Kus je nieuwjaarswensen met lege mond

Nieuwjaarswensen, vuurwerk en oliebollen, ik heb er wat moeite mee. Toch is het mooi, niet die vette bollen met krenten, maar die wensen. Wanneer maak je het nou toch mee in het jaar dat mensen elkaar iets liefs of fijns toewensen? Eigenlijk nooit. Dus dit is het moment van het jaar om uit te pakken. Wens vanuit het credo, wat je een ander toewenst is wat je je zelf zou willen toewensen. Net als een cadeautje, als je het zelf graag wil hebben kun je het ook aan een ander geven, behalve als je van Smurfen houdt. Als het uit een goed hart komt, dan is het goed. Wens iemand gezondheid en geluk toe, wens iemand liefde en aandacht toe, wens iemand rust en schoonheid toe. Denk wel even na wat je wilt toewensen, maak er even werk van.

En spreek niet met volle mond, eerst de oliebol doorslikken en dan wensen.

En niet zoenen met volle mond, veeg je lippen schoon voor je kust.

Wensen en zoenen worden uitgewisseld na twaalf uur, als het vuurwerk pas echt losbarst, al is het de hele dag al schering en inslag met het vuurwerk. Onder daverend gebulder en geknal, uitgelicht door flitsen van vuurwerkpijlen en in het rode schijnsel van de Romeinse kaars, wensen we elkaar een goed jaar. Het lawaai is zo hard, dat de wensen verloren gaan. Dus is de tastzin overgebleven. Zoen je wens dus goed op de wangen van je buurvrouw, je geliefde en je kinderen. Omhels krachtig, schud de hand intens, laat voelen wat je niet kunt zeggen, breng over wat de ander niet kan horen door het lawaai van het bommenconcert.

En drink, drink op het nieuwe jaar, proost op het samenzijn, klink op het persoonlijke contact.

Cava of Appelbessenwijn?

Oud en Nieuw is merkwaardig als gebeurtenis. In afwachting van een administratieve handeling, namelijk van de ene dag naar andere gaan, een maanwisseling en een jaarwisseling, in feite het verhangen van wat bordjes, maken we er een dolle boel van. We halen hapjes in huis, drankjes circuleren, feesten worden aangesticht en smokings en galajurken duiken in alle tv-programma’s op. De tijd van Frits van Egters en de appelbessenwijn is voorgoed voorbij. We laven ons aan champagne, prosecco of cava en genieten van romige kazen en delicate vleeswaren. Smullend gaan we de drempel over. En dat alles omdat de kalender van even naar oneven gaat, of andersom.

Ik word er altijd wat onrustig van. Het moment vlak voor twaalf uur vind ik het rottigst. Het wachten op iets dat niets is maar waar we iets van maken. Waarom tot middernacht wachten om op commando van de klok je geliefden te kussen? Ik wil ze op elk moment zoenen en geluk wensen. Waarom dat het speciale moment afwachten? En dan moeten bellen om familie en vrienden toe te spreken. Wat moet je zeggen? Geijkte oneliners stamelen naar elkaar in het donker. Nee, wat dat betreft is de sms een uitkomst. Droog je zinnen verzenden en woorden van gelijke strekking terugkrijgen. Maar sommige mensen kom je tegen en dan moet je zoenen en praten.

Nee, dan de rust van de eerste ochtend van het Nieuwe jaar. De vuurwerkresten, lege flessen die gebruikt werden voor de vuurpijlen en een enkele vroege wandelaar die de kater probeert te verdrijven. De stilte die dan heerst, na het gerommel van vuurwerk, is heerlijk. Het jaar houdt nog even zijn adem in om straks los te barsten. Alle beloftes van het nieuwe hangen in de lucht. De eerste smetjes en deukjes moeten nog komen, nu is het nog rustig en fris. Over een week is het Nieuwjaar oud nieuws.

Ik haat vuurwerk

Ik haat vuurwerk. Het hoort erbij natuurlijk, maar wat mij betreft: afschaffen. Het geknal rond de feitelijke jaarwisseling mag blijven. Een uurtje boze geesten verdrijven kan geen kwaad. Met een paar vuurpijlen het negatieve klimaat uitbannen, lijkt me alleen maar goed. Probleem is dan wel dat de knaller te weinig tijd heeft om alle knal- en sierexplosieven af te steken. In tijden van vuurwerk toont de mens zijn ongeneeslijke neiging tot overdrijven. Kopen, kopen, hebben, hebben. Dus slaat men groot in. De megapakketten moeten gekocht worden, het is onmogelijk minder te kopen. Gevolg is dat in de laatste dagen van december massaal ‘ingeschoten’ wordt. In de lucht boven de stad hangt een kruitwolk, de straten ligt bezaaid met ontplofte resten Chinees papier. Het geknal is alom aanwezig. Af en toe lijkt het alsof de stad bezet is door gewapende bendes die brandschattend, straat voor straat, wijk voor wijk, de stad innemen. Knallen lijken geweerschoten, hier en daar een weerlicht van een bermbom-imitatie en een duizendknaller klinkt als een clusterbom. Om de hoek wordt een stadsguerrilla uitgevochten. Wat begon met een sterretje is verloren gegaan in een lawinepijl. Het geluid doet me voortdurend opschrikken.

Het gerommel buiten houdt me binnen. Ik denk terug aan vroeger. In de straat voor ons huis verzamelden zich jongens en een enkel meisje. Prille teenagers, waren we. In de groep voelden we ons groot. We zochten kerstbomen voor een oudejaarsfik. Heel de buurt werd afgezocht. Op ons voetbalveldje ging in de avond rond tienen de hens erin. Maanden later kon je de middenstip niet zien onder het zwartgeblakerde gras. Dagenlang sleepten we de bomen door de wijk. Als we niets vonden, had er altijd wel iemand vuurwerk bij zich. Rotjes heetten ze toen nog. Of astronauten. Waarom je ontploffend materiaal astronauten noemt is mij onduidelijk, als een ruimtereiziger iets niet wil is het ontploffen.

