Op de hoek van een rotonde

Niets is meer hetzelfde. Ging ik gisteren op zoek naar de plek waar het allemaal begon, ok prozaïsch: een bushokje ergens in een Drents dorpje, kon ik het niet vinden. Samen met mijn lief reed ik gisterenmiddag rond en we hebben echt heel goed rondgekeken, maar de plek bestond niet meer, waar we 21 jaar geleden stonden te wachten op een bus die ons na een fijne boswandeling terug naar de stad zou brengen. Terwijl we toen wachtten kusten we elkaar voor het eerst en dan heb je verkering. en het is helemaal niet gek dat je zo'n plek terugzoekt na al die jaren.

Ik ga Mijn Lief verrassen, we zijn jarig

Nat en fris
Het is lekker nat en fris buiten. Niks niet sneeuw en witte kerst. Jaren geleden, op de kop af 21 jaar was het ook zo'n weertje. Al was er toen ook een ondoorzichtig mistgordijntje bij. Ik weet het nog goed, want toen kuste ik mijn lief voor het eerst. Na een boswandeling, ergens in Drenthe, misschien wel bij een hunebed of bij een dwaallichtje in het moeras, kusten we elkaar. En dat doen we nog steeds.

Memory Lane
Vandaar dat ik haar vandaag mee neem op een trip langs memory lane. We beginnen op het plein waar we elkaar ontmoetten en beter leerden kennen. Via een niet nader bekend route gaan we op zoek naar de zoenplek om een zoenoffer te brengen aan de liefde. De plek moet vastgelegd worden. Na deze love-proost duiken we een herberg in en eten ons ongans. En we drinken op de liefde. 

SMS
Meedoen? Dat kan niet, alleen per sms, als je het nummer hebt.....

Hemels geluid in de Aa-kerk

In Groningen staat de Aakerk. Een mooie kerk, met een opvallende gele toren, die een beetje verscholen achter de Korenbeurs staat. Vanmiddag bezocht ik de kerk. Niet om het gebouw te bewonderen, maar om te luisteren. Er was een concert, werk van Bach. Een koor, solisten en een orkest, keurig uitgelicht zaten ze in het zwart onder het orgel. Midden in de stad, om zaterdagmiddag, terwijl om je heen de marktbezoek en het funshoppen in alle heftigheid is losgebarsten is het mogelijk ongestoord te kunnen ervaren hoe mooi levende muziek klinkt.

Zwarte musici
Eerst is er geroezemoes van het publiek. Men zoekt het beste plekje, schuift met stoelen, hakken klinken. Vervolgens is er getik van het lepeltje in het koffiekopje en zacht gepraat en gelach. Dan ineens daalt er een stilte over de toeschouwers heen als in een zwijgende optocht de in zwart geklede orkestleden met hun instrument in hun hand vanuit een hoek de kerkruimte in komen lopen. Er hangt een stilte vol verwachting. Dan gaan de musici hun instrument stemmen. In de verte zag ik hoe de celliste omhoog keek naar het gekrulde uiteinde van haar cello en hoor ik hoe haar aanzet weerklinkt. Als alles gestemd is komen de koorleden, gewapend met hun zangmap onder de arm op en even later de hoofdrolspelers: de solisten.

Orgel mooi?
Hoe mooi klinkt een orgel? De luchtverplaatsing trilt door de kerk, en komt uit de pijpen, die in clusters van vijf, dof verchroomd, vervat in een massa rijk gedecoreerd hout boven de hoofden van de zangers in de kerk hangt. Ingewikkeld om uit te leggen, maar het mooiste van een orgel is als de laatste toon langzaam in de stilte weg zakt. Soms duurt dat drie seconden. De muziek op zijn mooist als de toon verdwijnt in het niets.
Het koor zingt alsof Bach een 56-sporenmixer in zijn hoofd had zitten. Iedereen ha-ha-ha’t op zijn eigen wijs, alsof dat marktgedruis toch binnendringt, maar dan harmonieus en kloppend, precies op het juist moment komen de tonen samen in een finale klank.

Niet klappen!
Mensen willen eigenlijk wel applaudisseren na zo’n kunstklankstukje, maar de mores schrijft voor dat niet te doen, en dat is jammer, waarom geen enthousiaste bijval, het moet de harten toch blij maken? Laat het publiek juichen of is dat niet hemels? Ik wil niet doods zitten bij Bachs muziek, ik wil hoofdwiegen op het headbangen af. Het brengt mij waarlijk in vervoering, maar ik moet stil blijven zitten zoals iedereen geforceerd netjes zit.
De van der Aa-kerk is een gebouw met een enorme hoogte, de ramen bestaand uit kleine rechthoekige vensters die uit hun beurt zijn opgebouwd uit kleine rechthoekige raampjes zijn meters hoog. Binnen die ruimte, tussen die wanden en dat hoge plafond klinken de stemmen en de muziek vol en rijk. Het is oorstrelend. Zo schitterend als het kristallen collier dat een van de solisten om haar hals droeg.



Onsaai en een oneentonig

Het leven is soms saai en eentonig. Niets daarvan in de afgelopen dagen. Woensdagavond kreeg ik een mailtje met het verzoek mee te werken aan een interview. Voor tv, over parkinson. Snel gereageerd, gesprek met redacteur van Editie.NL gevoerd en afspraak gemaakt voor de dag erop. In het UMCG was een uitvinding gedaan die getoond moest worden. De onderzoekster kende ik door een eerder interview en zo kon ik als patiënt meedoen aan het komende perscontact.

Beeldjes
In het ziekenhuis stonden de journalisten al klaar. Zij begonnen al snel met het opstellen van de camera, en legden uit wat de opzet ging worden. Het interview ging dan ook in stukjes. Een vraag werd gesteld met de camera links, het antwoord werd opgenomen via rechts. In de uiteindelijke versie werd geluid uit de ene opname onder het beeld van de andere opname gezet. Zo ontstond een mooi item.

Reacties
Via social media verspreidde ik het nieuws van de uitzending. Eigenlijk bleef de stroom reacties tot vanavond voortduren en dat maakt het leven onsaai en oneentonig.

Open Dag Hart van Hoogkerk 10 november

Zaterdag de open dag, voorbereidingen in volle gang. Vandaag geinterviewd door Dagblad vh Noorden en op de foto gezet voor deze krant. Presentatie voorbereid, nu nog speech maken.
Zie de site


Hart van Hoogkerk: open dag 10 november www.hartvanhoogkerk.nl

De laatste weken kom ik regelmatig in de kerk. In Hoogkerk is de Theresiakapel sinds kort de plek waar de Westerkrant gemaakt wordt. Voor deze Westerkrant schrijf ik een column, de Stadsrafels. Ook maak ik wel eens een artikel of doe ik soms een interview voor de krant. In oktober heb ik geschreven over de architect Van Elmpt, die de kapel heeft ontworpen en over de heilige Theresia.

In de kapel gaat iets moois gebeuren. Er komt een Hart van Hoogkerk. De bedoeling is dat er elk weekend iets cultureels gaat plaats vinden. Een mooie muziekuitvoering, een film, een theatervoorstelling, cabaret, theatersport, of misschien lezingen of debatten. Wat er precies gaat gebeuren is nog de nader te bepalen.

Om dit te organiseren zijn mensen nodig, dus als je zin hebt om af en toe iets cultureels te organiseren, laat het weten. Of als je met je orkestleden, koorzangers, of wat voor culturele activiteit dan ook een podium zoekt, meld je dan ook.

Op 10 november is er een opendag, iedereen is welkom om de kerk aan de Zuiderweg te komen bekijken. Om 11 uur gaan de deuren open en presenteert het Hart van Hoogkerk de plannen.

kijk ook eens op www.theresiakapel.nl

Soep en strand in de straffe wind




Het strand is vandaag in helder licht gehuld. Een lichtblauw balkje is zichtbaar boven de zee. Langs de witte branding rijdt de strandbus, een oude leger truck met een wit passagierdeel achterop gebouwd, waarin wandelaars zich tot het meest oostelijke stuk van het eiland laten brengen om met de wind in de rug terug te wandelen over het strand. Ik zit naast mijn Lief in de serre van het strandpaviljoen achter het glas en kijk uit over het strand. Achter me vullen de tafeltjes zich met bargasten die voor warme chocolademelk, koffie en thee komen. De keuken draait op volle toeren, onze soep zal enige tijd op zich laten wachten, zei de lockere bediende, die ons al herkent. Mijn Lief leest op de e-reader mijn verhaal waar ik al maanden aan werk. Ze vindt mijn hoofdpersoon maar onsympathiek. ‘Gore eikel’, noemen we hem maar. Ondertussen breekt de zon door. De schaduw van de vlaggen boven het paviljoen is zichtbaar op het ineens hellichte zand. Ook de schaduwvlag wappert in de wind, een straffe bries zogezegd. Over het strand jaagt de wind in lange slierten zand over het droge harde deel. Alsof het rookwolken zijn die laag bij de grond onze richting uitkomen. Halverwege staan een vader en een dochter, ze houdt een geel met oranje vlieger in haar hand. Hij roept: ‘Los, nu,’ en in één ruk stijgt de vlieger op. Klapperend trekt de vlieger zich hoger en hoger op. Boven het water, waar de golven in regelmaat gehoorzamen aan de zwaartekracht en de mysterieuze werking van de maan, danst een in wetsuit gestoken jongen over het water, voortgetrokken door zijn kite die met vele draden aan hem vastgeklonken zit. Zwevend door het witte schuim waant hij zich onoverwinnelijk, of in ieder geval stoer en sterk. Naast ons staat een Duits gezelschap op. De windjacks van de bekende merken worden aangetrokken, de mobieltjes opgeborgen in een van de vele handige zakken van de jassen. Aan de bar betalen ze. Onze erwtensoepen worden geserveerd, sneller dan we verwacht hadden. De groene stevige soep is goed gevuld met worst en spek, er drijven stukjes aardappel in. Het roggebroodje met spek in een driehoekje gesneden, smaakt uitstekend bij de soep. Achter ons speelt een gezin een kaartspel. De waaiers in de handen, de stapel op tafel groeit. De rustige loungemuziek verhoogt de ontspannen sfeer. Als onze soep op is, besluiten we nogmaals het strand over te lopen, nu in de zon en met de wind door onze haren.

Strand en leven

De hond rende over het strand, met zijn tong uit de bek. De zandvlakte lokte een snelle sprint uit. Van de paardenstront naar het zeewier en terug via de krabjes die op het droge het leven hadden gelaten. Nauwlettend hij het grote vrouwtje en het kleine baasje in de gaten. Hij reageerde op het ijle stemgeluid van het kleine vrouwtje en negeerde zoals gebruikelijk de grote baas. De riem was af, de vrijheid lokt, maar de roedel bleef hij in de gaten houden.

We maakten foto’s, voor later, en voor eeuwig. Vastgelegd werd de liefde tussen moeder en dochter, de zoon langs het schuimende zeewater omlijst door grijs en minieme blauwe stukjes in de lucht. Schelpen knisperden onder onze voeten. De ronde over het strand was weids en zorgeloos, de tijd hing in de lucht, verwaaide met de milde wind uit het oosten.

Even later dronken we in de Zonzeebar, temidden van oriëntaalse interieurversiering, als lampen en beeldjes van Shriva, de gelukkige olifant die met volle buik het leven omarmde. Cola en wijn, chocolademelk met slagroom en bockbier. De barkok in zwart gehuld met enorme bakkenbaarden kwam informeren hoe de borrelhapjes hadden gesmaakt. En ja we gaven complimenten. Even later bestelden we nog een rondje bij de jonge bediende, die zo locker de drankjes door de strandtent heen laveerden, terwijl hij met een subtiele hoofdbeweging zijn haar in de plooi wist te houden. Hond P. aan de riem,dronk de waterbak leeg en reageerde fanatiek op de twee strandtenthonden, die zwaarlijvig en getekend door het strandleven hun voortplantingskunsten toonden.

