogarts, een geduldige grijzende jongeman op leeftijd, nam eens goed de tijd om mijn kleine lief in de ogen te kijken. ‘Mooi’, was zijn oordeel. Ik knikte. Niets aan de hand, alleen een beetje bijziend. Het ‘recept’ met de conclusie, de prijs voor een middagje wachten, borg ik goed op.

Ik vermaak me altijd kostelijk in ziekenhuizen. Met de meiden grinnikte ik om de co-assistent, die om de vier minuten de wachtkamer in kwam, een naam voor las van zijn lijst en vervolgens zonder patiënt af te gaan. Na een korte pauze keerde hij terug met een volgende naam en wederom geen patiënt.

Een fors norse assistente dribbelde rond, gilde af en toe een naam, waarbij ze naar het plafond keek, riep ‘loopt u maar even mee, deze kant op, graag,’ en verdween weer achter haar desk. De slechtziende had haar niet meteen opgemerkt en bleef hulpeloos staan tussen wachtruimte en gang. ‘Kamer veertien, linksaf,’ bromde de dame achter haar computerscherm. Dat kon niet missen, het kamernummer besloeg ongeveer de gehele bovenste helft van de deur, ook met min elf kon je het zien, kan ik getuigen.

‘Kijk, die kamer is BK-13, waarvoor staat die BK?’ vroeg ik de meiden. Opties waren: babykamer, bloedkruiper en de leukste was natuurlijk, Bezemkast. Ja, wachten leidt tot meligheid. De dame aan de andere kant van de wachtkamer, zuchtte zoals alleen in wachtruimtes gezucht kan worden. ‘Vorige keer had ik om half drie een afspraak, ik was om vijf uur aan de beurt.’ Opbeurend. Wij drietjes keken de vrouw aan, pas onder de kroketten durfden we elkaar te vragen waarom de vrouw zo dik geworden was. ‘Laten we het op een ziekte houden,’ zei ik. Ik had een menselijke bui. De dikke dame werd per golfkarretje door een gastvrouw van het ziekenhuis naar de uitgang vervoerd. De meiden keken elkaar aan, ik herkende de blikken, ze wilden ook op zo’n wagentje. Maar dan zonder die gastvrouw. Ze monsterden de gangen, lang en glad. Een avondje skaten in het lege ziekenhuis leek ze ook wel wat.

Iedereen die na ons binnengekomen was, was ondertussen al geholpen. Dat is altijd zo, omdat ik steevast een kwartiertje of drie te vroeg arriveer in ziekenhuizen. Ook vandaag, er moest nog een ponskaartje gemaakt worden. Inclusief wachtmoment, had de geroutineerde en met paarse bril (perfect passend bij de kleding en de huiskleuren van het ziekenhuis) getooide baliemedewerkster maar drie minuten nodig om een id-kaartje te maken. Dus ruim veertig minuten en circa 16 patiënten schuifelden na ons binnen en gingen voor ons de behandelkamer in. Tja, ik creëer mijn eigen wachtlijst.

Vervelend, maar wel een goed alibi om kroketten en saucijzenbroodjes te eten. Zonder wachttijd had dat nooit gemogen. Nee, wachten is leuk.

Een schrijver heeft publiek nodig

Een schrijver zoekt publiek. Er moet een reactie komen. Een lach, dat is altijd fijn, een traan dat is een fraaie beloning of een vloek, dan heb je het echt bont gemaakt. Iemand moet lezen wat je hebt geschreven. Publiceren is dus een must. Een krant of een boek, een tijdschrift of een affiche: de letters van je tekst moeten te lezen zijn. Je moet gelezen worden.

Ik heb mijn kleine publiekjes. Op internet kan ik via mijn eigen netwerkje mijn lezers treffen. Af en toe laten ze weten wat ze van mijn stukjes vinden. Via een mailtje of in levende lijve. Ik leef op als iemand de moeite neemt mij te prijzen. Er zijn dagen bij dat ik het ook prima vind als iemand mij in negatieve zin iets toe bijt.

Leuk wordt het als je voor iemand in het bijzonder schrijft en diegene geniet ervan om het te lezen. Als je samen iets hebt meegemaakt en ik beschrijft mijn interpretatie ervan, en de ander is onder de indruk en kan geen woorden vinden voor het stukje dan heb je het goed gedaan. Ik schrijf veel stukjes en af en toe is het raak. Dat zijn de heerlijkste momenten. Als iemand zegt nog nooit zo iets moois gelezen te hebben, smelt ik. Ik doe alles voor aandacht, en een compliment krijgen is hemels.

Het meest spannend aan stukjes schrijven is het te schrijven voor iemand, die naast je zit, en die het zodra het klaar is als eerste te lezen krijgt. Het voelt een beetje als een proefwerk maken, vroeger op school, als eerste klaar zijn, naar de leraar lopen, inleveren en toekijken hoe hij met zijn rode pen je toets gaat bestrepen. Het oordeel kan hard zijn. Ik kreeg het een keertje terug, met de mededeling, maakt het nog maar eens opnieuw, misschien dat je dan wel iets goed hebt. Met stukjes schrijven is dat eigenlijk ook zo. Ik kijk dan naar mijn publiek, die ene persoon. Ik hoor leesgeluiden. Af en toe een lachje, waar ben je nu, vraag ik dan. Een frons, o jee, toch te scherp neergezet. Een vinger op het papier, shit een schrijffout, komt door mijn linkerpink die doet het niet zo goed meer. Dan houdt mijn publiek het blad nog even voor de ogen, laat het zakken en kijkt mij aan. In termen van ‘leuk, hoor’ of ‘is het autobiografisch?’ of ‘je hebt in ieder geval je best gedaan’ komt er een oordeel aan.

Overtreffend is de stilte, dat is vaak de mooiste reactie. Stilvallen is niet meer weten hoe je moet reageren. Stilte omdat je anders in ongeschikte clichés gaat vervallen. Een blik van je publiek zegt dan genoeg. Het is verslavend om reacties te krijgen. Strelingen voor de schrijver. Een schrijver moet publiek hebben.

Depressies, blues en stralend lichte vloer

In alle vroegte stond ik al op de uitkijk. De parketman zou komen. Onze bruine houten vloer werd met de dag donkerder, op het depressieve af. Sombermans kon er blij van worden, zo donker glommen de planken je tegemoet. Elke zonnestraal die de kamer binnendrong, werd opgezogen in de bitterzure chocoladepuur-kleurige hout. Een nieuwe vloer is natuurlijk niet duurzaam, al die bomen die voor niets gesneuveld zijn, dat is jammer. Ook kost het veel te veel, hout is duur. Dus niets nieuws op de vloer, maar upgraden die hap.

Met een paar muisklikjes haalden we een fijne parketeur in huis. Voor de vakantie kwam hij langs met zijn schuurmachine, zijn borsteltjes en zijn flesjes verf. Hij maakte wat proefstrookjes in onze woonkamer. Met een BIC-pen markeerde hij de strookjes: één tot drie. We kozen voor drie, een lichte kleur.

En daar stond ik om acht uur te wachten. De kamer was vanochtend leeg. Totaal leeg. Alle meubels eruit. Het klonk heerlijk kaal, elke stap galmde na. Het rook er naar verf; de muren kregen een fris kleurtje. Het laatste uur van de donker vloer was geslagen.

Anderhalf uur later denderde de schuurmachine van onze parketspecialist door de kamer. Met een fluwelen touch, schaafde hij een piepklein laagje van onze planken af. Geweldig hoe licht het werd. Ik kwam het werk even checken en een koffie brengen, met een blik op de planken verloor ik spontaan mijn depressie. Bovendien geurde het afgeschuurde hout heerlijk.

Morgen komt hij weer terug, onze plankenman. Dan gaat hij coaten en plintjes maken. De galm is ondertussen nog steeds prima. Vlak na zijn vertrek, ben ik gaan gitaar spelen in de kamer. De woonkamer vormde een grote klankkast. Voor neerslachtigheid is geen plaats meer in ons huis. De geïmproviseerde 12-jar-blues, die ik tokkelde kon daar niets aan veranderen.

De Vier Mijl: Ik kan het niet alleen!