Maar goed.

We gooiden het vuurwerk bij voorkeur na elkaar toe, maar ook naar huizen en voorbijrijdende auto’s. Putten en brievenbussen waren er om op te blazen. Maar het allerleukste, ik beken het tot mijn schande, was toch wel met vuurwerk tegen de ramen een buurman zo gek krijgen dat hij met een kwaaie kop uit zijn huis kwam rennen om die rotjochies een lesje te leren. Slap van het lachen ontkwamen we via steegjes en tuintjes. Om later terug te keren met een volle laag. Beschamend natuurlijk. Ik denk dat ik daar mijn afkeer van vuurwerk heb opgelopen. Al vroeg kreeg ik door dat vuurwerk het laagste in de mens kan oproepen. Nu ik al het geknal weer hoor moet ik me bedwingen niet te reageren, op baldadige jongens die er ook niets aan kunnen doen dat ze zoveel knalgoed gekocht hebben.

In de kroeg met mijn vader

In het bezoeken van kroegen ben ik autodidact. Groot was mijn verbazing dat je in een kroeg kon eten. Ik ontdekte het in mijn studietijd. Eten deed je thuis of bij de Chinees, hooguit bij de Pizzeria, maar niet in het café. Nu ben ik geboren in het zuiden des lands. De cafécultuur floreert daar ook buiten de carnavalstijd. Bovendien ben ik opgegroeid in een havenstadje, waar kroegen met zeelieden te vinden waren. Ondanks de juiste omstandigheden bezochten mijn ouders zelden een horecagelegenheid. Geen biertje op het terras of een borrel aan de toog. Zo kwam ik nooit aan de hand van mijn vader in een café. Heel af en toe bezocht ik in mijn pubertijd een discotheek. Maar het gedoe met muntjes, portiers en verplichte garderobe stond mij tegen. Kostte ook te veel geld. Klasgenoten konden daar beter tegen en dansten tot diep in de nacht. Alleen naar de kroeg was voor mij geen optie.

In mijn studententijd, zonder stoer of opschepperig te willen overkomen, heb ik het kroegleven ontdekt, uitvoerig onderzocht en in mijn hart gesloten. Nog altijd zit ik graag met een biertje rond te kijken of een krantje te lezen in een café. Ik ken de leuke plekjes in de stad. En weet welk tafeltje ik moet nemen om ongestoord te kunnen genieten van het kroegleven. Zo zat ik vandaag in een stadscafé aan de stamtafel, in een hoekje aan het raam. Perfect zicht op de ingang. Ieder binnenkomst kon ik registeren en elk vertrek kreeg ik mee. Met een halve draai had ik een panoramablik over alle tafeltjes. Ik zat achter een bockbiertje en had mijn vader meegenomen. Die zat naast me. Ik kon mij niet heugen dat ik op een gewone middag naast hem een biertje dronk in een druk café. We kletsten wat over familiezaken en over het weer, je moet toch wat. Ik vertelde hoe zijn kleinkinderen met enige regelmaat en van kleins af aan kroegen als deze bezochten. Ze kenden de namen. Ze weten de weg van de Ugly Duck naar de Beurs en begrijpen dat Boven Jan niet naast Zomers zit en dat het Feithhuis een prima buitenterras heeft. Kwestie van opvoeden. Ik kon het niet goed waarnemen, maar ik zag het hoofd van mijn vader knikken. Genieten van het leven is zo gek nog niet.

We bestelden er nog een. Onder de frisse slokken herfstbier beweerde ik dat het café vol verhalen zat. De vrouw die tegenover ons de Telegraaf had zitten lezen, had haar date gemist. Na het herhaaldelijk checken van haar mobiel en haar gestifte lippen, ging ze met hangende mondhoeken het café uit. Drama op anderhalve meter afstand. Achter ons vertelde een jonge dokter over zijn poging de co-assistente van zijn dromen te versieren. ‘Ze reageerde maar niet op mijn sms’en en e-mails, tot ik haar gewoon vroeg of ze meeging.’ Twee tafeltjes daarachter huilde een niet meer zo jonge dame uit bij haar vriendin, liefdesverdriet komt op alle leeftijden voor. Achter de bar flirtte de barman openlijk met het nieuwe meisje uit de bediening. En de twee broers naast de piano bij de ingang, waren gewoon blij dat ze samen een leuke middag hadden en bestelden nog een glas rode wijn. Het zijn de instant verhalen in een drukke kroeg. De verhalen liggen voor het opscheppen als je ze maar wilt zien.

Na het bier fietsten we door de stad terug naar de buitenwijk. Ik betrapte me erop dat ik net als ik bij mijn kinderen deed toen ze voor het eerst door de stadse drukte fietsten, mijn vader wees op de gevaren van bussen, taxi’s, zo maar afslaande studenten en gevaarlijk racende pizzascootertjes. Terwijl hij mij heeft leren fietsen. Maar ik woon al langer in de grote stad en heb zelf het kroegleven ontdekt. Dus leid ik hem door de drukte, en breng hem naar drukke cafés, en laat hem en passant zien dat ik mijn weg kan vinden in de kroeg en in het drukke stadsverkeer.

Veilig keerden we terug in de twee-onder-een-kap-woning in de buitenwijk. Het was een mooie middag.