Overal zaten mensen aan de bartafeltjes uit te puffen van hun strandvertier. De buit gevat in de mobiele telefoon, werd aan elkaar getoond. Volvo-papa’s en parttimebanenmoeders veegden hun kroost schoon naast de bar en genoten nog een keer van de herfstvakantieborrel. Eerder op de dag hoorde ik de quote van de dag, op een fietspad dat ik met moeite nam, de helling was lang en stijl, ik haalde twee meisjesmama’s in die elkaar toeriepen hoe zwaar het fietsen was met twee sauvignon-blancs in de benen. Verzuring is een fietskwaal, dat is zeker.

Ondertussen raakten wij in een lichte feestroes. We besloten tot een avondetentje buiten de deur. Hond P. mag niet mee, hij zal blijven liggen op de bank, op zijn kleedje en wij storten ons in het nachtleven van het eiland. Op de terugweg naar ons BoerenBontVakantiehuisje reed mijn gezin van mij weg. De duinheuveltjes kon ik met moeite overbruggen. Vlakbij zag ik opnieuw de eenzame vader, die met zijn tandem, met voorop een kinderzitje. Hij had zijn gele dubbelfiets op de standaard gezet en was een bosje ingedoken om van nog dichterbij bijzondere vogeltjes te spotten met zijn verrekijker en vast te leggen met zijn camera. Hij doet geen vlieg kwaad, al is het opvallend dat hij voortdurend alleen over het eiland rijdt. Ik zette aan op mijn fiets om mijn gezin niet uit het oog te verliezen.

Thuis laste wij een rustpauze in alvorens naar het restaurant toe te gaan. Hond P. gaf het goede voorbeeld, door languit op de bank te gaan liggen. Ronkend viel hij in slaap en droomt vast van enorme zeewieren en bergen paardenstront op een strand dat pas op houdt voorbij de horizon. Hij geniet na. Zo hoort het.

Lawaai aan boord

De overtocht naar het Waddeneiland Terschelling gaat natuurlijk per veerboot. Je kunt tegenwoordig je tickets thuis uitprinten. Dat gaat een stuk sneller in de vertrekhal omdat niemand nog een kaartje hoeft te kopen. Het vervoersbewijs heette vroeger een biljet. Ach ja, alles van waarde vergaat. Gewapend met een uitgeprint pdf-je, voorzien van een streepjescode stond ik met mijn rolkoffertje in de rij om toegelaten te worden tot de pont, of zoals het tegenwoordig heet: ferry. Gelukkig liet de boot (of is het schip) nog wel een flinke stoomtoeter horen bij vertrek en aankomst.

Aan boord zocht ik een rustig plekje om de twee uur durende overtocht te kunnen overbruggen. Vlak achter het restaurantje, wat vroeger gewoon een buffet heette, kon ik zitten. Aanvankelijk leek het te lukken. Maar vlak voor de afvaart ging een jonge moeder met buggy gevuld met baby aan het aanpalende tafeltje zitten. Er dook nog een bleek meisje op dat de oudere dochter moest voorstellen. Al snel zette de baby een keel op, ging de Iphone van moeder en kletste de vrouw door het gebrul heen met haar man. Op luide toon legde ze uit waar ze zat, ondertussen had haar bleekneusje vader gespot en riep hard naar haar moeder dat papa er aan kwam. Vader bleek een groot, dikbuikige man te zijn voorzien van een harde diepe basstem. Hij pakte de baby over van de moeder, die naar het koffiebarretje liep voor versnaperingen. Het krijskind liet dat niet gebeuren en maakte luidkeels duidelijk niet gediend te zijn van het vertrek van zijn moeder. Papa hield het luierwezen zijn gang gaan, hield hem hoog in de lucht, en lachte hard om zijn gebrul. Ik drukte de oortjes van mijn ipod diep in mijn oren om het allemaal niet te hoeven horen. Het was tevergeefs.

Vluchten kon niet meer omdat alle tafeltje bezet waren. Ik keek om me heen. Overal zaten mensen. De hoeveelheid elektronica was overstelpend. Vaders speelden met iPads, moeders lazen hun Vijftig Tinten Grijs op hun e-readers, kinderen tikten driftig op nintendo’s en hier en daar toetsten pubers hun whatsappjes de wereld in. Gelukkig waren er ook nog ouderwetse mensen die een krant of een boek lazen. En er werden spelletjes gespeeld. Kaartspelletjes, uno, en een paar pre-pubers die poker speelden. Zo doodde men de tijd die overtocht duurde. De krijsbaby bleek alleen met luidruchtige aandachtspelletjes stil te worden. Vol verve kweten de jonge ouders zich van deze taak. Steeds luider en harder tetterden zij hun liefkozingen de maxi-cosy in.

Na twee uur klonk de scheepshoorn opnieuw, ten teken dat we aankwamen. Opvallend snel verliet de meute het schip en liep ik in alle rust de loopplank af. Op een paar meeuwen na, bleef het stil.

Dwalend op de Wadden

Daar liep ik dan, met twee rolkoffertjes achter me aan, over het fietspad dat langs de hoofdweg dwars over Terschelling loopt. Geen idee welke kant ik moest oplopen. Ik koos rechts, het had links moeten zijn. Keurig had ik bij de boot de juiste bus genomen. De halte die ik moest nemen, had meende ik iets met een campingnaam en iets met Haantjes te maken en het moest in het dorpje dat iets als Vormeren heette. Op het kaartje dat in bus hing bleek dat Formerum de juiste spelling was. De chauffeur zou een seintje geven als we daar waren. Ik probeerde ondertussen te herinneren waar ons huurhuisje zich zou bevonden. Het was iets bij een kruising en bij een lantaarnpaal links, of zo. Ik had niet zo goed geluisterd toen mijn Lief dit uitlegde. Toen ik eenmaal uit de bus gestapt was moest ik erkennen dat ik bij de eerste stap al verdwaald was.
Over het fietspad reden vrolijke toeristen hun vakantieritjes op hun huurfietsen. Achter mij aan trok ik de twee rolkoffertjes over het asfalt. De vrolijke toeristen groetten, glimlachten en het was wachten op de eerste flauwe grap. ‘Hebben ze je eruit gezet?’ riep een olijke oudere man. Hij grijnsde en grinnikte in zijn grijze baard. Om mij heen kon ik de weilanden en de koeien nauwelijks zien door de mist. Daar stond ik, hulpeloos verdwaald.
Maar zo groot kon Formerum toch niet zijn? Ik stak de weg over en zag daar een straatnaambord waarop Formerum-Noord stond. Nergens een bordje met het opschrift: ‘Huisje die kant op’. Zoveel service krijg je niet op Terschelling. Had ik de routebeschrijving nou maar gelezen. Met mijn mobiel maakte ik contact met het web. Nog voor ik Google Maps had opgeroepen, klonk een fietsbel. Mijn Lief had mij al gevonden, smalend lachje. Ze nam me bij de hand en bracht me naar ons huisje. Een leuk huisje, en inderdaad, vlakbij de bushalte, als je maar goed de route kent.

Jerney Kaagman en Parkinson

‘Laat mij maar de Michael J. Fox van Nederland zijn,’ zo stelt Jerney Kaagman in het interview met Weekend waarin zij onthult de ziekte van Parkinson te hebben. Zij wil niet bij de pakken gaan neerzitten en is van plan zich in te gaan zetten voor de belangen van haar medepatiënten. Ze roept andere bekende Nederlanders met de ziekte op hetzelfde te doen. Haar bekendmaking heeft veel media-aandacht opgeleverd.
De ziekte van Parkinson krijgt met Jerney Kaagman een sterke ambassadrice. Zij is goed in staat te vertellen welke beperkingen zij ondervindt, maar benadrukt dat er nog zo veel te genieten is. Parkinson komt niet alleen voor bij oude trillende en bevende tachtigers. Er is een groeiende groep jongere parkinsonpatiënten die nog lang niet afgeschreven hoeft te worden. Hun leven gaat door. Daarvoor is veel hulp nodig. Niet in de laatste plaats van de partner en naaste familie. Het initiatief van Kaagman is een steun in de rug van de vele onbekende Nederlanders met de ziekte.
Steun en aandacht vragen is een ding, maar om echt de Michael J. Fox van de Lage Landen te worden, zal Kaagman in Nederland hard moeten werken om fondsen te verzamelen waarmee onderzoek en ontwikkeling van medicijnen en therapieën kunnen worden bekostigd. Fox heeft in de VS met zijn stichting sinds de oprichting bijna 300 miljoen dollar opgehaald voor de bestrijding van de ziekte. Bovenal liet Fox zien dat hij ondanks zijn ziekte zijn leven niet opgaf. In de strijd op de goede-doelen-markt, is een bekend gezicht onmisbaar. Alleen daarom is het voor parkinsonpatiënten goed nieuws dat Jerney Kaagman zich gaat inzetten.

Stormschade

Het is herfst. Harde windstoten en forse plensbuien. Vanochtend vertrok mijn gezin door de regen naar school en werk. Gewapend met Regenbroeken en plastic regencapes en met forse tegenzin trokken ze de deur achter zich dicht. Ik ging even later ook weg, maar wel met de auto. Terwijl mijn gezin vocht tegen de elementen, reed ik door de plassen.

Toen ik 's middags thuis kwam zag ik dat we heuse stormschade hadden. Ernstig? Nee, het viel mee. De wind had vat gekregen op een klimop. Het rekje waartegen de plant op kon klimmen had het begeven. Triest lag een grote groene bos op de oprit. Het meest jammerlijke was dat de stokrozen ook gesneuveld waren. Stokrozen die des zomers zijn, lagen geknakt op de grond. Herfststorm is meedogenloos. De groene kliko ligt nu vol stormafval.


Amsterdam fietst

Amsterdam is druk en vol. Ik fietste afgelopen vrijdag dwars door de binnenstad, via de Jordaan naar de Staatsliedenbuurt. Een gevaarlijke expeditie omdat mijn voorband bijna leeg was, tramrails ontweken moesten worden, maar bovenal toeristen in de weg liepen. Dus handen aan de remmen en de duim op de bel. Mijn Lief, die minder angstig is aangelegd, ging vooruit. Met enige moeite kon ik haar in het oog houden. Terwijl zij ons ontbijt voor de volgende ochtend ging inkopen bij een Albert Heijn reed ik door naar ons logeeradres.

Met meer geluk dan wijsheid reed ik op mijn geleende mountainbike door het stadsverkeer. Aan een lantaarnpaal voor het appartement ketende ik de fiets vast, naast een kinderbakfiets die met een vuistdikke ketting vastgeklonken was. Ik beklom vervolgens de trap naar boven. Even later belde Mijn Lief aan. Opgelucht was ze, onderweg had ze een ongeluk gezien op een druk kruispunt, waar ik net langs gekomen was. Het slachtoffer werd net weggereden in de ambulance. De moutainbike van de ongelukkige fietser stond verkreukeld tegen de gevel.

Nee, fietsen in Amsterdam is leuk.

De volgende dag wandelden we door de stad. Via de Haarlemmerdijk kwamen we in de Jordaan terecht. Onderweg zagen we natuurlijk veel fietsers. Oude brikkies, rammelkasten, bakfietsen en fietsen met aanhangkarretjes. De mooiste die ik zag was een zwerver die achter zijn fiets zo’n kinderkarretje met huifje en vlaggetje voort trok. Natuurlijk gestolen. Uit het karretje stak het bebaarde en verwaarloosde hoofd van een tweede zwerver, de fles drank in de hand. Later bedacht ik me dat er nu ergens een jong gezin ontreddert is zonder fietskar. Hoe beteuterd heeft de jonge moeder staan kijken toen ze met haar twee dreumesen naar beneneden was gestommeld om te moeten constateren dat de fiets met kinderaanhanger gestolen was? De zware ketting lag in twee stukken om de lantaarnpaal. Vermoeid begon ze aan haar wandeling naar school, de kindertjes voortrekkend.

Nee, fietsen in Amsterdam is geen pretje.

Een stukje uit Een Beperkt Leven

Al een tijdje werk ik aan een roman met de titel Een Beperkt Leven, hieronder een passage

Hoofdpersoon Silvijn is getrouwd met Mette. Ze geven samen een feest, een week eerder is Silvijn tijdens een nacht stappen in een verkeerd bed terechtgekomen. Mette heeft de hele week al een vermoeden, op het feest krijgt ze duidelijkheid.