De Vier Mijl komt eraan. Op 9 oktober gaat het gebeuren. In de afgelopen vakantieweken ben ik er in geslaagd om op de weg te trainen. Ik holde met passie door het Stadspark. Alle paadjes geplaveid of niet, die ik nog zo goed kende van weleer heb ik weer opgezocht. Ik rende over het wildrooster, langs de Schotse Hooglander, plassen en grote hopen Hooglander poep ontwijkend. Moeizaam beklom ik het heuveltje koos met plezier het met houtsnippers bedekte pad heuvel neerwaarts. Rustte daar kort uit, op adem komend, hartstochtelijk genietend, dat ik dat nog mocht meemaken, ongekend. Sinds de diagnose Parkinson is intensief sporten er niet meer bij. Ik had eigenlijk de hardloopschoenen gedag gezegd. Maar met hulp van mijn fysiotherapeute en mijn fantasie bleef ik op de loopband doen alsof ik nog altijd een hardloper was. Elke week beloofde ik trouw aan mijn fysio om naar buiten te gaan en op de weg te gaan trainen. Kwam niets van terecht. Tot voor de vakantie ik de geest kreeg en gewoon weer begin. De i-pod mee en op de maat van Coldplay, Tim Knol en Go Back to the Zoo in cadans raken. Stoer voelde ik me, sterk leek ik, soepel hoopte ik te lopen. Ik genoot.

Trainen is afzien. Ik voelde mijn benen af en toe stram worden, toch ging ik door. Zolang ik een vast tempo kan houden, lukt het wel. Ik ga die Vier Mijl halen. Ik ken de route, ik weet de geheimen van de route. Ik kom over die finishlijn op de Vismarkt, ik verheug me nu al op de laatste bocht, linksaf de Herestraat uit en de Vismarkt op.

Maar ik kan daar best wat hulp bij gebruiken. Wat aanmoedigingen. Wat supporters.Ik weet dat er lezers zijn die op zondag 9 oktober niets beter te doen hebben dan te luieren en de weekendkrant te spellen. Traditiegetrouw is het op de Vier Mijl lekker nazomers weer. Prima om langs de Hereweg te staan en mij (en al die anderen) toe te juichen. Als beloning geef ik je een high five, met mijn goeie arm. Voor het leukste spandoek stel ik een fles wijn ter beschikking. (ik kom hem dan zelf met je opdrinken).

Dus wie helpt mij op weg naar de Vismarkt?

Hieronder kun je reageren op deze oproep, klik op het symbooltje met het envelopje.

Het is zondagochtend, en Frankrijk fietst.

Wij rijden over landelijke Franse wegen naar de snelweg. Onderweg komen we in dorpjes, waar de rust nog niet is verdreven en de zon langzaam aan kracht wint, zondagsfietsers tegen. De autoraampjes staan open, de Franse kreunmeisjes zijn zacht hoorbaar in de cabine en we laveren langs Fransmannen op racefietsen. Gehuld in oude tricots, waarop logo’s van weleer prijken. Het is een cliché. Men waant zich kampioen. Roulez, pousez. Een fietser op mountainbike in zwembroek. Bandetta á la Pantani. Oudere grijzende getaande koppen, pezige kuiten, door virages en langs bosschages. Om de bocht komen Godet en Levithan in open expeditiejeep, staand met tropenhelm, als volgauto. Lichtblauwe luiken, roze-rode dakpannen, strakblauwe lucht. Fietsers vertragen de tijd.

Het is zondagochtend, en Frankrijk fietst.

Een non loopt naar de auto, zij fietst niet. Het is half elf en 29 graden. Op een stenen brug, tuurt een rode renner in het water onder zich. Op de rand van de brug prijkt een boeket. Herinnering aan een ongeluk? Op een lage racefiets, gaat een kranige dame voorbij, stijlvol grijs. Beter dan het peloton vrouwen in menopauzestijl. Hangend vlees en vet, geregeld stoppen van de dorst en zere ruggen. Onze auto zoeft langs de wielrenners. Fietsers racen en zwoegen, allen op weg naar het terras. Uit op bewondering, verzetten van de grenzen. Winnen van je zelf, daar draait het om op de fiets.

Het is zondagochtend, en Frankrijk fietst.

Rotsen en gorges passeren wij. We komen uit in de bewoonde wereld. Een stadje loopt vol door de opgebouwde zondagse markt. Een Française uit het boekje, rijdt op haar toerfiets, stuur niet in racekromming gevat, versnellingshendels onder het stuur, mandje voorop. Ze draagt een donkere zomerjurk en een rieten hoedje. Ook zo fietst Frankrijk op zondag. De weg wordt nu kaarsrecht, loopt via een serie rotondes uit op de toegangskronkel van de Péage. Nog even en de raampjes gaan dicht, en we sluiten ons af voor het langzame Frankrijk van zondagochtend.

Nacht in Antwerpen 23-8-2011

In Antwerpen overnachtten wij. Buiten begint de stad zich op te maken voor een nieuwe dag. We liggen in ons hotel bij te komen van de reis van gisteren. Na een dagje asfalt, langs Parijs al ging dat snel, kwamen we in de middag aan in Antwerpen. Op vakantie naar Frankrijk is de ring van Antwerpen een magisch moment, alsof je dan pas echt op reis bent. Nu besloten we om de stad in te gaan. Nabij de voetgangerstunnel onder de Schelde hoteleren we. Op de vierde etage, de cirkeltrap blijft maar stijgen, is onze viermanskamer. Hoge plafonds, dakramen. De geluiden op het Vliet kun je dus niet gemaakt zien worden.

Op het pleintje is een stadsbasketbalveldje. Zoon oefende daar gisteren voor het avondeten zijn kunsten. Onder de bomen op een bankje keek ik toe. Hij wierp de bal naar twee jongentjes, en betrok ze in het spel. Hond P. had lekker gelopen langs de Schelde en lag nu aan mijn voeten. Toen hij het kleine en grote vrouwtje aan zag komen lopen, was het gedaan met zijn rust.

Het restaurant van onze keuze heette de Grootte Arend. We zaten onder de arcaden, in een binnenplaats van een zeventiende-eeuwse woning. Lichte stenen pilaren, rechthoekige raampartijen. Het is waar dat je voor bier goed in Antwerpen terecht kunt. Maar ook de kaaskroketje waren heerlijk. Vis en vlees smaakten prima. We deden wat je moet doen in Antwerpen: genieten aan tafel.

Na afloop keken we nog even op de Markt naar de Gildenhuizen. Mijn geschiedenislessen kwamen te laat op de avond en misten doel, al had ik nog zo’n mooi verhaal over de handwerpende Reus van de Schelde. Helaas. Kletsend liepen we langs de Schelde terug naar het hotel. Kinderen op bed en wij nog even samen een terrasje pakken. We dronken ons biertje in de oude stad. Ineens ontstond er om de hoek tumult. Brandweerwagens reden de straat in, brandweermannen in volle bepakking rolden het materieel uit en hoopten er het beste van. In korte tijd stond de straat vol mensen. Er waren geen vlammen te zien, wel rook het naar vuur en naar smeulend materiaal.

In het hotel werd de nacht onderbroken door geluiden van het plein (men haalt hier ’s nachts vuilnis op), het onweer (en hoe werkt een dakraam ook alweer?), een dreigende onwelwordende hond (gelukkig viel het mee toen hij op ons bed mocht liggen) en de mug die de hele vakantie met ons meereist.

Ondertussen regent het weer hard. Geen leuk weer om te shoppen of om terras op te zoeken. Alhoewel, een paar bollekes in het café voor we Nederland weer in moeten? Of een goede lunch? En eigenlijk moeten we Rubens bezoeken of Plantijn.

Spieden naar borsten en billen in bikinibroekjes 20-8-2011

Het is Zuid-Europees warm. Wij hebben een zomerhuis met schaduw en een zwembad. In de tuin valt het uit te houden, zolang je niets doet dan een boek lezen of voor je uitstaren. Het windje verkoelt niet langer. Als een klein broertje van de mistral veegt het briesje de warmte naar je toe. De zon draait en dwingt je telkens tot een stoelendans. In elke hoek van de tuin hebben we nu wel gezeten. Het is nu half vier, het ergste is achter de rug.

De stilte op de camping wordt herhaaldelijk doorbroken door zwemgeluiden. Gelach, geplons en af en toe een gil of en huil. De weg naar het water is niet lang, maar wel een tocht door de zon. Je weet van te voren dat je verkoelt uit het water komt, maar dat je halverwege terug al net zo bezweet bent als voor het zwemmen.