Top Honderd a Gogo

Lang geleden, ver voor het gedonder met de Top 2000 ontstond, diep in de vorige eeuw, maakte ik met een buurjongen elk jaar een Top Honderd Aller Tijden. Waarschijnlijk hadden we het idee gestolen van radio Veronica die zo’n lijst had. Ik geloof rondom Pinksteren dat hun lijst verscheen.

Geheel democratisch maakten wij ook zo’n overzicht. Onze kennis van de popmuziek was niet groot. We leenden de gegevens van de Veronica-lijst en mengden er onze eigen voorkeur doorheen. Dat waren dan nummers uit de afgelopen maanden. Dat aller-tijden moest dus met een korreltje zout genomen worden. Maar honderd platen zetten wij op een rij. Met de pen maakten we in een klein formaat multo-mapje de lijst. Handgeschreven, het moet ergens rond 1980 zijn geweest. Ik denk dat we Queen en Deep Purple hoog in de lijst plaatsten. Ook Boney M en Spargo verschenen in onze rangorde. We deden er niets mee, lieten het aan niemand zien. Het was just for the fun of it. Net zoals we middagen bezig konden zijn met het opstellen van plastic minisoldaatjes op zolder.

De multomapblaadjes zijn in de loop van de jaren verdwenen, tijdens verhuizingen of opruimwoedes. Heel misschien is er nog een stukje over, ergens tussen de kindertekeningen of schoolschriftjes. Wie weet staan The Windsurfers er ook in, of Freddy James of Pussycat. Misschien is het maar beter dat die papieren zijn verdwenen. Toch vind ik het wel stoer dat twee jongetjes van een jaar of elf, twaalf dagen in de weer waren om een lijst van popliedjes in een volgorde te plaatsen. Echte koehandel vond plaats. ‘Okee, als jij Cheaptrick erin wilt hebben dan vind ik dat ik de Boomtownrats er ook in horen.’ Waarop besloten werd om ze ergens in de veertig te plaatsen.

Ik moest vandaag ineens aan onze lijst denken toen ik op radio 2 en op 3FM een top 2000 voorbij hoorde komen.

Keuzestress omtrent een nieuwjaarswens

Ik word elk jaar zo rond eind december een beetje nerveus. Oud en Nieuw komt eraan. Keuzes moeten gemaakt worden. Naar een feest of gewoon thuis? Een film of een conference op tv? Hapjes of een diner? Oliebollen of gewoon chips? Champagne of appelbessenwijn? Een jasje of een slobbertrui?

Dat is niet het ergste. De echte keuzes zitten in het Gelukkig-Nieuwjaar-wensen en -kussen. Kus ik elke voorbijkomende buurvrouw of collega? Of hou ik me bij mijn eigen vrouw? Moet de man ook op de wang worden gezoend? En op welke leeftijd is een jong meisje wel of niet kusbaar? Twijfel al om. En er is een categorie dame die ik bij voorkeur niet zoen, maar ja het is Nieuwjaar, dus ja, ik doe het toch maar. Afgezien van kussen is het wensen ook een bezoeking. Ik wilt niet afgezaagd zijn. Een ‘Gelukkig Nieuwjaar’ is heel veel voorkomend, beetje makkelijk. ‘Veul heil en zeg’n’, is als import Groninger niet te doen. Een ‘Zalig’ Nieuwjaar, is katholiek. Walgelijk is de inwisselbare wens: ik-wens-je-toe-wat-je mij-ook-toewenst. Beter van niet. De ‘beste wensen’ te weids, voor je weet wens je iets dat je niet wenst. Uiteindelijk mompel ik maar iets van ‘insgelijks’. Terwijl ik weet dat dit het meest holle gelukswens is, de moeder van alle laffe wensen is.

De eerste twee weken van het nieuwe jaar, houd ik me bij voorkeur schuil. Sluip ik weg als ik mensen tegen kom. Ik veins verkoudheden, kweek een koortslip, als ik maar niet hoef te kussen en te wensen. Het is een verschrikkelijke keuzemoment, ik sta nu al stijf van de keuzestress. Nog een paar dagen en dan gebeurt het weer, het is onvermijdelijk. Ik moet een slogan bedenken, een gimmick om de kuswens uit te drukken. ‘Het beste’, met twee klapzoenen op elke wang? Of een gestrekte arm om elke kusser op afstand te houden en een knik ter beantwoording van de nieuwjaarswens?

Laat ik het maar houden op een goed jaar! Maak er iets moois van! Doe alles wat je doet met hart en ziel! Laat alles naar wens gaan! Wat ik ook wens, het komt uit een goed hart, moet je maar denken.

Wat doen we met kerst: eten

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. Niet dat dat erg is, maar het cliché wil dat dit zo is. Gelukkig komen weinig clichés uit. Stel je toch eens voor dat je de hele dag christmas carols moet aanhoren. Of instant X-mass-pophits. Ik heb dat laatst meegemaakt. Met Mijn Lief belandde ik in een sauna. Niet onze vaste wellnessspot, maar eentje in Friesland, met zo’n onuitspreekbare naam vol bijzondere klinkercombinaties. Het was er goed toeven. Fijne Finse sauna, prima relax-ruimte met waterbedden (heerlijk in slaap gevallen) en lekkere lunchgerechten. Om de saunagast te vermaken klonk in de kleedkamer, het toilet, het restaurant en in de douches muziek. Kerstmuziek, met een pop-dreuntje eronder, en koortjes, en zoet-zappige uithalen, en truttige trompetjes. Het kabbelde maar door. Elke noot bracht mij verder van het über-relax-gevoel af. Na zeventien nummers had ik een staat van kerst-haat ontwikkeld die ik moeilijk kon onderdrukken. Ineens begreep ik waarom in Engeland de wens tot dronkenschap tijdens de kerstdagen enorm is, even een slokje. Die Engelsen worden helemaal gek gemaakt met kerstmuzak, kerstbomen, kerstcadeautjes, kerstetalages, Kerstmannen, kerstpuddings, kerstinkopen en kerstklokken. Hebben wij nog Sint Maarten en Sinterklaas om het kerstgeweld wat af te stoppen, bij onze eilandburen gaat het na de zomervakantie meteen van start. Maandenlang. Nee, ik ben blij dat ik niet in Engeland hoef te zijn.