Om mij heen drinken de gasten op onze tuinfeest van hun champagne. Ik maak met onvaste hand foto’s van de bezoekers in onze tuin. De tuin is versierd met slingers en wordt verlicht met lampionnen en tuinfakkels. Achterin de tuin is een bar neergezet. De eerste kistjes champagne en het eerste fust bier is er al door. Bij de bar staan de muzikanten hun bier te drinken en bij te komen van hun eerste sessie. Het zweet staat op hun voorhoofden. Straks zullen ze soul gaan spelen, de saxofonist oefent alvast een paar melodietjes. Ze hebben beloofd ‘Sitting on the dock of the Bay’ te gaan spelen. Ik verheug me erop. Jonge meiden van de cateraar lopen in korte zwarte jurkjes met kleine witte schortjes rond met zilveren schalen vol hapjes: kaas, worst en kaviaar. Onder de gasten zie ik mijn vrienden, buren en collega’s van Mette en wat oud-medewerkers van mijn school.

Waar zonet de band speelde staat nu Jodie, onze vriendin die al die jaren dat wij bij elkaar zijn onze dierbaarste vriendin is. Jodie is gekleed in groene zomerjurk, die fantastisch kleurt bij haar rossige krullende haar. Hooggehakt, laag decolleté, ze weet hoe ze zich onweerstaanbaar kan maken. Bijna stoot ze Mette van de hoogste plaats, die als gastvrouw de show natuurlijk hoort te stelen en dat ook doet in haar zwarte jurk, met glitterende lovertjes, die perfect valt over haar lijf. Speciaal voor de gelegenheid heeft ze nieuwe pumps gekocht, met de hoogste hakken ooit. Ze lijkt nog langer en slanker. Haar lange zilveren oorhangers schitteren in het licht van de tuinfakkels, half verscholen achter haar blonde haren. Het avondlicht kleurt haar gezicht. Ik sta naast haar en omarm haar. Jodie pakt de microfoon van de band en tikt erop. Het geroezemoes verstomt.

‘Lieve Silvijn en Mette, als oudste vriend van jullie vind ik dat ik het recht heb jullie te mogen toespreken. Jullie stuurden een uitnodiging voor dit tuinfeest en schreven dat jullie geen reden konden bedenken voor dit feest, maar dat er hoe dan ook een feest moest komen. Een uitstekend idee! Leef het leven, geniet en vier vaak een feest. Ik vind het fantastisch.

Maar ik geloof dat ik toch weet waarom jullie de uitnodiging hebben verstuurd.’ Jodie neemt een slokje uit haar champagneglas. Ze kijkt in onze richting en knipoogt. Dan gaat ze verder: ‘Jullie zijn al zo lang bij elkaar en ik ken eigenlijk geen enkel stel dat zo mooi samen kan zijn. Kijk nou hoe jullie daar staan, als een eenheid. Voor mij zijn jullie het perfecte koppel. Ik denk dan ook dat we vanavond, en vergeef me als ik wat te hard van stapel loop, jullie liefde vieren.’ In het publiek begint iemand te klappen, een ander fluit op zijn vingers. Ik kijk Mette aan en trek haar nog dichter tegen me aan. Een fotocamera flitst. Ik zoen haar mond en zij slaat haar arm om me heen.

‘Om jullie te herinneren aan dit geluk en al die liefde, waar ik al zo lang getuige van heb mogen zijn, heb ik iets voor jullie laten maken waarvan ik weet dat het belangrijk is voor jullie.’ Ze pakt een groot in vrolijk rood met groen cadeaupapier ingepakt rechthoekig pakket. Ze geeft het aan ons. Ik neem het aan en met Mette samen begin ik het open te scheuren. Als het papier op de grond ligt, zien we wat Jodie heeft meegebracht. Het is de foto die zij maakte op onze gezamenlijke vakantie, een paar jaar geleden. Ergens op een Franse strand. Mette in korte jurk, bruine benen, door de zon nog blonder dan ooit en ik sta achter haar en hou haar vast. Onze hoofden tegen elkaar. Op de achtergrond is een duinlandschap te zien met daarboven een strak blauwe lucht. Onze handen houden we vast. We kijken langs de camera, ergens in de verte kruizen onze blikken. Ik kijk van de foto naar Jodie die grijnzend onze verrassing registreert. We zoenen haar, elk op een wang. Onze armen om elkaar heen. In ons intieme kringetje fluistert ze wat ze eigenlijk wil zeggen: ‘Hou dit vast, dit is zo belangrijk, jullie hebben het geluk in handen, vergeet dat niet.’ Ik voel een brok in mijn keel en Mette dept een traantje weg.

‘En dan nu, muziek,’ roept Jodie ineens. We maken ons los en horen de drummer een roffel geven. Met ons drietjes swingen we door de tuin. Iedereen wordt aangestoken door de muziek en beweegt mee op het ritme. De band knalt de ene soulclassic na de andere eruit. Na een paar nummers voel ik de vermoeidheid in mijn knieën en heupen. Ik pak een biertje en ga zitten. Vanaf mijn stoel overzie ik het feest. Al die dansende mensen, al dat plezier, ik geniet. Mette en Jodie staan in het midden van de dansende menigte zich uit te leven. Ze hebben hun hakken uitgetrapt. Het koele biertje smaakt naar meer. Ik loop naar de bar en krijg een vers tapje aangereikt.

****

Onze tuin is voor stadse begrippen groot. We hebben ooit een stuk grond achter de tuin erbij kunnen voegen. Zo ontstond een L-vormige tuin. Ik zit in de uiterste hoek, waar we een vanavond een zitje gemaakt hebben. Het is altijd prettig om wat plekken te hebben waar je op een feest rustig kan zitten en wat kunt praten. Ik probeer mijn vermoeidheid weg te krijgen door wat ontspanningsoefeningen te doen. Beetje rekken en strekken. Na een paar minuten voelen mijn knieën niet meer pijnlijk en sta ik weer op. Ik loop richting de bar en bestel nog een biertje. Voor me staat een groepje mensen die ik niet ken. Kennelijk collega’s van Mette. Ik heb geen zin om kennis te maken en probeer langs ze te lopen. Als ik ze passeer voel ik hoe iemand mijn hand vast pakt. Ik verwacht dat het Jodie is en knijp zonder het te beseffen liefdevol in de hand. Verbaasd kijk ik om. Dan kijk ik goed, het is Kim.

‘Hey, wat een superfeest, gefeliciteerd, of waarmee eigenlijk?’ Ik staar met open mond naar de jonge vrouw. Pas nu kan ik haar mooie ogen goed zien. Groen met bruine puntjes. Ik laat haar hand los en kijk om me heen. Mette is nog steeds aan het dansen.

‘Wat doe jij hier?’ vraag ik geschrokken. Ik kijk haar met grote ogen aan. Ze streelt mijn wang.

‘Je had me uitgenodigd, weet je nog, vorige week?’ legt ze uit. ‘Het leek me wel tof om eens te zien waar je woont.’ Ik kan me niet herinneren dat ik het met haar over feest gehad heb, maar ja in de alcoholdampen is alles mogelijk geweest. Ook in onze sms’jes hebben we het niet gehad over een feest. Ik kan me alleen maar heugen dat ze geile berichtjes stuurde.

‘Het is gezellig, ik heb wat gekletst met je vrienden, leuke lui.’

‘Kut, nee, dit is niet goed dat je hier bent, mijn vrouw, ik bedoel, dit kan niet, je moet weg,’ stamel ik. Kim trekt een verbaasd gezicht en vraagt waarom. Ik trek haar mee naar de zithoek achter in de tuin, waar het nog steeds rustig is.

‘Dat is toch niet zo ingewikkeld? Je hoort hier niet te zijn. Het is te gevaarlijk.’Ik loop in de richting van de poort in de tuinafscheiding om Kim uit te laten. De band neemt met een daverend slotakkoord afscheid van het dansende publiek. Er klinkt een luid applaus. Kim plaatst haar handen in de zij.

‘Okee, ik begrijp het, maar het valt toch niet op. Ik meng me gewoon tussen de mensen. Niemand die het ziet. Ik heb zo verlangd je weer te zien.’

‘Het kan niet Kim, ik kan het niet.’ Ik open de poort en vervloek mezelf. Het plastic glas hou ik zo scheef dat ik mijn bier over mijn broekspijp mors. Een natte plek ter hoogte van mijn bovenbeen. Kim komt dichterbij, ze omhelst me. Haar lichaam duwt ze tegen het mijne aan. Alsof we een intieme schuifeldans uitvoeren duwt ze me door de poort. In de brandgang is het donker. Haar hakjes tikken op de bemoste tegels. Ze duwt me tegen de tuinschutting, de poort valt dicht. Ik tast naar haar borsten, voel haar billen. Haar hand zoekt mijn pik, die alweer zijn kop verloren heeft. Ze smaakt heerlijk, haar tong vindt de mijne.

‘Ik wil je nog steeds, ik heb hier zo naar verlangd,’ hijgt ze in mijn oor. Ik hoor mezelf zeggen dat ik hetzelfde voel. Ze trekt haar blauw gebloemde jurkje omhoog en biedt haar sponde aan. Alle geilheid spat naar mijn hoofd. Ik denk niet meer. Ik doe alleen nog maar.

De poort is in het slot gevallen. We lopen door de brandgang naar de voorkant van mijn huis. Overal staan fietsen geparkeerd. We zwijgen, voldaan. Kim drukt een kus op mijn wang. Alsof er niets is gebeurd, pakt Kim haar fiets, kijkt een keer om, zwaait met een klein handgebaar en verdwijnt in de nacht. Ik bijt op mijn lip. Het geroezemoes van het feest dringt vaag door in mijn oor.

****

Ik loop de oprit op en ga via de garage naar de tuin, waar het nog steeds vol en feestelijk is. Iemand heeft de fotolijst van Jodie opgehangen aan een van de bomen, op de haak waar normaal de hangmat aan bevestigd zit. Ik voel of ik mijn knopen van mijn broek goed heb dicht gemaakt. Mette en Jodie staan bij de bar, ik probeer ze te ontwijken. Maar Mette wenkt. Ik pers een grijns op mijn gezicht en stap naar ze toe.

‘He waar was je nou, gaat ie?’ vraagt Mette. Ik weer haar hand af.

‘Beetje moe, ik ben door mijn energie heen geloof ik,’ zeg ik met zachte stem, ‘ik moet even zitten, is dat gek?’ Mette kijkt me bezorgd aan. Dan lacht ze en schudt haar hoofd.

‘Kom dan gaan we daar achter even zitten, ik vind het zo gaaf dit feest, we hebben super lekker gedanst.’ Jodie biedt aan wat te drinken te halen. Wij lopen naar het hoekzitje en kruipen op een leeg bankje.

‘Zoveel mensen, gaaf, sommige had ik echt tijden niet gezien. Ik heb niet eens de tijd gehad om iedereen te begroeten. Leuk dat er ook nog mensen van je oude werk waren. Zie je dat ze je niet vergeten zijn? Ik zag die collega van je, die van wiskunde ofzo? Met die baard, hij kwam met een jonge vrouw. Een meisje in een kort blauw jurkje. Nou ja, ik heb ze even de hand gedrukt, grappig zo’n oude man met een vriendin die zijn dochter kon zijn. Hoe heet ie nou?’

‘Bob, Bob Goede. Was die met een vrouw? Ik heb hem niet gezien, er zijn ook zoveel mensen.’ Ik wist zeker dat Bob nooit met een jonge vrouw zou verschijnen, als er iemand monogaam is dan is hij het wel. Zijn Betty was genoeg voor hem.

‘Kijk, bier en prosecco, dat gaat er wel in denk ik,’ Jodie geeft onze glazen en schuift naast me op het bankje. Ze zucht, strekt haar benen uit en drinkt in een teug haar glas leeg. Ik merk dat ze loom tegen me aan schuift. Haar warme dij tegen mijn hand. Mette heeft haar hoofd tegen de mijne gevleid en ze drinkt met kleine teugjes.