Een handjevol kinderen speelt bij het water. Jongentjes duiken hun met steentjes gevulde flesjes op, lachen elkaar uit om hun flutbommetjes. Twee meisjes van een jaar of zeven spelen beauty-centrumpje. Aan de rand van het bad, in een stenen weggetje hebben ze een kuil gevuld met water. Ze liggen er om de beurt in, bedekken de ander met modder, stenen en rotte bladeren. Daarna duiken ze in het bad.

Een moeder drijft in het water. De lippen gestift tegen de uitdroging van de zomerzon. De bikini kan nog net, over een jaar moet het badpak aan. Ik zit aan de rand van het bad, laat me opdrogen en kijk naar de kunstjes van mijn dochter in het water. Haar geplons zorgt voor frisse spetters. Ik denk terug aan de puberjaren die ik vulde met zwembadbezoek. Al had ik altijd wat te lezen bij me of iemand om mee te kletsen, ik hield door mijn brilletje alles in de gaten wat er aan andere sexe rondliep en –dreef. Sommige gewoontes doven niet uit, die hersencellen bestaan nog altijd. Ik zal het lijstje van vanmiddag aan borsten en billen voor me houden. Was ik nou een borsten- of billenman? Toch nog eens navragen.Wat ook nog altijd hetzelfde is dat het mooiste (al was dat vanmiddag eigenlijk heel relatief) meisje een hele onaantrekkelijke vriend bleek te hebben. Kinderachtig deed ze alsof ze of ze verdronk, hij moest haar redden. Overdreven acterend ontspon zich een reddingsoperatie die eindigt met een natte kus en een tik op het bikinibroekje. Naast mij zat een andere vader, ook met de beentjes in het water. Bij het zien van de scene dook hij snel het frisse water in.

De vrouw was ondertussen gered, haar man met zijn fletsblauwe zwembermuda zat alweer op het bankje achter zijn zonnebril. Het boek lag ongelezen, zij het opengeslagen op zijn schoot. Ik weet bijna zeker dat hij ook monsterend rondkeek. In ieder geval zag hij niet hoe zij vrouw met haar kinderen een rondedansje in het water maakte. De twee kleine meisjes veegden elkaar schoon met een handdoek die een half uurtje geleden smetteloos was.

Geheel verfrist loop ik het campingweggetje op naar ons huisje, op naar de schaduw. Ondertussen kijk ik goed rond of er niemand gered hoeft te worden.

Hypermarché 19-8-2011

Het is bijna fris in de luchtgekoelde hal van de hypermarché. Met uitzicht op de uitgang zit ik op de grond bij te komen van een drukke dag. Hond P. slobbert zijn water op, hijgt, trekt nog een keer aan zijn lijn. Dan legt hij zijn trillende lijf op de koele tegels. In zijn favoriete houding , op zijn zij,ligt hij te kijken naar het winkelend publiek.

Rechts van ons staat een vrouw op een publiek computerscherm te tikken. De gebaren zijn venijnig. Kort af wijst ze op het scherm, trekt met lange halen de aandacht van haar vriendin, die achter een vetgevuld boodschappenwagentje aan een fles mineraalwater lurkt. Ze wijst op het apparaat, ik kan het boze zweet onder de dikke armen bijna ruiken. Ik kan niet goed zien of het een gokcomputer is of een geldautomaat. Boos loopt ze weg, haar arm maakt een boze opwaartse heffing. Later zie ik dat het een fotocomputer is. Mooi was ze inderdaad niet.

Er lopen twee net pubermeisje langs. De prille jongedamesbenen bloot onder niets verhullende rokjes, al valt er weinig te verhullen. Het bh- tje dat uit het hempje plopt, heeft geen functie dan versiering. Naïef tikken ze op hun mobieltjes, alsof de wereld staat te dringen om contact met hen op te nemen.

Zeven gezinspakken vlees torst de jonge Fransman mee. Hij is het type ik rij 70 waar 30 is toegestaan en ik kleef aan elke bumper. Korte donker haar, vlassige ringbaardje, wit shirt en fletse spijkerbroek. Hij haast zich, alsof de BBQ al staat te roken. Het halve varken dat schuilgaat in zijn voorverpakte vleespotten zal geofferd worden aan de losbandigheid van de augustuszomeravond.

Naast de vleesgier, inspecteert een oudere maar nog niet bejaarde dame, de voorgedrukte wenskaarten. Haar zwarte katoenen jurk was ooit elegant, maar oogt nu verwassen. De zweetplekken van de overgang zijn te zien vanaf mijn ver verwijderde positie. Ze leest en keurt de tekst. Een afzichtige rode kaart met gouden cijfers uitstekend geschikt voor het bruidspaar met hun zestigste huwelijksdag. De kaart gaat mee in de tas. Zwierig loopt ze langs, de hakken tikken kittig op de tegels van de LeClerc.

Twee slechtziende kleuters, met bolle billen, bolle buikjes en bolle brillenglazen, krijgen van hun moeder een lollie. Hun broer is gezegend met goede ogen, hij weigert de dikmakers en loopt gezond met een appeltje. De forse moeder duwt een wagentje vol vettigheid de parkeerplaats op. Het contrast met de bleke, eenzame, bang kijkende jongedame is enorm. Zij loopt met slechts één boodschap de supermarkt uit: een doos koekjes.

Uit de brasserie tegenover me, komt een jonge zakenman. Gekleed in een linnen pak, loopt hij op klikkende schoenen langs. Te lang kijkt hij mij aan. Hij ziet een baard van een week, een vermoeide blik, blote benen en bevlekte korte broek. Hij bekijkt mij nadat ik een ochtend door de hitte gelopen had met de hond. Mijn gezin doet boodschappen in de koele hypermarché. Ik zit in de hal en denk aan koud bier.

Nacht en ontij met een eekhoorn 19-8-2011

Het is weer eens zo’n nacht, zo’n nacht die abrupt eindigt terwijl het nog donker is. Staren naar het onzichtbare plafond, bril opzetten om de contouren en schaduwrandjes toch te kunnen waarnemen, daar was ik aanvankelijk mee bezig.

In een flits denk: eruit. Nu zit ik op de veranda en kijk uit over onze tuin en ons verdere uitzicht. De tuin is eigenlijk een gazon van ongeveer zeven bij zeven. Linksstaat een donkergroen metalen hek dat reikt tot de heup. Daarachter is een helling die begroeid is met bomen van verschillende afmetingen, soorten en leeftijden. Aan het eind van de tuin is anderhalve meter lager opnieuw een terras, waar tenten staan. Op de grens van de twee plekjes staan bomen. De een is een kastanje, van de andere vermoeden we dat het een nootachtige is. Wel weten we zeker dat op het terras onder het onze, een acacia staat; het licht groen-gele blad verfrist het uitzicht.

Ik hoor in de stilte die slapende mensen maken, natuurlijke geluiden. Als grondtoon is er het geraas van de rivier, die hier tientallen meters beneden flink doorstroomt. Een koe en een haan begroeten elkaar. Het heeft geregend vannacht, druppen petsen op het dak van het huisje en de auto. De druppels tikken onregelmatig voorbij. Nog meer vocht zie ik boven de vallei. Als de temperatuur oploopt, stijgt uit het groen een damp op. In vlagen hangt het boven de camping. Ondertussen is een vleermuis rondjes aan het trekken in onze voortuin. Hij schiet heen en weer tussen veranda en mogelijke notenboom.

Naast de mogelijke notenboom is er uitzicht op de bebost helling. Boven die rand is het licht aan het worden. Een wolk weerkaatst het roze uit het zonlicht. Rood-roze strepen lopen over de ochtendhemel. De zon laat zich nog niet zien, die is zich aan het uitrekken voor een nieuwe dag. Zo dadelijk zal de warmte beginnen. Tot die tijd kun je nog vogels horen tjilpen en zingen, helaas ken ik de geluiden niet bij de vogelsoorten dus deze gebeurtenis zal vervagen.

Als ik rookwolkjes toevoeg aan de ochtendmist en op de rand van de veranda zit, met mijn rug tegen een paal, hoor ik geritsel in de bosjes op de helling. Een eekhoorntje met imposante staart beklimt fluks een boomstam omlaag, scharrelt op de grond en schiet dan weer omhoog. Hij springt van tak naar tak, en verdwijnt in de diepte.

