Dodenakker in de storm

In de bulderende storm reed ik door Hoogkerk. Mijn auto wiegde in de wind. Ik stak het Hoendiep over, het water stond nog op een veilig peil. Van zandzakken was geen sprake. In de lucht denderden donkere dreigende donderwolken over. Er zat nog heel wat water en wind in de lucht. Ik was op weg naar nergens. Mijn gemoedsrust was door het stormweer verstoord. Daar ga je te hard van rijden.

Vlak voor de begraafplaats stopte ik om een geparkeerde auto te passeren. Ik keek naar de met bomen omzoomde dodenakker. In een impuls stapte ik uit en wandelde tussen de zerken door. De betreurden werden zorgvuldig herdacht. De oude graven waren hier en daar wat vervallen, maar bleven de overledenen binden aan het heden. De grafschriften stonden in zwarte vette letters uitgehouwen op de grafstenen. Wat zocht ik hier? Welke macabere drang bracht mij hier?

De gebroken takken ontwijkend liep ik tot het einde van de begraafplaats. Daar keek ik uit over de graslanden. Links van mij de contouren van de suikerfabriek. Rechtsachter mij de torens van de stad. Maar voor mij de ruimte van het platteland en de hoogte van de luchten. Ik voelde hoe hier mijn somberte weggeblazen werd. Ik zoog de frisse lucht in en liet mijn blik over de verre velden gaan. Boven mij vloog een groep ganzen in zuidelijke richting, hun gegak klonk hoopvol. Kondigen zij de lente aan?

Ik genoot van de plek. Het verdriet om het verlies achter me en de hoop en het vertrouwen voor me, raakte me. Ik vroeg me af hoe lang zal het duren eer ook deze plaats is opgeslokt door de buitenwijken van de stad? Wanneer omringt het leven voorgoed de dood? Neemt ook hier het leven de toekomst weg? Nog niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.