‘Ik heb net met iemand gepraat die jou zocht,’ zegt Jodie ineens, ‘een mooie jonge dame, met ondeugende oogjes. Heeft ze je nog gevonden?’ Ik merk dat mijn hart over slaat. Is Kim dan niet weggegaan, is ze terug?

‘Ik heb hier steeds gezeten, ik heb niemand gezien,’ antwoord ik zo vaag mogelijk. ‘Dat heb je op zo’n feest, zoveel mensen, je kunt niet iedereen spreken.’ Jodie knikt, maar ze gaat verder.

‘Ze kende je nog maar net, ze vertelde dat ze nog studeerde, ach, wat een mooie tijd was dat toen toch, weet je, ik verlang er soms zo naar terug, gewoon doen wat je wilt, geen verantwoordelijkheid, heerlijk,’ mijmert Jodie verder.

‘Tja, Silvijn doet het nog wel eens hoor, studentje spelen, komt ie om weet ik hoe laat thuis, straalbezopen, en ik er maar weer uit om op tijd op mijn werk te komen.’ Mette aait me over mijn bol. Ik kijk naar de bijna opgedroogde plek op mijn broek. Daaronder is het nog vochtig en plakkerig. Ik kan de geur van Kim nog ruiken.

‘Onze eeuwige student, geniet er maar van jongen,’ zegt Jodie loom, ‘ik begrijp het wel.’ Aan haar stem kan ik horen dat ze een beetje dronken is. ‘Zo’n jong meisje, ik wou dat ik haar kansen had, erop los leven.’ Kort sluit ze haar ogen.

‘Was het dat meisje dat met je collega meegekomen was?’ vraagt Mette aan mij. Ik haal mijn schouders op.

‘Ik heb hem niet gezien, ik weet het niet,’ antwoord ik afwezig, ‘ik moet even naar het toilet, al dat bier.’ Met moeite hijs ik me van het bankje, Mette geeft me een duwtje in mijn rug om me te helpen. Wankel loop ik naar het huis. Ik kijk om me heen, maar tot mijn opluchting zie ik Kim nergens. De bebaarde collega staat in een hoek te praten met wat andere ex-collega’s.

***

Op het toilet ga ik zitten met mijn broek op mijn knieën en zoek op mijn mobiel naar het nummer van Kim. Snel maak ik een bericht. ‘Je was verrukkelijk, krijg je niet uit mijn hoofd. Tot snel.’ Nog voor ik kan afsluiten vertelt ze dat ze in de stad zit, nog wat te drinken in de kroeg waar we elkaar hadden ontmoet. Ik stuur wat X’jes en trek door.

Ik loop terug naar de tuin en zie Jodie en Mette bij de bar. Ze praten druk met elkaar. Als Mette me ziet, loopt ze onmiddellijk naar me toe. Ik zie een strak gezicht. Ze trekt me de keuken in, doet de deur achter me dicht en stelt de vraag die ik al een tijdje verwacht.

‘Ik weet niet waar je het over hebt, lieverd.’ Ik open de koelkast en pak nog een biertje. Het draaidopje krijg ik niet los, de randjes van de kroonkurk snijden in mijn handpalm. Met een theedoek om de kurk probeer ik het opnieuw.

‘Silvijn, stop met liegen, ik weet het, dat meisje was niet de vriendin van je collega. Ik heb het hem gevraagd. Ook anderen heb ik het gevraagd. Niemand kende haar. Wie was het? Waar ken je haar van?’ Mettes lippen perst ze op elkaar. Tussen haar ogen verschijnt een frons.

‘Je was met haar vorige week, hoe haal je het in je hoofd om haar hier binnen te halen, wat mankeert je,’ begint ze steeds harder te roepen. ‘Klootzak, waar ben je mee bezig? Ik wist het wel.’ Het glas dat ze gooit mist mijn hoofd op een paar centimeter na. De glassplinters liggen overal. Ik schud mijn hoofd.

‘Zeg dan tenminste iets, sta daar niet zo te zwijgen.’ Mette schreeuwt het nu uit. Ik wijs nog naar het open keukenraam en de gasten in de tuin. ‘Wat kan mij dat schelen, mijn man gaat vreemd en ik moet op mijn eigen feest ontdekken, gore eikel. Zeg het dan, ben ik te oud? Te verlopen? Wat is het, lul.’

‘Het is niks, je beeld je het in. Ik heb niet gedaan. Doe rustig, bedaar, je schept een scene.’ Ik wil haar vastpakken, maar ze slaat me weg. ‘Je blijft van me af.’ Mette stuift naar buiten. Door het raam zie ik hoe ze naar de boom loopt en de fotolijst met een lege champagnefles eraf slaat. De fles en de lijst breken tegelijk.

Verbaasd kijken de gasten op. Er lopen mensen naar Mette toe en er worden armen om haar heen geslagen. Jodie voert haar weg naar het bankje. Iemand heeft de geluidsinstallatie uitgezet. Het is ineens stil in de tuin, mensen kijken elkaar aan. Heel zacht beginnen de gasten weer wat te praten. Er wordt naar het huis gewezen. Ik neem een slok water uit de kraan. Met mijn handen op het keukenblad, hang ik over de spoelbak. Ik verzamel moed. Mijn hoofd bonst. Zweet loopt over mijn slapen. Ik tril. Het water verkoelt. Ik kijk nog een keer naar buiten. De mensenmassa in durf ik niet meer. Ik moet hier weg.

Stemmen in de Smurf

In mijn buitenwijk is geen stembureau. Gelukkig mag je overal in de stad stemmen. Dat is nog eens vrijheid. Maar het zorgt wel voor een nieuw keuzedilemma. Ik moet nu nadenken over mijn partijkeuze en bedenken welke stemlocatie ik ga gebruiken.

Ik kan kiezen op naam. Het lijkt me toepasselijk om te gaan voor iets politiek. Op de verkiezingslijst die de gemeente heeft toegezonden, zie ik als enige politieke verwijzing de Willem Dreesflat staan. Ik kijk op de plattegrond en zie dat die te ver weg is. Dan iets cultureels. Bolwerken van cultuur als Het Paleis en De Puddingfabriek kan ik met mijn stempas bezoeken. Te pretentieus en te ver uit de buurt. Of de hal van het NS-station of het Stadhuis, maar dat vind ik te vergezocht. Vele verzorgingshuizen, ziekenhuizen, scholen en kinderdagverblijven bieden ruimte aan de kiesplechtigheid. Het is zelfs mogelijk om in de Wallhouse te stemmen, een prestige-object in de Hoornse Meer dat al lang leeg staat.

Ik bestudeer de locatielijst nogmaals. Dan zie ik het: ‘De Smurf’, gelukkig hij is er nog de peuterspeelzaal aan de Zuiderweg. Dichtbij en een schilderachtige plek. Een oud bakstenen schoolgebouwtje, zwart pannendak en veel houtwerk, met drie of vier lokalen. En vooral met een plein voorzien van statige kastanjebomen, waar Ot en Sien nog speelden. Een rustieke plek om ouderwets de burgerplicht te gaan vervullen. In alle rust zal ik gaan stemmen, hopelijk met een scherp rood potlood, terug naar de jaren vijftig. Het doet me goed om in tijden van snelle peilingen, rondgetwitterde verkiezings-oneliners en de hijgerige tv-debatten te stemmen in zo’n rustiek gebouw.

Alleen die naam vind ik niet zo toepasselijk, alsof je een nieuwe Grote Smurf gaat kiezen. Nou ja, het was ook mogelijk om in de Kleine Held te gaan stemmen. What’s in a name.

De Vlucht, heel veel delen

 

Een tijdje geleden schreef ik op Facebook een vervolgverhaal zonder einde, hier de meer dan twintig afleveringen

 

1

Bjorn van Leyden staat voor het raam in de wachtruimte van Schiphol en kijkt naar de blauw-witte Jumbo’s en Boeings die geladen worden. De kleine vrachtwagentjes met treintjes van kleine bagagewagentjes vol koffers rijden af en aan. Met een lopende band die schuin omhoog staat worden de koffers in het vliegtuig geladen. Zijn koffer moet zich nu ook ergens tussen balie en laadruim bevinden. Hij roert zijn koffie, likt het roerstaafje af en neemt een slok. Hij kijkt om zich heen. Op het scherm met de vertrektijden zie hij dat de KL410 van 10 uur 10, over tien minuten uur zal vertrekken, volgens schema. Hij tuurt door de hal. De helft van de rijen stoelen is bezet. De zomervakantie is nog niet begonnen. De meeste reizigers zijn van middelbare leeftijd en ouder. Kinderen ziet hij niet. De stoel naast hem houdt hij bezet door zijn laptoptas er op te plaatsen. Opnieuw een slok koffie.

Bjorn kijkt op zijn mobiel. Geen bericht. Geen voicemail. Hij begint een sms te tikken. Wist de tekens, stopt het apparaat weg en kijkt opnieuw rond. Hij tuurt naar de ingang. Hij trekt zijn colbertje uit en legt die op zijn tas. Het bovenste knoopje van zijn witte overhemd maakt hij los. Hij zakt wat onderuit, legt zijn benen recht vooruit. Zijn armen legt hij achter zijn hoofd. Hij rekt zijn rug, voelt de spanning in zijn spieren. Voor hem komt een tankwagen. Slangen worden aangesloten aan het vliegtuig. Verderop taxiet een Chinees vliegtuig naar de startbaan. Bjorn staart, sluit even zijn ogen en voelt de vermoeidheid in zijn lijf. De koffiebeker is leeg. Hij verfrommelt het karton en staat op om het weg te gooien. Hij loopt om zijn wachtplek heen, en kijkt nog een keer naar de ingang. Er komt niemand meer de hal binnen. Hij pakt zijn colbert en laptop. Op de boardingpas die hij in zijn paspoort heeft gestoken, leest hij nog een keer het gatenummer D21. Hij kent de weg. Ettelijke malen heeft hij deze vlucht genomen, maar nog nooit alleen.

2

De weg naar de gate is lang. Bjorn loopt langs winkels met elektronica en tijdschriften. Er zijn shops met chocola en Hollandse souvenirs. Delfts blauwe molentjes, klompjes en gekleurde namaaktulpen. In een stropdassenboetiek ziet hij een donkerblauwe zijden das.

‘Deze das wil ik graag,’ zegt hij tegen de verkoper. Hij draagt nooit dassen, maar nu is alles anders. ‘Wilt u hem voor mij strikken zodat ik hem meteen om kan?’ De verkoper helpt Bjorn. Het is een kortdurend intiem moment. De verkopers aftershave prikkelt Bjorns neus. In de spiegel ziet hij er zakelijker dan ooit uit. Hij knikt goedkeurend. Met zijn nieuwe creditcard rekent hij af. Het colbert en de das geven hem een uiterlijk dat hij nooit had gedacht te krijgen.

Hij vervolgt zijn weg naar de gate. Koopt een krant en een opschrijfboekje in de kiosk. Een stripje kauwgom verdwijnt zonder te betalen in zijn zak. Altijd handig bij het opstijgen, denkt hij. Overal hangen schermen met reizigersinformatie. Nog zes minuten voordat het boarden begint. Nog steeds loopt hij alleen. Voor de ingang van de wachtruimte bij gate D21 staan twee beveiligingsmannen. Er klinken stemmen uit hun mobifoons. De hand van de rechtse man rust op zijn riem, waar een wapen aan hangt. Bjorn draait zich om. Nog een keer kijkt hij achter zich en dan ziet hij wat hij al die tijd had willen zien. ‘Niet zo snel man, sta es stil,’ roept ze. Haar bagagetrolley stuiters over de tegels, haar laarzen tikken hard op de tegelvloer. Het rossige krullerige haar met de zonnebril om haar gezicht dat rood van inspanning is, ze is er. ‘Kut man, die ellendige treinen, ik heb een half uur voor Schiphol in de focking tunnel vastgezeten. Geen beweging, geen mededeling, niets, maar ik ben er. Waarom draag jij een das?’

3

‘Mag ik uw boardingpas zien?’ Bjorn geeft zijn ticket. Hij slikt. Het komt nu dichtbij. ‘U heeft gereserveerd om aan het gangpad te zitten, u kunt nog aan de raamzijde, het is niet druk.’ De KLM-dame in het helblauwe pakje, kijkt hem stralend aan. Perfect volgens de regels houdt ze haar glimlach in toom. Bjorn schudt zijn hoofd.