Met moeite kom ik omhoog, noteer ook dit ochtendgebeuren en check mijn accu, nog 65% over. Goed voor een uurtje laptop zonder netstroom. Ik kan dus nog even naar de receptie lopen en dit bericht plaatsen via de wifi. Als ik tenminste kan inloggen. Dan is de de ochtendmist ook in de tuin aangekomen. Het uitzicht wordt minder. Tijd om te posten.

Over een septictank 18-8-2011

Ons tweede huisje is van alle gemakken voorzien en staat ietwat verscholen op een hoger gelegen stuk van de camping. We hebben ons eigen badkamertje en privétoiletje. Onder ons gazonnetje is de septictank verscholen. Als je pech hebt, zei de eigenaar, en je zou je auto parkeren op het grasveldje voor het huisje, zak je weg in je eigen uitwerpselen. Telkens als ik nu in ons tuintje zit, en de stoelpoot zakt een beetje weg in bijvoorbeeld een molshoopje, vrees ik door de grond te gaan en in de shit terecht te komen.

Maar goed, een eigen sanitair betekent dat je niet perse weg hoeft van je plekje. Als de koelkast gevuld is met lekkere kaasjes en worstjes, bier en rosé, en ook voldoende voor een avondmaal, hoef je in principe niet van je terreintje af te komen. Vandaag is zo’n dag. We hangen wat rond, liggen in de hangmat, slepen een stoel de tuin in, lezen en doen een spelletje, ik pingel wat droevige melodietjes op mijn gitaar en schrijf verder aan mijn verhaal dat zich Groningen afspeelt. We nemen een biertje en eten een chipje, als lunch doen we omeletjes. Af en toe kijken we naar de lucht, het leek te gaan onweren, maar ook die bui had er geen zin in. De wind stak even op maar laat het er ook maar bij zitten.

Kortom, er is weer eens een sitting on the dock of the bay- moment. Dat gaat ook prima zonder de cd van Otis, die we uitleenden aan de moeder van J. en D., omdat die alleen maar de soundtrack van Mamamia en de Golden Hits van ABBA in de auto tot hun beschikking hadden, er zijn natuurlijk grotere vakantiedrama’s denkbaar, maar ze was heel blij met de geleende cd’s. Wij gaan maar weer eens verder met ons verglijden van de tijd. Het is een feit, wij zijn geen reizigers meer, wij zijn touristen die niet op reis gaan, maar op vakantie zijn. Tussen gaan en zitten, schuilt het verschil. Ergens begint het te kriebelen, morgen maar weer eens op pad, beetje rondkijken in Albi en de omgeving verder verkennen.

Voor nu: sitting on the top of septic-tank.

Een mug doodmeppen met je E-reader 17-8-2011

In onze vakantie lezen we veel. Standaard gaat er een kratje boeken mee. Dit jaar is er iets nieuws: de e-reader. Een mooi zwart etuitje, zo groot als een A5 bloknootje. Daarin zit het zilverenkleurige Sony apparaat. Thuis heb ik het ding volgeladen met e-books en luisterboeken. Via het touchscreen is de digitale boekenplank te benaderen. Met een sierlijk vingerveeg naar links blader je naar de volgende pagina, en andersom vegen weer terug. Al lezende vergeet ik steeds in welke richting ik ook al weer moest bladeren, zodat ik regelmatig een bladzijde herlees. Romans krijgen zo een diepere laag, als je bladzijdes in de verkeerde volgorde leest.

Ook interessant wordt een boek als die in je e-reader verkeerd op de pagina gezet wordt. Halverwege de bladzijde verschijnt dan het paginanummer, of nog sterker midden in een woord.Je leest dan ‘ger 45 echtelijke’. Het houd je bij de les moet je maar denken.

In het etuitje is een leuk led-lampje gemonteerd. ’s Nachts heb je geen moeite om door te lezen, jammer dat we niet meer in een tent liggen. Het gehuurde huisje, zonder zwembad en moordlustige huisarts, is inclusief bedlampjes, die dus alleen aangaan voor de muggenjacht. Dat is een nadeel van de e-reader: vuile zoemende muggen kun je er niet mee aanvallen, als je tenminste wilt doorlezen na de aanval.

In de eerste week van de vakantie zapte ik zo door mijn e-book. Nu heb ik het zwaardere analoge boek weer ter hand genomen. In een luie houding met een zwaargewicht in de hand in de schaduw. De e-reader heeft Mijn Lief in bezit genomen. Als is zij geen elektronica-liefhebster (haar nieuwe mobiel is al diverse malen de wacht aangezegd), ze is enthousiast. Ik vrees dat ik een tweede e-reader moet gaan zoeken.

Gelukkig is de stapel boeken in het kratje er nog. Genoeg te lezen op papier om de week door te komen.

Met KNUT en IVAR in Frankrijk 15-8-2011

Vandaag hebben wij onze denkbeeldige tent verplaatst. Na een rit van zo’n vierhonderd kilometer vonden wij het tijd voor een middagmaaltijd. Het regende, het was druk, en wij hadden geluk. De auto kon bijna voor het restaurant geparkeerd worden (weliswaar op een helling, en voorwaarts inparkeren tegen de helling op, is niet mijn ding, als bijrijder) en op het terras vonden wij een fijn tafeltje. Zoon S. en ik waagden ons aan een viergangen menu. Het ging er lekker in. Uiteindelijk zaten wij alleen aan tafel. De dames gingen voor een bescheiden maaltijd, waren eerder klaar en gingen alvast het stadje bekijken. Zo zaten wij mannen aan de kaas en de fruittaart. Om ons heen ruimden de serveerster en de patron het terras op. Toch bleven ze vriendelijk, al hielden ze de vaart erin in onze bediening. Wij hadden onze buiken zo vol gegeten dat wij bij het zien van de steile weg naar het middeleeuwse hooggelegen stadje spontaan afzagen van een bezoek. Wij wachten beneden wel.

Met een volle buik, reden wij naar ons volgende huisje. Het is een nieuw chaletje op een redelijk grote camping die behoorlijk georganiseerd is. Een wat ouder echtpaar bestiert de boel. Mevrouw houdt haar welkomstriedel en sommeert manlief ons de weg te wijzen. Op dat moment is man met een accuboormachine bezig. Hij ziet ons staan, kijkt op zijn horloge, het is half zes en krijgt een uitbrander van zijn vrouw. Zoiets is ongastvrij. De vrouw krijgt een kille blik. Er dreigt een woordenwisseling te ontstaan, nee dat is gastvrij! Mevrouw bepaalt dat haar man met mij in onze auto meegaat. Wij werpen tegen dat bij ons de vrouw rijdt. Dat is even wennen voor het stel. ‘En je moet gewoon in de een blijven rijden,’ raadde de man nadrukkelijk aan. Zoiets moet je nooit zeggen tegen Mijn Lief, die is nogal zelfstandig en niet zo gediend van oudere mannen die vertellen hoe het moet.

In ieder geval heeft het stel ervoor gezorgd dat het huisje IKEA-fris is ingericht. Het is net alsof we in de IKEA-catalogus verblijven. Met IVAR en KNUT in Frankrijk, zoiets. Ook het beboste karakter van de camping suggereert een Scandinavische setting. Er zijn hier zoveel bomen en we zitten zo diep in een vallei dat er geen bereik is op onze mobieltjes. Omdat we graag contact wilden leggen met onze vakantievrienden, die morgen op bezoek komen, moesten we vanochtend een ritje maken op zoek naar bereik. Turend op de displays van onze mobieltjes, hopend op streepjes achter het schematische antennetje, tuften we door de omgeving vol haarspeldbochten, rotsen en wilde riviertjes. In het nabijgelegen dorpje tikten we beiden sms’jes die deden alsof ze verstuurd waren. Antwoord bleef uit. Vlak voor we ons donkere klein Zweden weer indoken, kregen we bericht terug. Missie geslaagd.

Overigens is de blikopener uit de IKEA-collectie van het type KUTT, of in goed Platlands: kut.