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. We eten zo dadelijk lekkere hapjes, Mijn Lief is die aan het voorbereiden in de keuken. Geen ingewikkelde gerechten, geen wild of luxe gevogelte, geen fois gras of truffels, maar fijne van alles wat lekker is eten. Lekker wijntje erbij en een kaarsje aan. Geen uitgebreide tafelschikking, wel servetjes en de mooie borden uit de kast. Er komt niemand aan tafel te gast. Niet dat we niet gastvrij zijn, maar het is ook mooi om in gezinnelijke kring een fijne maaltijd te genieten.

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. Over tien jaar is er misschien wel sneeuw. Hoe eten we dan? Komen de kinderen thuis? Nemen ze vrienden mee? Of mogen wij samen aan tafel? En wat doen we met oma en opa? Ik ben benieuwd, valt er dan nog zonder trilling te drinken uit een rank wijnglas? Ach, het komt wel goed, en als het niet goed komt, valt het wel mee.

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. En dat is goed, want een cliché moet een cliché blijven. Ook dit jaar is de kerstpuzzel van de plaatselijke krant niet al te ingewikkeld, al gaat het niet bij elke opdracht van zelf. De stapel kranten en tijdschriften wacht op lezing. Letters op papier zijn geduldig. Zacht klinkt de muziek. De geluiden uit de keuken overstemmen het kerstconcert op de radio. In een andere kamer kijken kinderen naar een kerstfilm. De hond scharrelt rond, hoopt op een bot uit de kerstkalkoen of een kluif van het konijn. Helaas voor hem wordt het vis. Nou ja, een stukje stokbrood maakt hem ook gelukkig.

Het is kerst en het wil maar niet sneeuwen. Waarschijnlijk is de essentie van kerst geworden dat je samen bent. Vandaar die nadruk op gezellig samen eten en drinken, gesublimeerd in het gourmetten. Samen een stukje vlees bakken in een klein pannetje, aan tafel. Met muizenhapjes eten, langzaam, gerekt dineren. Het is natuurlijk ook een cliché, wie wil er nou als Scrooge te boek staan? En wilde ook Scrooge, aangezet door zijn schrijver, uiteindelijk ook niet gezellig aan tafel met anderen? Al is het een cliché, samen de avond doorbrengen, met een fijn maal, een goed glas, boeiend tafelgesprek, en vooral natafelen, zonder sigaar, maar met een drankje en een koffie. Confidenties en hartenkreten. En dat kan ook zonder sneeuw, misschien wel beter.

Wat doen we met de kerst episode 5

Het is mislukt. Mijn aspiratie om een kerstfeuilleton te maken is niet gelukt. Ik faal als het gaat om de sfeer te pakken. Ik kan natuurlijk de omstandigheden de schuld geven. Het zonnetje schijnt en de temperatuur stijgt boven de 10 graden. Geen gevoel dat er een kerst komt. De inspiratie is er niet, er komt geen sublieme inval. Niets, nada. Dus geen verhaaltjes over kerstdiners die mislukken of eenzaamheid onder de kerstklok. Nou ja, volgende keer beter.

Fire of love

Op hoge hoogte zitten we. In Harlingen, in een vuurtoren. Hoe hoog we zitten is niet van belang. Maar we moesten veel traptreden omhoog om in de lichtkamer te komen. We zitten nu in een ronde ruimte met diameter van drie meter. Rondom ons ramen. We kijken uit over het oude stadje en over de haven en zee. De huizen en de straten, de grachten en de binnenhaven hebben veel lichtjes. Er liggen schepen met lichtkabels in de masten. Als we naar de zee kijken, valt op de groene en rode lichtmarkering in het water voor de schepen. geen kunst om in de nacht een haven uit te varen, zou je denken, maar de schepen varen behoedzaam en volgen de aangewezen route. De wind waait niet hard, maar is hoorbaar. We vieren ons twintig jaar samen. Wat ooit in een tochtig bushokje begon, wordt nu in de wolken gevierd. Uit het gastenboek blijkt dat hier heel wat jubilea zijn gevierd. Let love rule, wij hebben de toon gezet na binnenkomst. Nu is het donker en geven kaarsjes schaars licht, sfeer voelt goed.

Wat doen we met kerst dit jaar? Episode 4

 

Het diner met de collega’s van mijn vrouw was geen succes. Ik werd genegeerd door de twee dames waartussen ik in geplaatst was. Ik begon met een gewone vraag:

‘Wat is jou taak binnen het bedrijf?’

‘Eh, wat zeg je? Wacht even hij vraagt wat, momentje.’

‘Ik ben benieuwd wat je doet op kantoor?’

‘Nou, ja, ik doe de post. En wat zei hij toen?’ Haar blik had ze heel kort op mij gericht gehouden, maar ging al snel weer naar de dame achter mij.

‘Doe je inkomende post of de uitgaande?’ Op zich een leuke vraag. En ik had een mooi bruggetje bedacht.

‘Inkomende en uitgaande, nee niks, ik moest hem even wat zeggen, is al klaar.’

‘O, ja, maar wat heb je nou tegen hem gezegd?’