‘U hoort bij elkaar?’ Ze kijken elkaar aan en grijnzen.

‘Voor nu wel ja.’

‘Wilt u dan niet naast elkaar zitten, ik regel het wel even.’ Terwijl de plaatsen worden vastgesteld, kijkt Bjorn over zijn schouder. De rij achter hen is niet groot. Langs de wachtende reizigers lopen de bewakers. Ze inspecteren de reizigers. Bjorn legt zijn hand op de laptoptas. Hij glimlacht naar Frederique. Ze knipoogt en rommelt in haar tas. Het stripje kauwgom dat ze eruit haalt is leeg. Zijn hand gaat naar het pakje dat hij meegenomen heeft. Hij drukt er eentje uit en houdt het voor haar mond. Ze hapt en drukt een kus op zijn vingers. Met haar hand strijkt ze langs de das.

‘Staat wel gedistingeerd, mister. Streng maar aantrekkelijk.’ Hij trekt haar tegen zich aan.

‘Nou het is voor elkaar, u zit op rij 34, plaatsen B en C, goede reis.’ Bjorn neemt de kaarten in ontvangst en ze lopen naar de detectiepoortjes. Ze legen hun zakken. Portemonnee, mobiel, Bjorns riem en de armbanden van Frederique gaan in de grijze bakjes die op de lopende band worden gezet. Bjorn kijkt hoe Frederique haar armen strekt in het röntgenapparaat. Het groene licht brandt, ze kan doorlopen. Nu is het zijn beurt. Langzaam beweegt hij zijn armen omhoog, spreidt zijn benen. Hij staat precies in het midden. Hij voelt zich even de man van Vitrivius, gulden snede in X-ray. Het rode licht knippert, langer dan normaal. Bjorn voelt hoe zijn armen langzaam naar beneden zakken. Nog is het groene licht niet aan. Hij ziet Frederique haar armbanden uit de grijze bak haalt en om haar pols doen. Ze kijkt hoe Bjorn met zijn handen omhoog staat. Het rode licht knippert niet meer, het brandt nu continu. De controleur wenkt Bjorn. Hij wordt apart gezet en gefouilleerd. Dan moet hij opnieuw in het apparaat. Het rode licht gaat weer knipperen. De twee gewapende beveiligingsmannen kijken toe. Heel de rij kijkt toe.

4

Bjorn glimlacht. Hij buigt naar de controleur. De man deinst terug. Zijn uniform met insignes en de officiële donkerblauwe kleur moeten zijn jeugdigheid verbloemen. De pet op zijn hoofd zou in de Sovjetunie niet misstaan hebben.

‘Afstand houden, meneer, voorschriften.’ Hij voelt aan de binnenkant van Bjorns benen. Langzaam glijden zijn handen omhoog. Zijn detectieapparaatje slaat aan. De rode led-lampjes knipperen. Bjorn opent zijn broeksknoop en beweegt de rits naar beneden.

‘Daar zit een zilveren knopje, moet ik het tonen?’ De man aarzelt. Hij kijkt over zijn schouder naar zijn collega’s. Die zijn druk bezig met de volgende passagier.

‘Wat voor knopje meneer? Een piercing? Die zult u eruit moeten halen.’ De man doet een stap terug. Bjorn kijkt hem strak aan. Zijn beide handen houden zijn broek omhoog. Frederique staat met de laptop in haar handen te wachten. Achter haar lopen de eerste passagiers al de slurf in.

‘Nou ja, als je er op staat, dan doe ik dat even.’ Bjorn houdt met een hand zijn broek vast en de ander wil hij richting zijn boxer bewegen. Strak kijkt hij de man aan. Hij ziet dat een blosje verschijnt op zijn wangen.

‘Het is goed, ik geloof u. Maar haal het in het vliegtuig er even uit, op het toilet, anders heeft u bij aankomst opnieuw een probleem. En geloof, me daar is me minder soepel. Vergeet uw schoenen niet.’ Bjorn ritst zijn broek dicht, strikt zijn veters en trekt zijn das recht.

‘Ik zal er aan denken, bedankt.’ Hij loopt naar Frederique die hem vragend aankijkt. Hij pakt de riem van haar over en laat zich door haar helpen. Haar hand raakt kort zijn blote rug aan als ze zijn hemd in zijn broek stopt. Zachtjes kriebelt ze hem. Het kreuntje dat hem ontsnapt is alleen voor haar hoorbaar. De horde is genomen. De vlucht kan beginnen.

5

Eindelijk zitten ze. De riemen hebben ze vastgemaakt. Bjorn voelt Frederiques hand op de zijne liggen.

‘Wees gerust, we zijn zo de lucht in. Het is niet eng. Alleen goed kauwen en strak naar voren kijken. Ontspan, denk aan iets prettigs,’ fluistert ze.

‘Aan gisteravond? Zoiets bedoel je?’ grapt Bjorn. Ze zet haar nagel in zijn hand. Een lachje speelt om haar gestifte lippen.

‘Of aan straks als we geland zijn en in ons hotel zijn. Die bedden leken me fantastisch. Groot en king-size. De collega’s zouden eens moeten weten.’

De stewardess doet de vaste uitleg voor noodsituaties. Het wijzen en de overduidelijke gebaren maken Bjorn onrustig. Waarom zo’n uitgebreide instructie als vliegen zo veilig is, volgens de statistieken? In de trein gaat de conducteur toch ook niet uitleggen hoe je uit een brandend treinstel moet springen? Nee, zo veilig is een vliegtuig dus niet.

‘Weet je dat als je crasht je zo snel om het leven komt dat je niets eens tijd hebt om de film van je leven aan je voorbij te zien gaan?’ Frederique draait met haar ogen. Aan haar andere kant zit een oudere dame die moeite heeft haar riem vast te krijgen. De handen staan scheef van de reuma. Ze vraagt of ze kan helpen. De dame laat haar riem vastmaken en vertelt dat ze voor het eerst gaat vliegen. Ze wil nog meer vertellen maar dan versnelt het vliegtuig ineens. De aanloop is ingezet. Born voelt hoe de krachten op zijn lichaam inwerken. Zijn oksels staan vol zweet, zijn hemd is doorweekt. De knokkels van zijn handen worden wit. Hij duwt zich nog meer in de stoel naar achteren. Het vliegtuig raakt los van de grond, de cabine staat scheef. Bjorn kauwt hard op zijn kauwgom. Hij bijt op zijn wang. Zijn mond gaat open en hij schaamt zich bij voorbaat. Hij kan het niet voorkomen, het gebeurt buiten zijn wil. Hij voelt zich alsof hij gedwongen wordt in een achtbaan op de kermis te zitten nadat hij een r1oze mierzoete suikerspin heeft op moeten eten. Frederique zit naast hem, hij schaamt zich als het gebeurt. De oude dame naast haar kijkt verbaasd naar links. Ze geniet, zij wel.

6

‘Het is toch genant, ik schaam me diep.’

‘Joh, de helft zit hier onder de valium of heeft zich ingedronken, maak je niet druk.’ Frederique maakt haar riem los en fatsoeneert haar haar. ‘Al was je wel de enige die begon te gillen. En dat juist op het moment dat het vliegtuig weer recht kwam te hangen.’ Ze glimlacht. De dame naast haar heeft weer hulp nodig. De riem maakt Frederique los en ze wijst hoe de mevrouw de rugleuning wat kan verzetten.

‘Je had die stewardess moeten zien, die stond meteen naast je. Met zo’n kotszakje. En vervolgens toen je die niet hoefde, had ze die whisky klaar staan om je te verdoven.’

‘Smaakt anders heerlijk.’ Bjorn leegt zijn plastic glaasje. De whisky brandt in zijn keel. Hij wenkt de stewardess.

‘Wat kan ik voor u doen?’ vraagt ze met de vastgebeitelde glimlach? ‘Gaat het weer een beetje?’

‘Behoorlijk goed, zeker na zo’n heerlijke borrel,’ zegt Bjorn en hij houdt het glaasje op. De glimlach verdwijnt even. Ze kijkt om zich heen en zegt op gedempte toon dat hij maar even naar achteren moet lopen voor een stiekem scheutje.

‘Eén glaasje is maar toegestaan, meneer,’ zegt ze hard genoeg voor de omstanders en ze knipoogt naar Bjorn. Ze loopt weg naar een andere passagier om een kussentje te brengen. Ondertussen heeft Frederique een notitieblok gepakt. Ze klapt het open en tikt Bjorn op zijn arm. Verstrooid draait hij zich naar haar toe.

‘Even die stewardess vergeten, ik heb hier onze laatste instructies. Lees even.’ Met zijn gedachten bij de stewardess en de fles whisky, leest Bjorn de tekst die Frederique heeft genoteerd. Het regelmatige handschrift kan niet verbloemen dat de inhoud van de notitie onthutsend is.

7

‘Wanneer heb je dit gekregen?’ Bjorn tikt op de woorden die hem net ontzet hebben.

‘Zojuist, in de trein op weg naar Schiphol. De chef belde met de mededeling. Ik schrok me wild toen ik het tot mij liet doordringen.’ Frederique kijkt hem aan. ‘Wat moeten we ermee? Het past niet in het verhaal wat we tot nu toe hebben.’ Bjorn knikt. Het beviel hem eigenlijk niet deze wending. In New York zou het dossier gesloten kunnen worden maar zoals het nu er uit zag begon een nieuw hoofdstuk van hun onderzoek. Ze waren nu al drie maanden bezig. In zijn laptop had Bjorn het verhaal eigenlijk al uitgeschreven, maar de ontmoeting met hun contactpersoon in de Big Apple had het slotwoord moeten geven.

‘Dus als ik het goed begrijp, is onze man in New York niet echt te vertrouwen.’ Bjorn kijkt Frederique vragend aan.

‘Ik denk het juist wel. Waarom zouden we anders niet teruggefloten worden? Laten we maar gewoon doen alsof we het niet weten en onze vragen op hem afvuren. Dan kijken we wel of we iets merken ervan.’ Frederique krabbelt met een potloodje wat op het blad.

‘Ik kijk even of bij die stewardess, ze had nog wat voor me, geloof ik.’ Bjorn hees zichzelf omhoog en liep voorzichtig door het gangpad naar de pantry waar twee stewardessen de lunchkarretjes aan het vullen waren.

‘Hey, alles goed met jullie hier, zeg ik vroeg me af, of ik nog eentje kon krijgen.’ Het jonge meisje dat hem zojuist had geholpen wees op de Ballentines die op de trolley stond. Bjorn schonk over in een leeg Evian-flesje dat hij zag staan op de balie. Hij pakte de hand van de stewardess en drukte er zijn meest elegante handkus op. Het meisje verschoot van kleur. ‘Molte grazi,’ bromde hij op zijn meest broeierige toon. Ze keek diepblozend opzij. Uit de locker onder het aanrechtje, haalde ze haar tasje. Ze zocht en toonde haar mobieltje aan Bjorn. Eigen nummer las hij in het venstertje. De getalletjes sloeg hij razendsnel op in zijn geheugen.

8

Op zijn plaats naast Frederique, vist hij uit de binnenzak van zijn colbertje het notitieboekje dat hij op de luchthaven gekocht had. Het nummer noteert hij op de laatste pagina. Zijn glimlach lokt de aandacht van Frederique. Ze trekt haar wenkbrauw op. In plaats van te antwoorden, toont hij de Evianfles en schenkt het glaasje in. Hij houdt het voor haar neus.

‘Nee, ik wil even scherp blijven. Maar neem gerust, ik leid je straks wel.’ Bjorn zet het glas aan zijn lippen, drinkt en vult nog een keer het glas. Na de derde borrel duwt hij zijn rug in de leuning. Het vliegtuig beweegt hem iets te veel. Hij sluit zijn ogen. In zijn zak zit zijn iPod. De oortjes duwt hij in en laat zich wegvoeren door de muziek. Het geruis van de vliegtuigmotor verdwijnt. Met gesloten ogen ligt hij in zijn stoel. Hij merkt niet dat het flesje nog open in zijn hand zit. De whisky stroomt beetje bij beetje over zijn broek en das. Terwijl hij zijn kleding ruïneert valt hij in slaap.