Vuur op de kampeerplaats 10-08-2011

Voor onze kampeerplek is een vuurplaats. Het is een oude veld van een vrachtwagen. Verroest en met as bedekt. Rondom het terrein mogen we hout sprokkelen. Elke avond zie je stoere vaders de bossen in gaan op zoek naar brandstof. Ik volgde natuurlijk. Met bergschoenen aan, maar met blote benen zocht ik mijn weg door brandnetels, bramenstuiken en prikkeldraad. Binnen de kortste keren liep het bloed uit mijn kuiten en kon ik de schrammen al niet meer tellen. Ach, ondertussen ben ik wel weer gewend om door het struikgewas en door de modder te struinen, op zoek naar iets van waarde. Je komt in ieder geval weer eens in contact met de natuur. Ik keek goed uit en zo groeide de stapel hout gestaag. Ik vond takken en kleine stammetjes die op het oog droog genoeg waren voor ons kampvuur.

In een grote IKEA-tas legde ik de voorraad neer. Na een kwartiertje had ik voldoende bijelkaar gesprokkeld. Ik kon de tas net nog dragen, al moest ik bij elke stap bergopwaarts mij moed in spreken. In een heel rustig tempootje kwam ik boven. Als goed voorbereide kampeerder kon ik nu de bijl gaan gebruiken. Keurig hakte ik de grotere takken in hapklare houtblokken. Mijn zoon verzamelde kleine aanmaaktakjes en met wat oude kranten kregen we het vuur redelijk aan. Sommige houtstukken bleken toch nog te vochtig te zijn. Rook kringelde al snel omhoog voor onze stacaravan.

Het is heerlijk om een vuurtje te hebben. Met Mijn Lief zat ik gisterenavond bij ons vuur. De kinderen hingen bij hun campingvriendjes en kwamen pas bij de laatste houtjes terug. Tot dat moment had zich al heel wat romantisch gedoe afgespeeld bij het vuur. Om eerlijk te zijn kwam het neer op stilzwijgend naar de likkende vlammetjes staren en met een dikkere tak het vuur oppoken. ZO verdween tak na tak, ook de vochtige stammetjes branden uiteindelijk. Geen gedoe met marshmallows of met te poffen aardappeltjes, nee gewoon kijken naar de tinten oranje en rood en blauw in het vuur. Opletten dat de rook niet in je ogen kwam. Ik ploinkte wat op de gitaar. En zo werd de vurige idylle net echt.

’s Ochtends ligt de vuurplaats er onschuldig bij. De witte as bedekt de bodem. Al wat een houten substantie was, is verdwenen. Ook de pookstok is verteerd door het vuur. De IKEA-tas is leeg. Er wacht een klusje. De bijl moet straks weer gehanteerd worden. Wie wil genieten moet aan de slag. Geluk, daar moet je wat voor doen.

Een licht erotisch slipje tussen dreumesbroekjes 10-8-2011

Douchen op een camping is gebruikmaken van het sanitair. De eerste douchebeurt op deze camping hield niet meer op. Ik drukte, of beter, ik tikte vrij fors, op de aanknop van de douche. Normaal slaat zo’n knop na 25 seconden af en stopt de watertoevoer. Dit keer bleef ie stromen. Op zich niet erg, een lekkere warme douche is niet te versmaden. Maar afdrogen met een stromende douche naast je is moeilijker. Wat ik ook probeerde, ik kreeg hem niet meer uit. Ik kleedde me aan en meldde me bij de campingbaas. Die bromde wat en begon zijn reparatiewerk.

De volgende dag nam ik toch maar een andere douche, die keurig om de halve minuut stopte. Ik stond in mijn douchekostuum onder de warme straal. Het was kleutertijd in het toiletgebouw. Moeders hielpen hun peuters met het tandenpoetsen en handen wassen. ‘Nee, Jente, nog even hier blijven, hier staan, nog even je handjes doen.’ Nee, als moeder heb je nooit vakantie. Gelukkig zijn er ook vaders, maar die gebruiken zelden veel woorden om hun kleintjes schoon te krijgen.

Toen ik begon aan mijn wasbeurt stond een beginnend pubermeisje traag en loom met een afwasborsteltje het sop rond te draaien in een teiltje. Na twintig keer de aanknop te hebben ingedrukt in mijn douche, en mij geheel afgedroogd en aangekleed te hebben, stond ze er nog. Het sop kolkte ondertussen, maar de afwas moest nog gedaan worden. Buiten deed een moeder gekleed in tuniekje met een namaak Deseguell-printje en een EDC-legging en haar voeten gestoken in elegante Crocqs, een campingwasje. Lekker met de hand de vakantievlekken uit het kindergoed weg te boenen. Een sliert peuterbroekjes hing al aan de lijn. Tussen de hempjes en broekjes van de kleintjes hing de net verwisselde HEMA-slip van vader en een zacht broekje met licht erotische randjes van mama. Illusies tussen de slaapzakken. Ook ouders maken vlekken.

De eerste kinderen stonden naast het washok al met hun hoofd in de zandbak. Nieuwe vlekken waren al weer ontstaan. Straks kon de moeder opnieuw beginnen. Vakantie met een dreumes, is nooit lekker stilzitten met een roseetje en een boekje. Het verblijf op de camping is voor jonge moeders vooral een langdurige wasbeurt in het toiletgebouw. Zonder rust kan het aan een keer door gaan met schoonmaken, wassen, tandenpoetsen. Maar dan wel gekleed in een fleurig tuniekje en een zonnebril in de haren.

Het leven is een marshmallow 10-08-2011.

Het leven is een marshmallow. De hele avond zaten mij lief en ik aan het kampvuur. Gisteren haalde ik zoveel hout dat we vandaag genoeg hadden voor een bbq en voor een liefdesvuur. De kids gingen hun eigen weg en hun eigen wereld. Op deze camping hebben ze genoeg contacten opgedaan om de dag door te komen. Ze hangen in de hangar, waar de bar ’s avonds geopend is en een groot vuur brandt tenmidden van een mamamini emmbeubalge van bankjes en fauteuils. Wat zich daar afspeelt houden ze voor zich en dat hoort ook zo. Wij kunnen wel bedenken wat er bekletst en verouwehoerd wordt.

Dus onze avonden zijn kinderloos. We drinken koffie, lezen wat, beschouwen het leven en openen nog een koele fles rosé. Aan het eind van de avond is die leeg, niet in de laatste plaats door de ongelijke, scheefstaande picknicktafel. Mijn Lief vertelt over haar niet-vakantie-liefdes. Ik blijf stil. Zij pookt in het vuur, het oranje gloedsel laait af en toe op. Net het leven of een goede relatie. Het kost tijd om het aan te krijgen, het heeft ruimte en lucht nodig om op te vlammen. Als het een maal aan is, kan een kleine luchtstroom ervoor zorgen dat de liefde weer oplaait.

En toen was er geen brandstof meer. Het hout raakte op en Mijn Lief porde met haar stokje nog wat in het rond. De avond was al lang gevallen, de maan bijna rond en straks komen de sterren. Koud zal het weer worden en ook de koeien en de honden zullen zich vannacht weer roeren. We praten nog even over de kinderen die nog steeds niet terug zijn. Vrijheid, geborgenheid en ruimte dat is wat we ze bieden. Hopelijk gaan ze hun eigen weg studeren, en internationaal erop uit trekken.

Dan komt een geroffel naderbij. Over de heuvel rennen ze met hun vrienden naar hun ouders. Even lijkt het een invasie van pubers te worden. De andere kinderen begrijpen dat ook hun ouders zitten te wachten bij een uitdovend vuur. Met z’n vieren gaan we om het vuur zitten. We sprokkelen nog snel wat hout en blazen de sintels aan. De vlammen likken naar boven. Met de laatste stokken maken we marshmallows warm. Het leven is een marshmallow, zoet en warm, prettig krokant. Als je er te veel van krijgt word je misselijk, en toch smaakt het altijd naar meer. De belofte van de warme zoetigheid is fijner dan het werkelijke genot in je mond. Het leven is een marshmallow. Als je pech hebt valt het van je stokje en verteert het vuur je marshmallow. Maar daar moet je tegen kunnen anders moet je het vuur mijden. De marshmallow zal dan niet smaken zoals het moet. Risicio’s horen bij het leven. Als je geen risico’s neemt, zul je nooit ervaren hoe mooi en rijk je leven kan zijn. Trek erop uit, laaf je aan een frisse bron en warm je aan een vuur. Deel het met je geliefden. Met een marshmallow aan je stok ben je een compleet mens als je vol zorg je marshmallow boven het vuur warmt en hem afstaat aan je zus als die haar marshmallow in het vuur ziet storten.

Het leven is een marshmallow.