‘Wie? Die leuke jongen in het café, ja, nee ik wilde wat zeggen, maar…’

‘En werk je hier al lang?’ Ik vond dat geen rare vraag.

‘Jo, kun je niet zien dat ik in gesprek ben, met haar. Als je nu even wacht kom ik straks naar jou luisteren. Is dat goed?’ Ze lachte er in ieder geval wel lief bij.

‘Nou nee, ik vind het niet goed om genegeerd te worden.’ Mijn stem klonk te luid voor aan tafel, ik had het zelf door. ‘Ik vind jullie voorbeelden van onopgevoede egocentrische flutwijven.’ Van alle kanten werd naar mijn tafel gekeken. ‘Ah, ik heb uw aandacht, nou kijk maar eens goed naar mijn twee tafelgenoten, u zult ze wel herkennen, twee collegaatjes die alleen oog voor zich zelf hebben.’ Ik duwde mijn stoel achteruit, die op de grond viel, liet mijn glas halfvol gevuld met wijn vallen, de rode vlek liep in de plooien van het tafellaken uit. ‘Ik hou het niet langer vol, ik vertrek.’ Met grote passen liep ik naar de deur. Met de klink in mijn hand stond ik stik, draaide ik me om en zag tot mijn opluchting mijn vrouw in mijn richting komen, met de jassen. Gelukkig.

In de auto kreeg ik de wind van voren, ik had me ten overstaande van haar collega’s belachelijk aangesteld. Ik had overdreven in mijn reactie. Ik had mijn kerstgedachte wel eens beter in de praktijk kunnen brengen. ‘Maar ik dacht dat ik mijn gelijk had gehaald, ben je het dan niet met me eens?’

‘Nou eerlijk gezegd niet op deze manier. Ik denk dat je het anders moet aanpakken. Je moet mensen bewust maken van hun conversatieplicht. Geen prietpraat maar oprechte interesse. Als je in de tafelschikking nu eens iets zou inbouwen. Gewoon als idee.’ Ze stelde voor om elke gast een rijtje van interesses te laten noteren. Sport, leukste film, favoriete boek, lekkerste eten, mooiste vakantieplek. Drie wensen op laten schrijven en meer van dat soort items. Je diner-profiel wordt naast je bord geplaatst en de je buur kan het even doornemen om in stilte kennis met je te maken.

‘Maar dat kun je toch ook gewoon vragen?’

‘Klopt, maar veel mensen vergeten het, en missen zo de essentiele vragen.’

‘En hoe had je dit willen organiseren?’

‘Ik denk er nog even over na.’

Wat doen we met kerst dit jaar? Episode 3

 

In principe is het leuk om mensen aan tafel te ontmoeten. Lekker hapje, goed glas wijn en vooral een fijn gesprek. Vorig jaar had ik aanvankelijk geen zin, maar ik overwon mezelf en ging zonder morren naar een kerstdiner met collega’s van mijn vrouw. Een bedrijfsdiner in plaats van een kerstpakket. Het vond plaats in een Van der Valk-motel, langs de A-28. Een handige locatie, als je weg wilde, kon je heel snel weg, een woordspeling kan het ijs breken, of het gesprek doen stokken. Ik zag er erg tegen op omdat ik niemand kende, of wilde kennen. Gelukkig was er een vaste tafelschikking. Ik hou daar wel van. De hele avond moet je dan naast iemand blijven zitten. Je kunt niet weglopen zoals bij een lopend buffet als het gesprek je niet bevalt, of de persoon. Nee, het is een uitdaging om ingeklemd te zitten tussen twee onbekende mensen en een gesprek te beginnen, vol te houden en af te ronden. Als je weet dat ontsnappen onmogelijk is, ga je net zo lang door tot je een fatsoenlijk gesprek hebt gevoerd.

Ik kwam tussen twee collega’s te zitten. Op mijn vragen gaven ze korte antwoorden. Een tegenvraag kwam er niet. Over mijn hoofd heen werd gepraat over de omstandigheden op het werk. Hoe bullebakkig de chef was, hoe karig de kilometervergoeding en hoe saai de nieuwe collega op hun afdeling was. Ik concentreerde me op mijn eten. Al mijn goede voornemens ten spijt, een gesprek voeren lukte gewoon niet. Ik voelde me verloren. Om mij heen zag ik iedereen met elkaar praten, ik werd genegeerd. Gelukkig stond de karaf met wijn vlakbij. Ongemerkt klokte ik het ene glas na het andere weg.

De tafels in de eetzaal waren allemaal rond, in totaal stonden er zo’n twintig. De bediening was vlot, de gangen wisselden elkaar snel af, de drankjes circuleerden in een hoog tempo. De gewijde kerstsfeer van het begin van de avond, met kaarslicht en stemmige engelenmuziek was vervlogen. Mannen hadden hun dassen en bovenste knoopjes losgemaakt, colbert hingen over stoelleuning, de eerste damesschoenen ploften neer op de vloerbedekking om de beknelde tenen te redden, en de blosjes verschenen op het ene na het andere gezicht alsof het een besmettelijk virus was. Ergens vlak voor het nagerecht gebeurde het. Ik voelde het opborrelen, de wijn was met mijn eten aan de loop gegaan. Ik moest staan. Het kwam eruit voor ik er erg in had.

Kerst, en mijn relatie met mijn geliefde vrouw, zou nooit meer hetzelfde zijn.

Wat doen we met kerst dit jaar? Episode 2

 

Vorig jaar ging het niet zo goed, op weg naar het kerstdiner, belandden we in een echtelijke twist.

‘Ik ga niet mee, je gaat maar alleen, ik kan het niet opbrengen dit jaar.’

