Ik haat vuurwerk

Ik haat vuurwerk. Het hoort erbij natuurlijk, maar wat mij betreft: afschaffen. Het geknal rond de feitelijke jaarwisseling mag blijven. Een uurtje boze geesten verdrijven kan geen kwaad. Met een paar vuurpijlen het negatieve klimaat uitbannen, lijkt me alleen maar goed. Probleem is dan wel dat de knaller te weinig tijd heeft om alle knal- en sierexplosieven af te steken. In tijden van vuurwerk toont de mens zijn ongeneeslijke neiging tot overdrijven. Kopen, kopen, hebben, hebben. Dus slaat men groot in. De megapakketten moeten gekocht worden, het is onmogelijk minder te kopen. Gevolg is dat in de laatste dagen van december massaal ‘ingeschoten’ wordt. In de lucht boven de stad hangt een kruitwolk, de straten ligt bezaaid met ontplofte resten Chinees papier. Het geknal is alom aanwezig. Af en toe lijkt het alsof de stad bezet is door gewapende bendes die brandschattend, straat voor straat, wijk voor wijk, de stad innemen. Knallen lijken geweerschoten, hier en daar een weerlicht van een bermbom-imitatie en een duizendknaller klinkt als een clusterbom. Om de hoek wordt een stadsguerrilla uitgevochten. Wat begon met een sterretje is verloren gegaan in een lawinepijl. Het geluid doet me voortdurend opschrikken.

Het gerommel buiten houdt me binnen. Ik denk terug aan vroeger. In de straat voor ons huis verzamelden zich jongens en een enkel meisje. Prille teenagers, waren we. In de groep voelden we ons groot. We zochten kerstbomen voor een oudejaarsfik. Heel de buurt werd afgezocht. Op ons voetbalveldje ging in de avond rond tienen de hens erin. Maanden later kon je de middenstip niet zien onder het zwartgeblakerde gras. Dagenlang sleepten we de bomen door de wijk. Als we niets vonden, had er altijd wel iemand vuurwerk bij zich. Rotjes heetten ze toen nog. Of astronauten. Waarom je ontploffend materiaal astronauten noemt is mij onduidelijk, als een ruimtereiziger iets niet wil is het ontploffen.

Maar goed.

We gooiden het vuurwerk bij voorkeur na elkaar toe, maar ook naar huizen en voorbijrijdende auto’s. Putten en brievenbussen waren er om op te blazen. Maar het allerleukste, ik beken het tot mijn schande, was toch wel met vuurwerk tegen de ramen een buurman zo gek krijgen dat hij met een kwaaie kop uit zijn huis kwam rennen om die rotjochies een lesje te leren. Slap van het lachen ontkwamen we via steegjes en tuintjes. Om later terug te keren met een volle laag. Beschamend natuurlijk. Ik denk dat ik daar mijn afkeer van vuurwerk heb opgelopen. Al vroeg kreeg ik door dat vuurwerk het laagste in de mens kan oproepen. Nu ik al het geknal weer hoor moet ik me bedwingen niet te reageren, op baldadige jongens die er ook niets aan kunnen doen dat ze zoveel knalgoed gekocht hebben.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.