Kamperen is afzien en een test voor je relatie 13-8-2011

Kamperen is afzien en een test voor je relatie. Eigenlijk begint dat al in de auto. Het kaartlezen en het opvolgen van de daaruit volgende instructies is een balanceren op een hooggespannen draad boven diepe afgronden. In een geoliede relatie rijdt de bestuurder direct de opgegeven route die de bijrijder opgeeft. Als de bestuurder twijfelt moet de bijrijder dat kunnen accepteren. Het is natuurlijk een deuk in je ego als je moet toegeven de weg niet goed hebt afgelezen uit de Michelin. Fout loopt het als na een bijsturing van achter het stuur, de bijrijder de kont tegen de krib gooit. Niets meer zeggen of nog erger foute informatie geven is dodelijk voor je verhouding. Helemaal overtreffend in ellende is het om schamper te lachen als blijkt dat de genoemde maar verworpen routeinformatie toch juist is, en de auto zich steeds verder verwijdert van het reisdoel. Zo’n lachje krijgt een echo in de relatie en zal de splijtzwam worden in het verloop van de verhouding.

Kom je door de vuurdoop van het kaartlezen, om over kritiek op de rijstijl te zwijgen, dan volgt het opzetten van de tent. Tip hierbij is om de meest ervaren persoon de leiding te laten nemen en te vragen naar wat je moet doen. Stel je dienstbaar op. Gebruik duidelijk woorden, laat je commanderen. Een tent opzetten doe je niet in je eentje, maar met twee kapiteins komt het schip onherroepelijk vast te zitten.

Staat de tent dan moet je alsnog oppassen. Verdeel de taken eerlijk, laat de ander doen waar ie goed in is, deel complimenten uit en ga je nooit uitsloven door alle kampeertaken op je te nemen. Dus de een kookt, de ander wast af. Als er voor je brood gehaald wordt in de kampwinkel, maak jij het vuurtje voor de avondromantiek.

We zagen het vandaag misgaan op onze camping. Terwijl wij de taken uitstekend verdeeld hadden (ik las een boek, Mijn Lief maakte de stacaravan schoon) hoorden wij ineens het gerinkel van een fles die over het veld gegooid werd. Sinds eergisteren staat er een gezin (type oudere man met cap en halfkorte broek, net begonnen aan de tweede leg bij nieuwe vrouw met kind uit eerdere relatie en zwanger van hun gezamenlijk nachtelijk gezwoeg) in een tent. Het was al opgevallen dat hij veel rondliep over het terrein. Samen voetballen of vliegeren met het jongetje, de relatie moest duidelijk opgebouwd worden. Samen gebeurde er weinig, man en vrouw leefden langs elkaar heen. ‘Wat doe je nu? Je lijkt wel een klein kind dat zijn zin niet krijgt.’ De vrouw probeerde het zachtjes te roepen. De man geneerde zich niet: ‘Ik loop de hele dag de benen uit mijn lijf en krijg alleen gezeur te horen van jullie.’ Kijk dat bedoel ik, niet goed de taken verdeeld, jammer. De worstjes waren aangebrand. ‘Ik kan niets goed doen,’ ging de man verder. Ik moest mij bedwingen om mij niet om te keren en uitgebreid te kijken. Mijn boek hield ik als alibi voor me, las niet meer en hoorde hem sissen dat dit de laatste keer kamperen was. ‘Ik heb het helemaal gehad.’ Het kind redde de situatie. Als een volleerde vredestichter zei hij dat hij de worstjes heerlijk vond. Later werd het jongetje door zijn moeder voorgelezen, hij schaterde het uit. De man rommelde in zijn Volvo. Waarschijnlijk zocht hij bij het licht van het dashboardkastje op de ANWB-routekaart de snelste weg terug naar Nederland.

Veranda: just waisting time

Op de weg door België zongen we mee met Otis Redding. Zijn Sitting on the dock, is een favoriet van mij. Het beschrijft het ultieme laat maar waaien gevoel. Gewoon op een mooi plekje zitten en de wereld aan je voorbij laten gaan. ‘Watching the ships go by’, zingt Otis. Momenteel is het sitting on the dock-idee vervangen voor sitting on the porch. Amerikaanse landhuizen hebben er vaak zo een, voorzien van een schommelstoel en een hangende lantaarn. Vanaf de veranda heb je uitzicht op wat komen gaat. Het beeld komt veel voor in films, boeken en liedjes. Even een wilde associatie-vlucht met het begrip ‘porch’.

The Color Purple heeft scènes met een witte porch. Vaag herinner ik mij een oude zwarte dame die op haar schommelstoel mijmert over vroeger. Pippi Langkous had er ook eentje met een wit paard erop. Had Garp er ook niet een? Nee, het was zijn moeder die een groot huis aan de zee had gekocht met een veranda vol zeezicht. Roberta James wordt er uiteindelijk vermoord door een mannenhaatster. (Roberta was een voormalig American Football speler van bijna twee meter, die bij nader inzien toch liever een vrouw wilde zijn, zijn schoudervulling werd getransformeerd tot borsten, maar dat terzijde). Vanaf de veranda keek het gezelschap rondom Garp graag terug op wat geweest was, en konden zij letterlijk zien wie er aan komt. Trouwens, over Garp gesproken, hiernaast onze stacaravan staat een oranje Volvo, een kofferbakmodel 240. In Garps leven speelt die auto een gruwelijke rol. Garp komt met zijn zoontjes Wolf en Duncan aan bij zijn huis en rijdt de wagen naar de garage, die onder het huis is. De helling die hij moet nemen zorgt voor veel vaart, maar hij weet uit ervaring hoe hij moet remmen. Helaas gaat het mis. Hij botst op de daar geparkeerde auto van zijn vrouw, die door de knal haar minnaar op pijnlijke manier met haar tanden ontmand. Dat op hetzelfde moment een van de zoontjes op de versnellingspook, waar de knop van afgeraakt is, zijn oog verliest lees je pas tien pagina’s verder. Maar dat heeft niets met een veranda te maken. Al is het wel een associatie.

Er is een liedje van Robert Cray over de lantaarn op de veranda: ‘Porch Light’. Als ’s avonds het licht op de veranda brandt, weet hij dat hij welkom is. Hij, de strong persuader, sluipt dan nabij om zijn minnelijke streken uit te halen. Om dan vrolijk te vertrekken, ‘she was just another ax (?) on my guitar’. Nee, laat die Cray maar schuiven, ‘I was right next door,’ zingt hij ontdaan van elk schuldbesef. Maar gelukkig wordt hij ook wel eens vergeten zoals hij ooit bezong: ‘I lit two new candles, set two glasses out for wine,’ hij beschrijft zijn verwachting voor zijn date, maar twee uur later moet hij constateren dat ‘both candles just burned down, I’ve sipped the wine, till it’s all gone’, en dat ‘I’ve slipped her mind’. En zijn porch light ging uit.

Maar goed, ik zit dus op de veranda, naast hond P. We hebben net gestruind door de bossen, een beekje overgestoken, bramenstruiken overleefd en brandnetels gevoeld. Nu is hij totaal ontspannen en zit ik er naast zoals ik in het verleden vaak naast een van de kinderen zat als die in de tent wakker geworden waren en een papje moest hebben. In de krappe ruimte verschoonde ik dan een luier, altijd lekker op je nuchtere maag. Buiten klapte ik dan de buggy uit en zette het kleintje erin. Zo had ik mijn handen vrij voor het opwarmen van de melk. Heel vroeg was het zelden, maar half acht op een regenachtige camping voelde wel zo. Overal gesloten tenten en caravans. Rust heerste. Omdat kamperen primitief moest, dat was namelijk leuk, hadden wij geen uitgebreide kampkeuken. Op mijn knieën bereidde ik op een klein campinggasje het maaltje voor de kleine. Met kalmte, geluk en een slabbetje lukte het me zonder knoeien het ontbijt binnen te lepelen. Immers, wassen is een crime als je primitief kampeert. Met mooi weer was het geen enkel probleem om dit voor de tent te doen. Als het regende was het behelpen geblazen. Maar goed, kinderen zijn er mede groot door geworden. Zo groot dat ze tegenwoordig een gat in de dag slapen en net zo laat naar bed gaan als wij.

En zo zit ik hier op de veranda, waisting time. Een hond behoeft geen pap, laat staan een slabbetje. Die slaapt gewoon weer verder. Het regent, maar wij zitten droog. Iemand moet brood halen, is dat gek om met de auto naar het begin van de camping te rijden?