‘Je kan het niet maken. Dan had je het eerder moeten zeggen, het is altijd hetzelfde met jou.’

‘Wat nou, hetzelfde?’

‘Je laat het er op aan komen, en laat mij raden wat er is, je zult het nooit uit je zelf zeggen.’

‘Ik zeg het je nu toch, ik ga niet mee.’

‘Ja, een uur voordat we er moeten zijn.’

‘Ik ga niet mee, punt.’

‘Dan ga je het zelf maar even doorgeven, ik doe het niet, en zeg maar dat ik ook niet kom.’

‘Wat krijgen we nou, jij gaat toch wel, jij hebt steeds gezegd dat je zou gaan.’

‘Ik ga niet aan tafel met allemaal stellen en dan als een halve weduwe daarbij zitten.’

‘Krijgen we dat weer, ik wist dat jij het ook niet wilde, waarom zeg je dat niet dan.’

‘Volgens mij draai jij het nu om, ik ga niet omdat ik niet alleen wil gaan, jij begint hiermee.’

‘Je wist dat ik niet zou gaan, waarom begin je er niet eerder over, dan had ik kunnen zeggen dat ik niet wilde gaan en had jij je keurig kunnen afmelden.’

‘Dus ik begin, ik dacht dat jij het probleem veroorzaakte.’

‘Ja, altijd makkelijk om je te verschuilen achter je man, die weer eens verzaakt, dat begrijpen de mensen wel. Goedkoop hoor.’

‘Flauwekul, je gaat gewoon mee, geen gezeur. Als je maar belooft niet te veel te drinken.’

‘Ik ga helemaal niet mee als ik niet mag drinken. Zonder een slok op overleef ik het niet.’

‘Ik vraag me echt af wat ik ooit in je hebt gezien.’

‘Ik kan je nog wel wat citaten opdienen uit je liefdesbrieven, mocht je dat vergeten zijn.’

‘Nou, schiet op, kleed je aan, we moeten gaan.’

‘Heb ik iets gemist, ga ik mee?’

‘Ja, ik wacht in de auto op je, vergeet de tas met cadeautjes niet.’

‘Wat moet ik aantrekken? Heb je wat klaargelegd dan?’

‘Wees es creatief, kun je best.’

‘Ik trek het eerste het beste aan wat ik in de kast zie liggen.’

‘Kijk maar, schiet wel op.’

‘Ik ben bijna klaar, even de schoenen.’

‘Vergeet de pakjes niet, ze staan in de gang.’

‘Start de auto, ik kom eraan.’

Wat doen we met kerst dit jaar? Episode 1

 

Koud, het was koud buiten. De wind joeg over het plein, de regen sloeg in mijn gezicht. Het stukje naar de auto was maar een paar meter. Toch werd ik zeiknat. Mijn Lief opende de auto en samen tilden we de kerstboom in de bagageruimte. Dit jaar maar een niet al te grote, zo dachten we. In de auto rook het nu naar kerst. De boom geurde lekker. Ik had thuis de doosjes met ballen, slingers en kerstverlichting al uit het berghok gehaald. Konden we straks meteen de boom optuigen. Of beter, Mijn Lief kon zich daarmee bezig houden.

‘Waar wil je hem neerzetten?’

‘Naast de kast, schuiven we de planten even aan de kant.’

‘Kleine verhuizing, intern,’ poogde ik een grapje te maken. ‘Voor je het week staan we kasten en banken te verplaatsen.’

‘Dat zal wel meevallen.’ Ze concentreerde zich op het verkeer. De regen sloeg op de voorruit. De ruitenwisser kon het amper aan. De auto voor ons reed langzaam en de chauffeur gebruikte meer zijn rempedaal dan het gas. Voortdurend gloeiden de rode remlichten op.

‘Pas op, links, die knalt er tussen,’ ik riep het terwijl ik merkte dat Mijn Lief het al lang en breed opgelost had met een kleine draai aan het stuur. ‘Sorry, ik dacht dat je het niet gezien had.’

‘Ja, ja, ik let wel op, hoor. Dus eerst de kerstboom en dan nadenken over het kerstdiner.’

‘Okee, Tweede Kerstdag thuis, wanneer krijgen we te horen wie er komen?’

‘Niet, we zien het pas als ze binnenkomen.’ Ze grijnsde. Het leek haar een fantastisch experiment. In oktober had ze het idee gekregen. Met een vriendin werkte ze een paar avonden aan een website. Binnen een paar dagen liep het storm. Vanuit alle hoeken van het land kwamen reacties. In de database stonden kandidaten voor de Eerste en de Tweede Kerstdag klaar. De gasten werden automatisch aan een tafel gekoppeld. Drie dagen van te voren kregen de gasten een mailtje met een routebeschrijving en wat achtergrondinformatie. De gastheer en –dame kregen tegelijk een bericht hoeveel mensen kwamen eten en welke dieetwensen er bestonden. De site heette ‘Wat doen we met je ouders deze kerst?’ Een naam die ingewikkeld leek, maar goed opgepikt was. In de krant, op de radio en zelfs op TV kreeg de site aandacht. Na een dag was er een wachtlijst. In de interviews die Mijn Lief en haar vriendin gaven, ter promotie van hun plan vertelden zij wat er vorig jaar gebeurd was.

Skippy en het nut van een kerstpakket

Murray-Skippy-tussen-de-sterren

‘Word geen leraar, jongen. Je leven wordt een sleur. Je wordt saai tot op het bot,’ ik hoor het collega’s tegen hun kinderen zeggen. En het is echt zo. De gesprekken aan de koffietafel: slapper dan de automatenkoffie. De grappen: zo versleten als de gordijnen in de klaslokalen. De beloning is niet oppeppend. De jaarlijkse bonus is een Pluim, van de onderste prijsklasse.