‘Bjorn, wakker worden, je moet je riem omdoen. We gaan landen.’ Hij opent voorzichtig zijn ogen, voelt een stekende koppijn en ruikt een sterke dranklucht. In het netje op de achterkant van de stoel voor hem is het flesje geklemd. Het dopje is er nu opgedraaid. Hij rekt zich uit en begint dan zijn riem vast te maken. Net als de stewardess komt controleren, zet hij zijn stoelleuning in de hoogste stand.

‘Keurig meneer, lekker geslapen?’ Het meisje in het blauw heeft haar normale gezichtskleur weer terug. ‘Zal ik uw glas en flesje maar even meenemen?’

‘Dan kom ik die nog wel eens opdrinken bij je.’ Bjorn kan nog net op tijd zijn zwoele blik opzetten. Frederique merkt het en stoot hem aan. Hoorbaar voor iedereen en vooral voor de stewardess zegt ze: ‘Vergeet niet dat we nog moeten werken schat.’ De twee vrouwen wisselen een blik boven het hoofd van Bjorn.

9

‘Heb je dat ding nou verwijderd, we moeten zo meteen weer door die controle.’ Bjorn perst zijn lippen op elkaar. Hij schudt het hoofd, vergeten. Snel kijkt hij naar om zich heen. Er is nergens een toilet te zien. Hij had het in het vliegtuig willen doen, maar hij is het vergeten door de angstaanval en zijn whisky-tour. Stom dat hij het niet thuis had gedaan.

‘Ik heb een idee’, zegt Frederique als ze in uit de sleuf lopen die het vliegtuig en de ontvangsthal met elkaar verbindt, ‘ga daar in die hoek staan en doe wat ik je influister.’ Bjorn laat zich tegen de muur aanduwen en voor hij er erg in heeft begint Frederique hem heftig te kussen. Haar handen verdwijnen onder zijn jasje en hemd. Hij voelt hoe zij over zijn buik tast. Haar vingers naderen zijn slip. ‘Kus me, doe of je enorm opgewonden bent.’ Fluistert ze, hij gehoorzaamt. Net als hij zijn rol met verve speelt, ziet hij uit een ooghoek een groepje stewardessen komen. Hij ziet het meisje waarvan het nummer in zijn boekje staat en wil iets zeggen in de geest van ‘Dit is niet wat je denkt dat het is.’ Maar haar blik is zo dodelijk dat hij alleen kan kijken. Met haar hand maakt ze een snijdende beweging over haar keel. Vervolgens steekt ze een vinger in haar mond en kijkt dan recht vooruit. Juist op dat moment prikt Frederique de punt van de piercing in zijn navelbandje. Bjorn voelt de pijn en van die pijn klapt zijn mond dicht. De kreet die Frederique slaakt is in de hele hal te horen. De piercing met daarin het richtmicrofoontje laat ze van schrik vallen. Bjorn proeft bloed in zijn mond. De schreeuw en het bloed wekken de aandacht van de bewakers die overal rondlopen in de hal.

‘Everything allright ma’am,’ vraagt er een aan Frederique. Ze knikt terwijl ze met een zakdoekje het bloedspoor wegveegt dat van haar lip naar haar kin loopt, alles in orde. De bewaker loopt weg. Op de grond ziet Bjorn het mini-microfoontje liggen. Hij pakt het op en stopt het in zijn portemonnee. Daar tussen de muntjes zal het niet opvallen zo meteen in de röntgencontrole. Leg anders maar eens uit wat je met een piercing doet met een ingebouwd ontvangertje. Als hij zijn beurs opbergt in zijn binnenzak en zich omdraait kijkt hij recht in de ogen van de bewaker.

10

‘Ik heb even gecheckt of er medische hulp is, loop even mee, dan kunnen we uw vrouw helpen.’ De bewaker wijst naar het kantoortje van de veiligheidsdienst. ‘Het bloed als een rund, ik denk dat ze beter even een arts kan zien.’ Frederique kijkt dankbaar. Haar zakdoekje zit totaal onder het bloed. Op haar kin en wang heeft ze ook bloed zitten.

In het kantoortje wordt gebeld om medische ondersteuning. Frederique krijgt een stoel aangeboden. Met een nat doekje wordt ze geholpen aan haar wond. De arts die binnenkomt is een jonge vent. Hij bekijkt de lip, zoekt even in zijn tas en haalt ontsmettingsmateriaal en verband eruit. Hij hanteert een soort lijmpistool.

‘Hoe is dit ontstaan?’ Bjorn legt uit dat ze iets te onstuimig hebben staan zoenen. Dat hij in een wilde kus haar lip open heeft gebeten. ‘Ik was zo opgelucht dat ik de vlucht overleefd had, dat ik even niet goed oplette.’ De arts fronst.

‘Wel een forse beet, een liefdesbeet. Maar met deze hechtingslijm zie je er straks niets meer van.’ Nauwkeurig stift hij de lip dicht. Het bloed veegt hij van haar gezicht.

‘Zonde van uw das,’ zegt hij als Bjorn de hand schudt ter afscheid. ‘Bloed krijg je er zo moeilijk uit op zijde.’

‘Bedankt voor uw hulp.’ De man vult nog wat papieren in en verdwijnt dan door de deur.

‘Bjorn, wij moeten ons haasten, het is bijna tijd,’ Frederique voelt aan haar lip. Het bloeden is nu echt gestopt. Ze schudden hand van de vriendelijke bewakingsman, en lopen richting de deur om naar de controle te gaan. Achter het raam staat een man met een sportshirt aan. Bjorn en Frederique zien hem allebei tegelijk. Het is meteen duidelijk dat dit niet pluis is.

11

Frederique komt zonder moeite door de detectiepoort. Ze draait zich om en loopt door naar de draaiende kofferband. De meeste passagiers lopen al weg met hun ratellende koffers achter zich aan. Ze kijkt en vindt haar groene rolkoffer zonder veel moeite. De oranje band erom heen herken je van grote afstand. Bjorn komt ook zonder problemen door de controle, er gaan nu geen bellen en toeters af. Hij pakt de laatste koffer van de band.

‘Dat is dan weer handig om als laatste aan te komen, je hoeft niet te wachten op je koffer.’ Bjorn doet alsof hij rustig is. Ze lopen naar de douane die pas stempels wil afdrukken nadat hij vragen heeft gesteld. En onverschillig naar de antwoorden heeft geluisterd.

‘Wat zijn jullie van plan hier? Zaken of vakantie?’ De douanier kijkt naar zijn nagels.

‘Beide,’ antwoordt Bjorn, ‘beetje werken en dan genieten van jullie land.’

‘Wat voor werk?’ Nu is zijn horloge aan de beurt voor een inspectierondje.

‘Journalisten.’

‘Pers? Nou alsof die er nog niet genoeg zijn.’ De man achter het loket begint te stempelen. Met een verveeld handgebaar wijst hij dat ze door mogen lopen.

Elke stap brengt ze nu dichter bij de man die achter de glazen wand staat te wachten. Hij draagt duidelijk een sportief tenue. Het logo van de club was is goed zichtbaar. Zowel Frederique als Bjorn herinneren zich de merkwaardige passage in zijn mail van drie dagen geleden. Als hij een shirt zou dragen van de New York Knicks dan konden ze ongestoord doorlopen en met de contactpersoon mee reizen naar de stad. Toen de man door had dat zij hem en vooral het logo van de Metz goed hadden gezien, verdween hij. Zijn boodschap was overgekomen. Onveilig.

‘En nu?’ Bjorn en Frederique keken elkaar vragend aan.

‘Eerst maar wat eten?’ Ze knikten. Op hun gemak liepen ze naar een van de vele restaurantjes op het vliegveld. ‘Heb zin in wat, straks maar es bedenken hoe en wat.’ Frederique knikte.

12

Ze zitten aan een tafeltje en eten hun broodjes. Frederique smakt, valt Bjorn op. En ze neemt grote happen. Terwijl ze haar mond vol heeft, vraagt ze of Bjorn een idee heeft hoe ze nu verder moeten.

‘We moeten hoe dan ook met een verhaal thuis komen. De krant gaat niet onze reiskosten vergoeden als er geen uitstekend onderzoeksartikel geschreven wordt. We hebben alles op een rijtje, behalve het weerwoord van Ingwood.’

‘Ja, daarom zijn we hier. Wat weten we nou van die Ingwood.’ Frederique ging verder met het restje van Bjorns broodje dat hij half had opgegeten. Zijn maag was nog een beetje in de war na al die whisky.

‘Hans Ingwood is rond 1995 in Nederland terecht gekomen,’ antwoordt Bjorn, ‘Hij onderzocht en publiceerde over de familie Wolderveen, een van oorsprong boerenarbeidersfamilie die in de loop van de 19de eeuw fortuin wist te maken met agrarisch machinefabrieken. Door goed te investeren, en risico’s te nemen groeide hun bedrijf als kool. Een van de nazaten vestigt zich in New York en verbastert zijn naam tot Ingwood. Hij wordt stichter van de Ingwood-foundation. Doel is arme boerenkinderen een kans te bieden in de technische wetenschappen. Hans is weer een telg uit die familie.’

‘Goed, tot zo ver snap ik het,’ zegt Frederique, ‘hij gaat naar Nederland om historisch onderzoek te doen, ontdekt iets waardoor hij in gevaar komt. Wij krijgen er lucht van en zodra we hem benaderen vertrekt hij uit Nederland en trekt zich terug naar New York om ons vervolgens te vragen hem te volgen.’

Bjorn knikt. Hij stapelt de bordjes en de bekers op, veegt met een servet de kruimels van tafel en neemt een tandenstokertje uit het bakje.

‘En nu zijn we hier en laat hij op een aparte manier weten dat hij geen interesse heeft in ons.’

‘Ja, wel mooi voor het verhaal, het shirt van The New York Metz vertelde ons dat we voor niets gekomen waren

‘Hij droeg het shirt van de Knicks.’

‘Nee, echt niet.’

‘Dus we hebben ons vergist?’

‘Snel. Met een beetje geluk staat hij er nog.’ Bjorn gooide een stapeltje dollars op tafel en holde achter Frederique aan.

13

Frederique rent verbazingwekkend hard op haar hoge groene hakken. Haar koffer stuitert achter haar aan. Ze zoeft door de aankomsthal. Bjorn botst voortdurend tegen mensen aan die daardoor hun mobieltjes laten vallen of koffie morsen. De afstand tussen hem en Frederique wordt steeds groter. Het lijkt alsof ze de weg kent hier op JFK. Weer knalt Bjorn op een Amerikaan die verscholen gaat achter een enorme beker cola. De diklijvige man knoeit zijn cola over het shirt ­van Bjorn. Omstandig verontschuldigt de man zich. Hij probeert Bjorn zo ver te krijgen dat hij een drankje accepteert. Hoe hij ook duidelijk maakt dat hij verder moet, dat het niet erg is, hij raakt de man niet kwijt.

Frederique is hij wel uit het oog verloren. Eindelijk loopt hij weg bij de cola-man, maar heeft geen idee waar ze staat. Logisch zou zijn dat ze naar de uitgang is gelopen, maar iets zegt Bjorn dat het andersom is. In plaats van de uitgang loopt hij terug naar de ingang, daar waar de passagiers de terminal in komen uit het vliegtuig, de man in het sportshirt moet daar zijn blijven staan wachten op zijn Nederlandse gasten. Bjorn kijkt en ziet dan de koffer die Frederique achter haar aan trok. Zomaar midden in de hal, geen Frederique te zien. Naast de koffer ligt een groene hak, het is de hak van Frederique, onmiskenbaar. Bjorn begint te begrijpen waarom de man hem zolang vasthield bij de cola. Er was zo tijd genoeg om Frederique weg te voeren. Bjorn pakt de hak en bekijkt de bovenkant. Het valt hem meteen op dat het geen breuk is, eerder een snee met een mes, niet rafelig maar scherp. Hij stopt de hak in zijn zak, pakt Frederique haar koffer en loopt me de twee koffers achter zich aan naar de bagagekluisjes.