Slapen in een stacaravan

Nooit had ik gedacht dat ik zou slapen in een stacaravan. Ik ben net wakker en moet bekennen dat er niks mee is. Sinds we niet meer keer kamperen, misschien wel de meest ingrijpende verandering op het stoppen van werk na, huren we in de vakantie accommodatie op campings. Vorig jaar deden we dat in een stenen huisje. Nu kozen we voor een stacaravan. Mijn associaties met een mobile home waren niet positief voor de mensheid. Ik dacht aan dikke buiken van vele blikjes bier, die na lediging onachtzaam in de hoek geworpen werden waar de vuilniszakken driehoog opgestuwd lagen en de eerste maden al naar buiten kronkelden. Tatoeages op vette armen, geen trendy hippe huidsversiering zoals in het heden, maar van die verlopen, slecht gezette inktprints die slechte smaak verraden, of misschien wel propageren dat het leven net zo verrot is als de mislukte huidtekening van een cliché voorstelling van een dreigend dier, zeg maar een slang of een adelaar. Terwijl ik ook weet dat de tattoo tegenwoordig een upgrade heeft doorgemaakt. Nee, mijn voorstelling van een stacaravan moet ik na deze nacht toch bijstellen.

Want het is een hele leuke. Of eigenlijk is het meer de aankleding van de grote caravan. Over de hele breedte van een meter of acht is een houten veranda van vier meter diep. Deze loopt over de hele caravan heen. Eigenlijk staat de stacaravan onder een soort carport. Op de porch staan een lekker hangbank (ingenomen door hond P.), een eettafel en een buitenkeuken. Er hangen kleine bistrolampjes en met brandende kaarsjes leek het gisterenavond zelfs romantisch. In de caravan, die merkwaardig genoeg ‘De André’ is gedoopt, toen ik de plastic Hartmann-stoeltjes zag die André Hazes in zijn Vinkeveense villa had en waarop hij zijn teksten bijelkaardichtte met rijmwoordenboek en sixpack, kreeg ik een idee voor de naamgeving, is de indeling overzichtelijk. Drie kleine slaapkamertjes en een woonkamertje met een hoekbank. Onze slaapcabine is net groot genoeg voor een bed. Met het raam open en je ogen dicht is het ruim genoeg. Onze nachtrust was prima, tot hond P. zich meldde aan de deur. Met zijn nageltjes op het zeil maakte hij nerveuze dribbelgeluidjes. Zijn snuit klopte op de deur.

Zo kwam het dat we om acht uur al uit de slaaphut kwamen en we konden genieten van een blije hond en een fijn ochtendzonnetje. Ik had de eer om als eerste het baquette en de pain op te halen in de kampwinkel. Het rondje over de camping zorgde voor een totale ontspanning. Gezinnen met jonge kinderen leken al heel lang op te zijn, aan de geïrriteerde toon van de ouders te horen. Tenten bogen door onder het gewicht van de vannacht gevallen regen. Plassen stonden voor de toiletgebouwen. Kortom, in onze stacaravan is het goed toeven, vooral nu het ontbijt is klaargezet en iedereen klaar zit voor het zondagse ochtendmaal.

En natuurlijk straks naar de brocante en de hypermarché.

Het Franse leven kan beginnen, ook in een stacaravan.

Zwarte Zaterdag in de Franse Regen

De Franse snelwegen op Zwarte Zaterdag bezoeken is vragen om moeilijkheden. Gisteren waren we tot vlak onder Parijs gekomen. Vandaag moesten we nog een paar honderd kilometer zuidwaarts rijden. Het eerste stuk ging voorspoedig. Lekker tempootje, niet al te druk en de sfeer aan boord was goed. Ik las mijn e-book, zoon zat ondergedompeld in zijn i-pod muziek en dochterlief knorde mee met haar nintendo. Mijn Lief deed wat ze het liefste doet in de auto: doorrijden.

Ondertussen speelde de auto-cd-speler onze reis-cd’s. Van Anouk ging het naar Moke en tenslotte door naar Acda en Munnik. ‘Naar Huis’, is onze oudste on the road muziek. Het Vondelpark wordt bezongen en Herman die er de brui aangeeft, zijn tas de vijver in mikt komt steeds langs. Ook komen de Wolven als het vuur gedoofd is. Mijn Lief geniet als ze de vaart erin kan houden, net een fractie boven de maximale 130 en mag meegalmen met de muziek. ‘Ga niet weg voor een ander. Omdat ik zo verdomd veel van je hou’, klonk het boven de motorgeluiden heen. Ineens bedacht ik dat de cd vol negatieve thema’s zit, nl. mannen met oerdriften. Te veel zuipen, zielig doen, te veel roken, vreemdgaan en het burgerlijke bestaan ontkennen, dat soort onderwerpen. ‘Van al mijn jongensdromen is alleen het ouder worden gehaald.’ Die teksten brullen we mee, in onze modale gezinsauto, op weg naar het ultieme familiemoment van het jaar.

En toen wist ik even niet de juiste gegevens van de Michelinkaart af te lezen. En kwamen we ook nog eens in de file te staan. Langzaam rijdend en stilstaand verkeer, dat soort werk. We kropen Frankrijk door. Wel lekker de tijd om aan je relatie te werken. Helaas viel ik in slaap. Net op tijd wakker om mee te maken waarom we in de file stonden: de snelweg van Tours voegde op een bepaald moment in. Die extra toestroom vertraagde het verkeer. Fijn om te weten.

De cd-speler was uitgezet. In de regen draaiden we een parkeerterrein op. Er werd getankt en ik liet hond P. uit tussen de vrachtwagens. Zoon en dochter gingen ook plassen. Althans hij kon zo door lopen, zij moest in een enorme feminiene wachtrij. De plassnelheid van mannen is beduidend hoger, door de uitvinding van de urinoir. Snelle plas en je weer een weg door de wachtende dames heen knokken. Geen koffie, want het was te druk. En weer en route.

Hoe dichter we bij de camping kwamen hoe minder het regende. Er prikte zelfs een zonnestraaltje door het wolkendek. Zonder moeite reden we rechtstreeks de camping op. Het ging pas regenen toen we onze spullen hadden uitgepakt en een kopje koffie namen op onze tijdelijke veranda. Het Franse leven kan beginnen. Na de Zwarte Zaterdag, komt de Zonnige Zondag, toch? De avondlucht kleurt in ieder geval een beetje rose.

Groene camping, geen netwerk

Effe mail checken is op het platteland een heel gedoe. Op onze camping is het zo groen dat er niets van een netwerk in de lucht hangt. Onze mobieltjes hebben alleen bereik boven op de heuvel. Telkens als ze we boven komen piept er een sms-signaal. Om mijn blog-berichten te kunnen posten moet ik het kampeerterrein verlaten.

Zo belandde ik bij een hypermarché. Daar kun je alles krijgen, van babyvoeding tot damesslips en moet er toch ook wifi zijn. Naast de kassa’s opende ik de laptop. Een beetje gespannen tikte ik de wachtwoorden in. En ja hoor, er waren netwerken beschikbaar. Helaas afgeschermd door wachtwoorden. Stukje lopen, richting het dorp dan maar. Bij de eerste huisjes klapte ik het scherm weer open. Opnieuw geen vrije netwerken. Teleurgesteld zocht ik in de supermarkt Mijn Lief op. Samen haasten we ons door de paden om de zondagse boodschappen te scoren, voordat de winkel om twaalf uur ging sluiten. Op weg naar de kassa klonk een boodschap door de intercom en werden de lichten op halve kracht gedraaid.

Met de voorraad in de kofferbak, reden we het dorp in. Bij de kerk, centrum van het dorpse leven moest toch iets van bereik zijn. In het portaal van de romaanse kerk zocht ik contact. Tien netwerken boden zich aan, waaronder twee onbeschermde. Het leek te lukken. Misschien dat aan de achterkant van de kerk het signaal beter doorkwam. Met de geopende computer in de hand, liep ik een rondje. Op de stoep voor de bakker probeerde ik het nog twee keer. Zonder resultaat.

Ik heb moeite met stoppen, dus ik bleef het proberen. Mijn Lief wees op de koelbox, de ijsjes moesten nodig in het vriesvak gestopt worden. Ik knikte, stapte in en borg de laptop in de tas op. We kauwden onze dropjes op en doorkruisten het groene Franse platteland op weg naar de camping, in the middle of nowhere.