Daarover gesproken, voor die Kerst-Veer, die opgeklopte kerstattentie, zo’n Iris-cheque met een glamoursausje, koop je dit jaar het boek ‘Skippy tussen de Sterren’, van Paul Murray. Het gaat over een jongen van veertien. Hij is een interne leerling van het katholieke Seabrookscollege in Dublin. In hoofdstuk één overlijdt hij. Hij sterft tijdens een wedstrijdje wie-eet-de-meeste-donuts. In de daaropvolgende 600 pagina’s leren we Skippy, zijn medeleerlingen en docenten kennen. De jongens denken maar aan een ding: meisjes. De docenten denken aan vele dingen: alles behalve hun eigen vrouw. Kortom, er kan ruim gefilosofeerd worden over het leven. Van oerknal tot idols, Murray beschrijft het allemaal.

Ik heb het vrijdag j.l. gekocht (weliswaar zonder Kerst-Pluim). Een weekend lang heb ik gelachen, traantjes weggepinkt en vooral ingezien hoe bijzonder een schoolgemeenschap eigenlijk is. Murray beschrijft ze allemaal: de toegewijde docent, de chaoot, de vastgeroeste leraar, de plaatsvervangende directeur die alleen aan de eindexamenresultaten denkt (hij weigert een educatief uitje immers in het eindexamen worden er geen vragen over gesteld, dus is het zonde van de tijd), de flirtende jonge docente en de leraar die toevallig in het onderwijs verzeild is geraakt en na drie schooljaren beseft dat hij in een fuik gezwommen is. De docenten krijgen allemaal te maken met apathie, pesterijen en onbegrip in de klas. Maar de leerkrachten ontdekken ook hoe het is dat de bel zo maar gaat terwijl het verhaal dat ze aan het vertellen zijn nog niet is afgerond en dat de klas blijft zitten om het einde te kunnen horen. Murray presenteert zijn portret van de middelbare school perfect. Hij heeft zich uitstekend verplaatst in de afzeikende communicatiestijl van de jongens. Sneren wisselen beledigingen af. En ondertussen weet je dat Skippy zal sterven, maar waaraan? Die vraag is de drijvende kracht achter het boek.

Mijn advies: Skippy kopen, voor 25 piek bij de betere boekhandel, pik een goede fles wijn uit het kerstpakket van je partner, zoek een lekkere stoel en een fijn voetenbankje, zet de Top 2000 uit, en lezen maar. Hou je smartphone in de buurt om af en toe je kinderen te sms’en dat de pizza uit de oven kan, en dat er koffie moet komen, en je kerstvakantie kan niet meer stuk. Of je na lezing van het boek nog in het onderwijs wilt werken is de vraag, maar je hebt dan wel een heerlijke leeservaring erbij. In mijn Top 2000, staat Skippy als hoogste nieuwe binnenkomer, vlak achter John Irvings Garp, de Bohemian Rhapsody van de internationale literatuur en boven De schaduw van de wind, van Zafon, toch een beetje de literaire Hotel California, wel lekker, maar een beetje eentonig.

Kerstverlichting, nu even niet

Kerstverlichting aan de gevel van je huis is idioot. Is het nodig om een arrenslee van lampjes in je tuin te zetten? Helpt het de beschaving om een knipperende kerstster voor je raam te hangen? Het verhoogt de sfeer, zegt men. Het ziet er zo gezellig uit, pleit men voor de lichtversiering. Ik kan alleen maar somber worden van zo veel lichtheid. De uitbundigheid irriteert mij. Alsof het kerstfeest in een Las Vegas-stijl gevierd moet worden.

Natuurlijk, kerst is een feest van het licht. Van een piepklein lichtpuntje in de donkere nacht. Let wel: een minuscuul, nauwelijks waarneembaar, lichtgevend speldenprikje, een sterretje dat lichtjaren her een zwak schijnsel voortbrengt. Zo’n klein lichtje, zo kwetsbaar, als een kindje in een kribbe, in een verder donkere nacht. Het licht is symboliek geworden, symbolen worden uitvergroot, het zacht stralend lichtpuntje is een alles verzengende lichtshow geworden. Subtiele betekenissen zijn kapot gestraald door felle spotlights.

Het zou mooi zijn als bij wijze van kerstgedachte, alle kerstelektronika wordt vervangen door een enkele kaars, in elk huis een teer vlammetje. Wat een prachtig gezicht zou dat zijn. Subtiel en breekbaar, die symboliek is nu ver te zoeken.

Porren in de plassen

Gelukkig, de herfststormen zijn eindelijk losgebarsten. Met bakken valt de regen neer. De wind buldert. De blaadjes van de beukenhagen in mijn buitenwijk worden door de straten geblazen. In de goten ontstaan plassen doordat putjes verstopt raken door het losse blad. Als ik hond P. uitlaat, kan ik mijn geluk niet op als ik zo’n waterpartij tegenkom. Speciaal heb ik mijn rubberen laarzen aangetrokken. Niet om in de plassen te stampen. Wel om heimelijk aan mijn genot te komen. Ik kijk rond of iemand mij kan zien. Zoals altijd is de straat uitgestorven. Niemand zal mij betrappen. Met de punt van mijn laars veeg ik de voor de putopening opgehoopte bladeren weg. Het regenwater begint te lopen. Een klein watervalletje ontstaat. Het water stroomt, in mum van tijd is de goot leeg. Ik loop alweer door op weg naar de volgende verstopping.