14

‘Heeft u toevallig een jonge vrouw gezien die ongemakkelijk liep, met een schoen waarvan de hak afgebroken was?’ informeert Bjorn bij een groepje wachtende reizigers . Niemand heeft wat gezien. Bjorn weet even niet wat hij moet doen. Hij ziet Frederique nergens, de man in het sportshirt laat zich niet meer zien. Hij haalt wat muntjes uit zijn broekzak en maakt zijn keuze uit een frisdrank automaat. Het flesje cola zet hij aan zijn lippen. De frisse drank doet hem goed. Maar het levert geen nieuw idee op.

Vertwijfeld draait hij zich om. Vaag hoort hij een omroeper. Hij verbeeldt het zich, maar zijn naam wordt omgeroepen. Of hij zich wil melden bij de algemene informatiedesk. Hij checkt de bordjes die aan het plafond hangen en ziet dat hij naar rechts moet. Opnieuw zigzagt hij tussen de reizigers door. Een kleine rij wachtende staan voor de info-balie te wachten. De dame achter de balie fluistert iets in het oor van haar collega. Die pakt een telefoon op en begint te knikken nadat ze kort haar mededeling heeft ingesproken. Bjorn voelt dat het over hem gaat. Hij stapt uit de rij en loopt naar de vrouw toe. Zijn vragende blik wordt opgemerkt. De dame pakt een gekopieerde foto, en houdt het blad voor zijn gezicht. ‘Kent u deze vrouw?’

Bjorn knikt als hij kijkt. Een man staat slapjes op de benen met een bebloed hoofd, terwijl een jonge vrouw op de rug gezien een karatetrap uitdeelt aan de man. Op de volgende foto die met een bewakingscamera is gemaakt, ligt de man op de grond en bewerkt de vrouw het gezicht van de man met haar schoen, het lijkt alsof de hak eraf is geraakt. Bjorn wist niet dat Frederique aan welke vechtsport dan ook gedaan had

15

‘We hebben haar moeten arresteren, wegens geweldpleging. Ze wordt zo dadelijk voorgeleid. De man is opgenomen in het ziekenhuis.’ Bjorn knikt. Frederique is een raadsel voor hem. Hoe kan zo’n elegant en sierlijke vrouw, hoogopgeleid en belezen ineens een vechtmachine worden? Waarom heeft ze dit nooit verteld? Ze zijn toch niet alleen kennissen maar toch ook vrienden?

‘U kunt haar op borgtocht meekrijgen.’ De agent die hem het formulier overhandigt legt uit hoe er betaald moet worden. Bjorn ziet het bedrag en begrijpt dat hij met de krant moet bellen.

‘Met Bjorn, we zijn geland, …. Nee niet alles is goed….Frederique zit vast….vechten….ja….geweld…ik moet een enorm bedrag ophoesten om haar vrij te krijgen.’ Bjorn legt de chef uit wat er is gebeurd. ‘Nee, snap ik, maar ik heb het ook niet….wat zeg je, de ambassade?’ Bjorn drukt zijn toestel boos uit. De hulp van de hoofdredacteur blijft uit. De enige tip die hij gaf was te wapperen met je perskaart.

Hij draait zich weer naar de agent achter de balie toe.

‘You again, wat nu weer?’ vraagt die bars.

‘Wij zijn journalisten, je kunt iemand van de pers niet zomaar vasthouden,’ begint Bjorn.

‘Yes we can,’ grijnst de agent. Zijn hand rust op het pistool in zijn holster. ‘Wij kunnen haar heel lang vasthouden.’

‘Ik maak er een internationale rel van,’ bluft Bjorn, ‘ik laat al mijn collega’s erover schrijven. De VS, land van de vrijheid, zet journalisten gevangen. Ik ga het nu rondtwitteren.’ Bjorn houdt zijn mobiel als een pistool voor de borst van politieman. Hij kijkt hoe Bjorn zijn vinger over de toetsen laat springen.

‘You do what?’

‘Vrijlaten of ik verzend het,’ eist Bjorn. Zijn vinger hangt boven de verzendknop. Heel kort wacht hij nog.

16

‘En toen? Wat deed hij toen?’ vraagt Frederique als ze eindelijk samen achterin een Newyorkse taxi zitten op weg naar Manhattan.

‘Ik dreigde het te tweeten, hij keek mij aan, met een enorme grijns op zijn gezicht. Toen begon hij zo hard te lachen, zo onbedaarlijk. En hij riep maar dat hij nou echt bang werd.’

‘Dus toen twitterde je het?’

‘Nee, ik had geen bereik.’ Bjorn lachte kort. Maar ik kreeg wel een sms’je van onze chef. Die had nog even in de verzekeringspolis geneusd en had ontdekt dat we via de verzekering wel konden afkaarten dat je vrij kon komen.’

‘Ja ik snap het. Ik ben blij dat we daar weg zijn. Wat een gedoe.’

‘Wat is er nou toch gebeurd?’

‘We liepen door die hal op zoek naar die man met dat shirt. Jij raakte achterop en ik zag hem ineens staan.’

‘En toen viel hij je aan?’

‘Nee, ik sprak hem aan, vroeg hem of hij op ons stond te wachten. Ik knikte en hij legde zijn vinger tegen zijn lippen. Zonder te spreken wilde hij mij een envelop geven. Toen ik probeerde die over te nemen, greep iemand mij van achteren vast en rukte de brief uit mijn hand. Er ontstond een gevecht waarbij ik hem met mijn schoen heb bewerkt en wat karatetrappen uitdeelde.’

‘Ik was verbaasd toen ik dat hoorde, zo’n net meisje als jij.’

‘Je moet je kunnen weren in het leven. Maar het ellendige hiervan is dat die brief is gescheurd tijdens het gevecht. Ik heb maar een stukje. Kijk, lees maar.’

Bjorn pakt het rafelige blad in zijn handen. Hij leest de tekst en stuit op het woord Ellis Island. ‘Dat is toch dat eilandje waar de immigranten moesten gekeurd worden?’ Frederique knikt.

‘Daar moeten we heen, denk ik,’ concludeert ze.

‘Er staat nog iets. Over Ingwood. Ik snap het niet helemaal, maar ik denk dat hij in gevaar is. Kijk dat stukje: ‘Benader mij alleen als je zeker weet dat het kan.’

‘Frederique, het wordt mij nu wat te schimmig, ik ben bang dat we gewoon moeten besluiten om onze missie als mislukt te beschouwen. Willen we echt ons leven op het spel zetten voor een stukkie in de krant?’

Haar blik sprak boekdelen. Net toen ze hem wilde antwoorden, stopte de taxi. Ongemerkt waren ze terecht gekomen in hartje Manthattan. Het hotel, het bed, het bad, alles stond klaar voor de twee journalisten die hun verhaal nog niet rond hadden.

‘Bjorn, voor ik uit stap wil ik weten van je: ga je door of stop je? Als je stopt, blijf ik zitten scheiden hier onze wegen.’ Frederique keek hem strak aan. Hij wilde antwoorden maar bedacht zich.

17

‘Natuurlijk gaan we door, dit verhaal moeten we schrijven. Maar de chaos van de afgelopen uren wil ik niet nog een keer meemaken.’ Bjorn ligt op het kingsizebed in de hotelkamer. Hij heeft aan beide kanten van zijn lijf een meter over. Aan het voeteneinde staat een enorm flatscreen. De airco zoemt, het blikje bier is op, Bjorn wil eigenlijk alleen nog maar slapen. Frederique houdt hem uit zijn slaap. Zij heeft duidelijk gemaakt dat ze door wil gaan en weet nu van Bjorn dat hij het ook wil.

Ze tikt op haar laptop. Het stuk moet een passage worden over Hans Ingwood en zijn terugkeer naar Nederland. Ze stopt met tikken om iets in haar notities te zoeken. Ze kijkt Bjorn aan en vraagt hem om zijn mening.

‘Wat denk je ging Hans voor zaken of liefde naar Nederland?’ Bjorn denkt even na. ‘Hij heeft gezocht in medische gegevens van zijn familie, dat weten we zeker, ik heb eerst gedacht dat hij materiaal zocht waarmee hij een claim kan leggen op het familiefortuin, iets met DNA dat niet matcht met de andere eigenaren, maar wel met hem.’

‘Dus geen liefde?’ vraagt Frederique. ‘Ik vermoed dat hij in Nederland kortstondig een relatie had met een vrouw en dat daaruit een kind is geboren. Als ik goed heb gerekend moet dat kind nu een jaar achttien zijn of worden. Wie weet is daarmee iets aan de hand, een erfenis of zo.’

‘En zo’n buitenechtelijk kind kan hem bedreigen? Nee, ik denk dat het niets met geld en familie te maken heeft. Mijn vermoeden is dat hij heeft ontdekt dat hij een ziekte met zich mee draagt. Wat moest hij anders in dat medische archief? Weet jij iets van zijn gezondheid?’

Frederique bladerde door haar map. Pagina’s vol kopieën van Ingwood gleden door haar vingers. Ze lag op haar buik op het bed naast hem. Haar schoenen had ze uitgetrapt en meteen bij binnenkomst had ze haar joggingbroek aangeschoten en een vaalgewassen t-shirt uit haar koffer geplukt. Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, echt iets medische, een ziekte of zo ben ik niet tegengekomen, behalve een tandartsbezoek.’

‘Weet je, eigenlijk interesseert die hele Hans me geen reet,’ Bjorn keek naar zijn collega op het kingsize bed naast hem.

‘Bjorn, je weet wat we hebben afgesproken, alsjeblieft zullen we ons daar houden?’ Frederique keek naar Bjorn, die blik, dat lachje, ze wist wat dat betekende.

18

Ze liggen na hun samenzijn in een diepe slaap. Frederique ligt op haar eigen bed, met Bjorn naast haar, zijn hoofd op haar borst. Halverwege de nacht wordt ze wakker, als Bjorn opstaat om naar het toilet te gaan. In de badkamer kijkt hij in de spiegel. ‘Lucky basterd, New York, Frederique en een goed verhaal,’ denkt hij. Hij knipoogt naar zijn spiegelbeeld. Hij wast zijn handen en legt zijn vochtige handen in zijn nek. Een beetje afkoeling. Hij opent de badkamerdeur en blijft staan. Hij ziet haar ziten, rechtop op het bed, met de rug naar de badkamer. Bjorn kijkt naar haar en vraagt zich af waar dit toe gaat leiden. Hij leunt tegen de deuropening en kucht. Frederique draait zich om.

‘Wat is er?’

‘Ik bedenk me net dat ik eigenlijk blij ben met je.’

‘Okay, omdat?’

Bjorn zwijgt en loopt op haar af. Hij pakt haar schouders vast, streelt haar haar. Hij trekt haar tegen zich aan.

‘Ik ben getrouwd, dat weet je.’ Ze weert hem af. Hij laat haar los en kijkt verbaasd. ‘Niet doen, het was fout om het te doen.’

‘Wat wil je zeggen, dat het je spijt?’

‘Ik wil niets zeggen, ook niets herinneren.’

‘Ik dacht dat je al die tijd naar mij hunkerde, is dat niet zo dan?’

Frederique gaat weer liggen en slaat het laken over zich heen. Ze sluit haar ogen. Bjorn twijfelt, hij wil bij haar zijn.

‘Ik neem het andere bed.’ Hij trekt haar laken recht en probeert een kus op haar voorhoofd te drukken, maar die belandt op het kussen. Hij haalt zijn schouders op en loopt naar zijn bed. Voor hij gaat liggen, kijkt hij nog even op zijn iPhone. Een bericht. Tot zijn grote verbazing ziet hij de afzender. Hans Ingwood meldt zich. Hij zit in de lobby, leest Bjorn. Frederique slaapt al. Hij besluit haar te laten liggen.