Op vakantie met een tophond

Met een hond op vakantie is het extra opletten. In de auto moet hij water hebben en af en toe een lekker brokje. Bij het uitstappen is voorzichtigheid geboden. Opletten geblazen om te voorkomen dat hij bijvoorbeeld los uit de auto springt tijdens een pauze op een parkeerplaats. Dus zorg voor een goede lijn en een stevige greep. Als hond P. eenmaal netjes is uitgestapt ( of beter uitgesprongen) dan begint het grote rondsnuffelen. Zo kom je nog eens ergens.

Achter de hond aan kwam ik tijdens een stop op een aire, op het terrein terecht van de truckers. Die staan op de parkings vaak wat achteraf. Als luxe-autorijder word je daar weggehouden. Je hebt er eigenlijk niets te zoeken. Nu had ik een alibi om daar achter hond P. aan rond te neuzen.

Imposante vrachtwagens stonden er, met opvallend vaak een kleine, dikbuikige man in de cabine. Sommige van de truckers zaten achter hun stuur te wachten op het moment dat hun tachograaf hen toestond om de baan weer op te gaan. Ze staarden doelloos de parkeerplaats over. Turend naar een eindeloze stroom vakantiegangers op zoek naar betere oorden.

Een beeld bleef me bij. Een Franse camionist had een defect aan zijn wagen. De cabine had hij geopend en balanceerde nu op de neus. Onder de schuinstaande cabine rommelde hij wat met zijn gereedschap. De instrumenten kreeg hij aangereikt door zijn dochter die nog geen tien was en tijdens de vakantie met papa mee mocht door Europa. De samenwerking verliep prima. Geen enkele keer gaf het meisje de verkeerde sleutel aan. Of de reparatie geslaagd was, weet ik niet. Hond P. kreeg ineens in de gaten dat aan de andere kant van de bossage het vrouwtje en de rest van ons gezin liepen. Zo snel zijn labradorpootjes hem konden voortstuwen rende hij over het gras naar hen toe.

Later lag hij lekker op zijn kussen in de auto. Geen centje pijn zo’n hond mee op vakantie. In het hotel wist hij ook snel een lekker plekje te vinden. Geen haar op zijn kop die aan blaffen denkt. Het is een tophond. Morgen mag hij weer mee.

Rondje Arc de Triomphe

Mijn missie is geslaagd.Ik heb zonder stress of paniek Parijs gehaald. Of beter, mij naar Parijs laten rijden. België heb ik suffend doorkruist. Met de i-pod, kussentje in de nek, en oogjes toe sloot ik mij af van de snelweg. Ik deinde mee op het optrekken en afremmen van de auto. Ik protesteerde tegen mijn reflexen, ook in nijpende situaties hield ik mijn ogen dicht.

Het ging voorspoedig. België had eindelijk eens werk gemaakt van de snelweg. De asfaltlaag (of beton) was geheel vernieuwd. Geen gaten of spoorvorming. Veilig suisden we over de weg naar Lille. De cd-speler werkte zich door het oeuvre van Otis Redding. The Dock of the Bay klonk heerlijk in de cabine. Op de Franse tolweg naar Parijs gebeurde het.

Het was een moment van complete overmoed, een bravoure die je maar zelden tegenkomt. Maar het gebeurde. Toen Mijn Lief mij vroeg de route om Parijs te voor te bereiden (Creteil enzo) opperde ik dat het stoer zou zijn om dwars door de hoofdstad van Frankrijk te rijden. Het idee werd weggelachen. Iemand riep dat Parc Asterix nabij was. Maar de tijd dat de temperatuur aan boord opliep van de twee uit de bossen stekende helmpuntjes van de Galliër, wat overigens elk jaar minder makkelijk ging door de groeiende bomen rondom het park, is al lang voorbij. ‘Bluf’, riepen wij toen mijn lief beweerde dat ze best door de binnenstad durfde te rijden. ‘Op naar de Arc de Triomphe!’ riep ik. Kennelijk durfde ik door de voorspoedige reis alles aan. Het bleef een tijdje stil achter het stuur. Met ‘Kijk een groot vliegtuig,’ probeerde ze het nog af te leiden. Ineens zei ze tegen me: ‘Als je het heel graag wilt,’ op een toon alsof er een amoureus voorstel ging volgen. Stoer riep ik van ja. En zo reden we even later St. Dennis binnen. Port de la Chapelle, bedelaars langs de weg, vrouwen die je autoraam willen wassen en duistere types die bij rode stoplichten wel heel dicht bij de auto kwamen. Raampjes dicht en goed kijken. Kleurrijk Frankrijk reden we door. Langs Gare du Nord en Sacre Coeur kwamen we uiteindelijk voor de Moulin Rouge te staan. En ja we hebben een rondje om de Arc de Triomphe gemaakt en met de auto onder de Eiffeltoren doorgereden.

Mijn Lief is dus nu een echte stoere stadstuffer.

Helaas duurde het wel een tijdje voor we ons hotel vonden, maar nu liggen we lekker te rusten.

Let it rain

Gisteren mochten we bij een vriendin komen barbecueën. De nieuwe BBQ moest ingewijd worden. De dag verliep broeierig en plakkerig. Het was klef zomerweer. Een dag die wel moest eindigen met onweer en regen. Vlak voor het officiële ontsteken noopten donkere wolken ons tot het raadplegen van de Buienradar. Gelukkig liepen er jonge pubers rond met een tablet. Zij konden ons vertellen dat er van Assen tot Groningen een donkerpaarse, met rode stippen versierde vlek zou komen die voor urenlang wateroverlast zou zorgen.

Snel pleegde een van de andere gasten een telefoontje naar haar man. Trouw volgde de echtgenoot de instructies op en even later zaten wij onder een strakke partytent te luisteren naar de eerste drupjes. Het gekoelde bier smaakte er niet minder om. De hapjes waren heerlijk, en ook goed warm geworden, de verhalen klonken goed. Maar al halverwege was niemand meer te verstaan. Niet dat de alcohol zo rijkelijk had gevloeid, nee dat was het niet. De regen kletterde zo hard op het plastic van de BBQ-tent dat liplezen het enige middel van communicatie werd.

Het werd laat, donker en het bleef nat. Onze fietsterugtocht hadden we nu meerdere malen uitgesteld. Het was nu of een taxi bellen, of een nat pak halen op de fiets. De fiets-optie won. Nat zou je toch worden, ook als je naar een taxi toe moest lopen. In het donker sprongen we op onze fietsen. Kinderen reden voorop, en ik kwam achter mijn Lief aan.

Het was de eerste keer op mijn nieuwe fiets dat ik na zonsondergang op pad ging. Vaag stond mij bij dat het lichtschakelaartje ergens verwerkt was in de kilometerteller. Hoe ik ook drukte, ik kreeg geen licht te zien. Onverlicht en dus onverstandig reed ik de nacht in. Mijn brillenglazen vol met waterdruppels vertroebelden het zicht. Eigenlijk zag ik niets. Toch ging ik niet stapvoets rijden omdat ik niet te lang in de regenbui wilde blijven. Ik schakelde op en voerde mijn tempo op. Ineens zag vlak voor mij twee schimmen opduiken. Een fietsend echtpaar hielp elkaar midden op de rijweg in het regenpak. Met meer geluk dan wijsheid scheerde ik langs het stel. Om niet te veel aan de linkerkant van de weg te komen, stuurde ik meteen richting de rechterberm. Ik zag niets. Te laat merkte ik dat ik in de diepste plas van het hele Stadspark had gemanoeuvreerd. Tot mijn enkels ging ik ter water. Mijn schoenen stonden vol water. In de verte zag ik de rode achterlichtjes van mijn gezin.

Om toch als eenheid thuis te komen, trapte ik na de plas zo hard mogelijk. Onze wijk is via het fietspad bereikbaar. De aansluiting van de rijweg op het fietspad bestaat uit twee haakse bochten. Ik had nog steeds mijn lichtknopje niet gevonden. De eerste bocht miste ik door het gebrek aan verlichting op een haar. Kijkhard kneep ik in mijn remmen. Ik stond stil, een banddikte verwijderd van het hekwerk. Vlak voor huis haalde ik mijn gezinsleden in. Kletsnat, maar vrolijk door het ongemak, sloten we de zomerse dag af.