Thuis wacht een andere verstopping. Ik moet het dak op. De afvoer van het garagedak is met bladeren gevuld. Lekkage dreigt. Met de zaklantaarn geklemd tussen mijn tanden en een pollepel in mijn achterzak, beklim ik de keukentrap en ik trek me omhoog aan de dakrand. De wind jaagt over het garagedak. Met moeite kan ik mij staande houden op het wankele trapje. Als ik kort in de afvoer por en restjes bladeren verwijder, begint het water te stromen. Opnieuw ervaar ik een kortstondige sensatie.

Het is alsof ik in de zomer bij een bergstroompje een dammetje bouw van keien. Proberen of je de stroom kan verleggen. Het water beheersen, de loop van een riviertje bepalen. Dat is waarom ik sta te porren in regenplassen. Dat verklaart waarom ik in de regen een keukentrapje beklim. Ach, in ieder mens schuilt een Hans Brinker.

Apeldoorn 2 december, herdenking Rees

Ik heb afgelopen vrijdag mijn grootvader herdacht.

Op de Markt in Apeldoorn hangt aan het Stadhuis een klein monumentje. Het is een bronzen mannetje, dat met het hoofd voorover gebogen staat. Elke 2e december wordt hier een herdenking gehouden. Het is een herinndwangarbeidering aan de mannen en jongens die in december 1944 zijn opgepakt door de Duitsers. De razzia was erop gericht zoveel mogelijk arbeidskrachten te verzamelen. Gewapende soldaten haalden de Apeldoorners uit hun huizen, of plukten ze van straat. Mijn grootvader was een van hen. Net als zijn lotgenoten werd hij per trein afgevoerd naar Duitsland. In het plaatsje Rees, aan de Rijn moest de groep tankgrachten graven. Met als enige gereedschappen een pikhouweel en een schop werkten de mannen acht uur lang in de bevroren grond. Als eten was er een waterige soep, met wat brood. De nacht werd doorgebracht in een tochtige schuur, van een dakpannenfabriek. De sanitaire voorzieningen waren belabberd. Binnen de kortste keren braken ziektes als dysenterie uit. Mijn grootvader overleed in februari, de ontberingen waren te groot.

Mijn grootmoeder heeft hem enkele keren opgezocht. Op de fiets reed ze dan naar hem toe. Zij verbleef met mijn vader, toen ruim vier jaar oud, op een boerderij in Gendringen, vlak aan de grens. De vroegste herinneringen van mijn vader gaan over die boerderij. Ook ziet hij nog beelden voor zich van soldaten voor het huis waar hij woonde. Het was de ochtend van de razzia, mijn vader en zijn moeder stonden in de erker te kijken wat er gebeurde. Met de loop van het geweer beduidde een soldaat dat zij daar weg moesten gaan. Van de boerderij herinnert hij zich vooral het buitenspelen en de goede maaltijden. De jongentjes waarmee hij toen speelde, ziet hij af en toe nog wel eens.

In Apeldoorn is na de oorlog weinig gesproken over de razzia. Men zweeg. Net als in onze familie. Mijn zus hield hierover een speech tijdens de herdenking van vrijdag. Haar verhaal ging over mijn vader en het zwijgen. Opgegroeid met het zwijgen, vertelde hij later niets over Rees. Pas de afgelopen jaren is dat veranderd. Mijn vader nam ons mee naar het graf in Dusseldorf, vertelde zijn herinneringen en speurde op internet naar nieuwe gegevens. Hij las het herinneringsboek dat in Apeldoorn verscheen over de dwangarbeiders en gaf ons exemplaren. Langzaam kreeg het drama inhoud. Hoe verschrikkelijk het ook geweest moet zijn, je probeert je toch een zo gedetailleerd mogelijk beeld voor de geest te halen. Door de verhalen te lezen van anderen, van overlevenden en nabestaanden, kreeg de geschiedenis van mijn grootvader inhoud.

Sinds enkele jaren bestaat het monumentje van de dwangarbeid in Apeldoorn. Arend Jan Dishoek is de initiator ervan. Hij is ook de spil in de stichting Dwangarbeiders Apeldoorn. Door zijn initiatief is Rees van een verzwegen drama geworden tot een veelbesproken thema. De stichting biedt de mogelijkheid voor nabestaanden om te achterhalen wat er is gebeurd. Met de Duitsers uit Rees bestaat contact. Vrijdag waren in Apeldoorn ook Duitse gasten aanwezig. Het monumentje is geadopteerd door een basisschool. De leerlingen maakten gedichten over herdenken, oorlog en geweld. Enkele leerlingen lazen hun woorden voor. Later hielpen de kinderen mee bij de kranslegging bij het monument. De herinnering aan het verzwegen drama wordt zo doorgegeven, met woorden, onomwonden.

Mijn vader is nu 71. Wat 67 jaar geleden gebeurde, beïnvloedde zijn leven. Ik zat achter hem tijdens de plechtigheid. Mijn zus verhaalde hoe een kleine jongen achterop de fiets zat bij zijn moeder. Ze reden langs het kanaal en waren op zoek naar zijn vader. Het is hetzelfde kanaal als waarlangs mijn vader tegenwoordig fietst. Op dat moment zag ik hoe heel even zijn schouder schokte. Met zijn hand veegde hij snel in zijn ogen. Herdenken met woorden is confronterend en tegelijk mooi. Hoe gruwelijk het in die oorlogswinter ook is geweest, het herdenken brengt ons nader tot elkaar.

Zie voor meer  over  de razzia en kamp Rees, en voor de speech van mijn zus:

http://www.dwangarbeidersapeldoorn.nl/

Herdenking Rees

Stichting Dwangarbeiders Apeldoorn '40 – '45

Later volgt impressie over herdenking slachtoffers dwangarbeiders in tweede wereldoorlog in Rees