Micheal kiwanuka home again

19

De volgende ochtend zit Bjorn achter zijn laptop in de lobby. Hij tikt als een bezeten, maar houdt de ingang angstvallig in de gaten. Elk moment kan Frederique eraan komen. Voor ze er is wil hij het stuk verzenden. Het is zijn scoop. Hij gaat het brengen. Het zal inslaan als een bom. Samen kunnen ze de follow up maken. Maar hij laat zich geen primeur afsnoepen. Bovendien sliep Frederique toen Hans zich meldde. Had hij haar wakker moeten maken? Nadat ze hem had afgewezen? Nee, hij had de halve nacht met Ingwood gesproken, hij gaf volledige opening van zaken.

Hans Ingwood had uitgelegd hoe hij erachter gekomen was dat onder de vlag van het familiebedrijf niet alleen geïnvesteerd werd in agrarische technologie, maar dat er ook een divisie was opgericht die chemicaliën verkocht aan Derde Wereldlanden. Zogenaamd om kunstmest en verdelgingsmiddelen te maken, maar de grondstoffen kon ook voor biologische oorlogvoering worden gebruikt. Hans had ontdekt dat een van zijn oud-ooms bakken met geld verdiende aan deze illegale verkoop. Bovendien bleek uit zijn onderzoek dat in Nederland was geoefend met biologische aanslagen. In de kantine van een varkensslachterij was een gas gespoten via de airco. De slachtoffers waren opgenomen in een militair ziekenhuis. Op de een of andere manier was het beter dat het Nederlands publiek niets te weten kreeg over deze aanslagpoging. De overheid dekte het af. Maar waarom? Volgens Ingwood om te voorkomen dat er een angstige situatie kon ontstaan. Schrikbeelden van bio-aanslagen op treinen, schoolkantines of overdekte winkelcentra mochten niet gaan leven. Bjorn vroeg zich af of de familie van Hans er achter zat. Publiciteit was dodelijk voor de illegale handel. Hoe het ook zij, Hans had de medische gegevens opgevraagd en gekregen, en hieruit bleek dat er smerige middelen waren gebruikt. Vlak nadat hij dit ontdekt had, kreeg hij de eerste bedreigingen binnen. Het was het begin van een reeks bedreigingen en treiterijen. Tot gisteren toe.

Bjorn plaatst een kop boven het stuk ‘Nederlandse regering verzwijgt biologische aanslag’. Het stuk is kritisch naar de overheid. Bjorn opent zijn mailprogramma, voegt het stuk als bijlage bij een email richting de krant. Aan zijn chef schrijft hij: ‘Frederique haakt af, ik moet het alleen verder afmaken, niet meer dan logisch dat mijn naam er alleen bij staat, ga er van uit dat dit voldoende is, groet Bjorn.’ Hij verzendt het en merkt dan pas dat Frederique achter hem staat en meeleest.

20

‘Dus zo doe je dat, mooie collega ben jij,’ zegt Frederique en ze kijkt Bjorn boos aan. Haar ogen spuwen vuur. ‘Ik dacht dat we dit samen deden?’ Met samengeperste lippen en haar handen in de zij staat ze bij hem. Ontbijtgasten staren de twee journalisten aan.

‘Frederique, ik moest het nu versturen, de krant heeft een deadline, dat weet je.’ Bjorn tikte verder op zijn laptop. Hij had een antwoord gekregen van de hoofdredacteur. Die had gemaild of alleen Bjorns naam gemeld moest worden. Waar Frederique bij stond, schreef hij dat ze geweigerd had mee te werken en liever sliep dan ’s nachts een belangrijk interview deed. Instemmend knikte hij toen hij in een volgende mail las dat ze hiervoor op het matje geroepen zou worden.

‘Ai, ik lees net dat de chef niet blij is met je weigering. En je weet dat binnenkort de kortlopende contracten herzien worden.’ Zijn grijns was vals.

‘Doe je dit nou alleen om dat ik je niet in bed wilde hebben?’ Frederique hield hem vast aan zijn pols. ‘Is dat het, moet ik mezelf via het bed om hoog werken?’

‘Doe niet zo belachelijk, ik heb het stuk geschreven en jij sliep.’ Bjorn stond op en sloot zijn laptop af. ‘Ik heb zin in koffie, op naar de Starbucks.’

‘Bjorn, je kan niet zomaar weglopen, blijf hier.’ Bjorn stond al bij de uitgang van het hotel en keek nog een keer naar de woedende Frederique. Toen liep hij naar buiten. Achter hem hoorde hij Frederique luidkeels vloeken. Buiten overstemden de tirade van Frederique het stadslawaai van sirenes en motorgeraas. Heel vaag hoorde hij haar nog krijsen: ‘Fuck it.’

21

Frederique blijft in het hotel achter. Ze heeft geen behoefte aan Bjorn en in een koffie. Ze pakt haar spullen in. Ze wil geen moment langer bij Bjorn op de kamer zijn. Hij heeft zijn zooi overal liggen. Kleding, papieren, telefoon, schoenen en zijn jasje. Als Frederique haar spullen heeft op geruimd en klaar staat om de deur uit te gaan, pakt ze zijn telefoon en stopt die in haar tas. Uit zijn jasje vist ze de creditcard van de krant. Om hem nog meer tegen te werken haalt ze zijn veters uit zijn schoenen en zet ze onder de douche, met de kraan open. De kraan van het bad zet ze aan en mikt de inhoud van zijn koffer erin. Te laat ziet ze dat hij zijn camera en iPod tussen zijn kleren had gestopt. De overgebleven broodjes en het zakje chips dat half opgegeten naast de blikjes bier op zijn nachtkastje staat, strooit ze over zijn bed uit. De flatscreen krijgt met de afstandbediening een flinke klap, het scherm barst open met een lange scheur. De twee staande lampen met glazen kappen laat ze tegen elkaar aan vallen. Dan opent ze de deur, trekt haar koffer de gang in en loopt ze naar de lift.

Voor de receptie, twijfelt ze even. Ze besluit een bericht achter te laten voor hem. Op het briefpapier van het hotel dat ze krijgt als ze een envelopje vraagt schrijft ze maar een kort zinnetje, ‘Bjorn, je bent een asshole.’ De receptionist knikt vriendelijk als hij het briefje in het postvakje van de kamer legt. ‘Was alles naar wens, mevrouw?’ Ze knikt, heft haar hand en zegt dan: ‘Nou bijna alles, mijn partner heeft per ongeluk wat schade aangebracht aan de kamer. Hij regelt het wel, ik heb geen tijd, ik moet een vlucht halen.’

‘Goed dat u het meldt mevrouw, goede reis verder en hopelijk tot ziens,’ groet de portier.

Frederique loopt de deur uit, slaat rechts af en loopt de Avenue verder af. Eigenlijk weet ze niet waarheen ze moet gaan. Dan steekt ze haar hand omhoog, de tweede taxi stopt. De chauffeur helpt haar met het inladen van de koffer. Hij vraagt waarheen. Ze haalt haar schouders op.

‘Rij maar wat rond, ik bedenk wel wat.’ Hij start zijn wagen en begint aan de tocht door de stad met Frederique achterin.

22

Uiteindelijk laat Frederique zich uitzetten voor een hotel met uitzicht over Central Park. Het is zondag en de lanen door het park zijn gevuld met joggers en fietsers. Het park ziet er groen uit. De bijna monumentale stadsbomen met op de achtergrond de hoge woontorens, imponeren Frederique eventjes. ‘Straks maar even kijken in het park,’ denkt ze, ‘eerst inchecken.’ Ze voelt in haar jaszak waar het pasje van de creditcard van Bjorn zit. Als ze niet de code vragen is er niets aan de hand.

De lobby van het hotel ‘ParkView’ is luxer dan het tweesterrenhotel waar de krant hen in had gepland. Frederique regelt een kamer voor een onbeperkt aantal dagen. De portier verzorgt haar bagage en wacht beleefd bij de deur op een fooi. Frederique geeft gul wat biljetten, sluit de deur achter de protier en loopt de kamer in. Ze schuift een stoel voor het raam en kijkt opnieuw naar het park. Zou Bjorn al door hebben wat er is gebeurd in de andere hotelkamer? Hij zou vast woedend zijn. Het kan Frederique weinig schelen, had hij maar moeten samenwerken met haar. Het solo-artikel kon echt niet.

Ze overweegt haar kansen. Als ze niets doet is Bjorn haar de baas. Hij is de oudere collega met de meeste dienstjaren. Hem zullen ze altijd geloven. Zijn verhaal kost haar haar baan. Het enige dat ze kan bedenken om haar job te behouden is met een spetterend verhaal terug te komen. Ze pakt een schrijfblok uit haar tas en begint ideetjes te noteren. Welk verhaal zou ze kunnen bedenken? Ze staart over het papier vol doorhaling heen naar buiten. Aan de overkant van het park ziet ze een kleine bakstenen woontoren, geen wolkenkrabber maar een statig Europees aandoend gebouw met puntdakken. Ze herkent het van de foto’s uit haar reisgids. Het is het Dakotagebouw. In het vliegtuig las ze over het gebouw en de illustere geschiedenis ervan. De film ‘Rosemary’s Baby’ werd er opgenomen en John Lennon woonde er. Voor de ingang werd hij doodgeschoten. Laffe moord op Beatle, stond in haar reisgids. De weduwe Yoko Ono woont er nog altijd, oud maar nog vitaal. Althans, zo gaat het verhaal. Ono laat zich niet in de openbaarheid zien.

Frederique schrijft de naam van de weduwe op. Onderstreept de letters. Een glimlach verschijnt op haar gezicht. Op haar laptop zoekt ze op YouTube een video. John en Yoko lopen gearmd door het Central Park. De hotelkamer vult zich met de klanken van ‘Woman’. Uitroeptekens op het papier. Frederique weet het zeker. Yoko is de naam.

23

Frederique heeft haar besluit genomen, maar heeft geen idee hoe ze het moet aanpakken. Posten voor het Dakota heeft geen zin. Yoko laat zich nooit zien. Hoe kan ze de weduwe bereiken? Frederique is het park ingelopen en steekt het dwars door. Ze staat een tijdje te kijken bij de mannen van middelbare leeftijd die een potje baseball spelen. De knuppels klinken metalig als ze de toegeworpen ballen raken. Kleng, en de slagman rent naar het eerste honk. Hij is net op tijd binnen voor de bal gevangen wordt. Frederique staat achter het hek te kijken naar het spel dat ze eigenlijk alleen kent van haar middelbare school. In het echt lijkt het veel sneller. Ze herinnert zich alleen het lange wachten op een slagbeurt en de afgang als ze na drie gemiste kansen weer op de bank moest plaatsnemen. Naast haar staat een kleine vrouw in een trainingspak, Nike. Ze is op leeftijd en heeft haar lange haar in een staart. Bij elke rake bal roept ze enthousiast ‘Go, boy, bo! ‘ Haar ogen volgen de bal en als er een homerun geslagen wordt juicht ze met de mannen mee. Frederique pakt haar fototoestel en vraagt of ze wat opnames mag maken. ‘Sure, that’s allright,’ zegt de vrouw. De foto’s die Frederique op haar display ziet verschijnen bevallen haar wel. De vrouw knikt instemmend als Frederique haar laat meekijken. Uit het niets ontstaat het idee om het verhaal van de vrouw op te tekenen.

Na een half uurtje praten heeft ze genoeg informatie over deze ras Newyorkse. Geboren in de Bronx, highschool, junior-moeder, drie banen in de horeca en in een supermarkt, kind bij grootouders in de opvang, gewelddadige partner, met losse handjes. En toen als een wonder de baan die haar leven veranderde. In het park werd ze aangesproken door een moeder van twee kleine jongetjes. De knaapjes hadden hun bal in haar richting geslagen en kwamen het hautain en brallerig ophalen bij haar. ‘Hey you woman throw that ball’. Ze had ze lik op stuk gegeven. Of ze geen manieren hadden? De jongentjes waren diep onder de indruk. Hun moeder merkte het en haalde verhaal bij de vrouw. Toen ze begreep wat haar zonen voor taal hadden gebruikt, en hoe goed het was dat ze terechtgewezen waren, had ze de oppasbaan meteen aangeboden. Goed salaris, kost en inwoning, uitzicht op het Central Park.

Op een bankje schreef ze het portret uit. Ze zocht de beste foto erbij en wist dat dit een mooie start voor een serie kon worden. ‘Women in Central Park’.