Wachten op een ogenblik

Mijn dochter en ik en haar vriendin hebben vanmiddag kroketten en saucijzenbroodjes gegeten in het restaurant van het ziekenhuis. We waren uitgehongerd geraakt na anderhalf uur wachtkamer. De diagnose was snel gesteld: de oogjes hebben een beetje hulp nodig om gewoon tv te kijken of te kunnen lezen. De oogarts, een geduldige grijzende jongeman op leeftijd, nam eens goed de tijd om mijn kleine lief in de ogen te kijken. ‘Mooi’, was zijn oordeel. Ik knikte. Niets aan de hand, alleen een beetje bijziend. Het ‘recept’ met de conclusie, de prijs voor een middagje wachten, borg ik goed op.

Ik vermaak me altijd kostelijk in ziekenhuizen. Met de meiden grinnikte ik om de co-assistent, die om de vier minuten de wachtkamer in kwam, een naam voor las van zijn lijst en vervolgens zonder patiënt af te gaan. Na een korte pauze keerde hij terug met een volgende naam en wederom geen patiënt.

Een fors norse assistente dribbelde rond, gilde af en toe een naam, waarbij ze naar het plafond keek, riep ‘loopt u maar even mee, deze kant op, graag,’ en verdween weer achter haar desk. De slechtziende had haar niet meteen opgemerkt en bleef hulpeloos staan tussen wachtruimte en gang. ‘Kamer veertien, linksaf,’ bromde de dame achter haar computerscherm. Dat kon niet missen, het kamernummer besloeg ongeveer de gehele bovenste helft van de deur, ook met min elf kon je het zien, kan ik getuigen.

‘Kijk, die kamer is BK-13, waarvoor staat die BK?’ vroeg ik de meiden. Opties waren: babykamer, bloedkruiper en de leukste was natuurlijk, Bezemkast. Ja, wachten leidt tot meligheid. De dame aan de andere kant van de wachtkamer, zuchtte zoals alleen in wachtruimtes gezucht kan worden. ‘Vorige keer had ik om half drie een afspraak, ik was om vijf uur aan de beurt.’ Opbeurend. Wij drietjes keken de vrouw aan, pas onder de kroketten durfden we elkaar te vragen waarom de vrouw zo dik geworden was. ‘Laten we het op een ziekte houden,’ zei ik. Ik had een menselijke bui. De dikke dame werd per golfkarretje door een gastvrouw van het ziekenhuis naar de uitgang vervoerd. De meiden keken elkaar aan, ik herkende de blikken, ze wilden ook op zo’n wagentje. Maar dan zonder die gastvrouw. Ze monsterden de gangen, lang en glad. Een avondje skaten in het lege ziekenhuis leek ze ook wel wat.

Iedereen die na ons binnengekomen was, was ondertussen al geholpen. Dat is altijd zo, omdat ik steevast een kwartiertje of drie te vroeg arriveer in ziekenhuizen. Ook vandaag, er moest nog een ponskaartje gemaakt worden. Inclusief wachtmoment, had de geroutineerde en met paarse bril (perfect passend bij de kleding en de huiskleuren van het ziekenhuis) getooide baliemedewerkster maar drie minuten nodig om een id-kaartje te maken. Dus ruim veertig minuten en circa 16 patiënten schuifelden na ons binnen en gingen voor ons de behandelkamer in. Tja, ik creëer mijn eigen wachtlijst.

Vervelend, maar wel een goed alibi om kroketten en saucijzenbroodjes te eten. Zonder wachttijd had dat nooit gemogen. Nee, wachten is leuk.

1 opmerking:

  1. En.. wachten levert leuke verhalen op.
    Nu nog een trendy brilletje.

    BeantwoordenVerwijderen

Laat hier je reactie op het bericht achter.