Parkvrouwtje

Vol aandacht strooide ze bladeren tussen de roze en witte bloemetjes. ‘Zo ziet niemand dat ik hier iets heb weggeschept,’ verklaarde ze haar werk. De spade stond naast de boom in de grond gestoken. In twee grijze vuilniszakken stonden de afgestoken polletjes boskruid. Ze keurde haar strooiwerk, knikte goedkeurend en pakte de zakken op. Ik hielp haar om de natuurlijke lading in haar fietstassen te stouwen. Het was zes uur op zondagochtend en de lente had er zin in. De zon begon al te schijnen en vogels namen hun ochtendrepertoire door. En verder was het stil in het park.

Ik maakte in alle vroegte een wandeling. De slaap was verdwenen en om de dufheid te verdrijven besloot ik naar buiten te gaan. Halverwege mijn rondje door het park, kwam ze mij voorbij. Met opengesperde ogen keek ze me aan. ‘Hé net als mijn vader, die liep ook altijd heel vroeg buiten door de natuur,’ riep ze in het voorbijgaan. Zei ze het omdat ze het eng vond, zo’n man in alle vroegte? Of had ze wat middelen geslikt waardoor ze aan haar remmingen voorbij ging? Of kletste ze gewoon graag met jan en alleman. Haar donkerpaarse suède laarsjes, vies geworden van de modder staken uit onder een vaal donkerroze joggingbroek. Onder haar linkeroog had ze een zilverblauw streepje getrokken. Het andere oog was onversierd. ‘Gisteren was het Pasen bij de Russisch-Orthodoxe kerk, maar ik durfde er niet naar toe te fietsen in het donker. Ik woon hier verderop in een tuinhuisje, koud hoor in de winter.’ Ik glimlachte en zeg dat het verstandig was om niet in de nacht door het park te fietsen. ‘Je he? Mensen gebruiken geweld hier of hebben seks, ik wil gewoon door het bos fietsen. Zo’n orthodoxe processie is zo mooi, heb je dat wel eens gezien?’ Ze steekt haar spade door een lus die om haar fietsframe is gebonden.

‘Waar woon jij?’ Ik wees vaag in de richting waar mijn huis moet staan. ‘O, ook in een tuinhuisje?’ Ik knikte en vertelde dat ik er net woon, en dat het nog een bouwval was. Om indruk te maken vertelde ik dat ik er vooral schrijf. ‘Wat schrijf je, gedichten?’ God bewaar me, geen poëzie. ‘Mijn dochter, die slaapt nog, is dan wel dyslectisch, maar ze schrijft prachtige gedichten. Heel gevoelig, mooi hè, ze doet het uit zichzelf.’ Ik zei dat het schitterend is hoe kinderen onbevangen kunnen opschrijven wat ze denken en voelen. Nog helemaal niet door de buitenwereld verpest. Enthousiast kniket ze.

‘Het is niet illegaal hoor, die plantjes,’ begon ze ineens over haar gestolen pootgoed. ‘In mijn tuin groeit het beter dan op deze moerasgrond. Ze moeten mij dankbaar zijn voor het overnemen van het kruid.’ Toch keek ze schichtig om haar heen of niemand haar ziet. Maar het bleef rustig, zeg maar uitgestorven. Binnenkort gaat haar dochter naar Australië, de taal leren op straat. ‘Dan ben ik alleen in mijn huisje. Eerst mis ik haar en daarna kan ik mezelf zijn. Lekker dansen door de kamer en keihard zing met de muziek mee.’ Ik lachte en wenste haar heel veel plezier. Haar uitnodiging om maar eens langs te komen om in haar houtgestookte sauna te genieten, wimpelde ik af. Ze fietste weg, met de spade slingerend aan het frame. Ik keek naar het kleine roze bloemetje in mijn hand dat ze me gegeven had. Als ik het kleine knolletje aan het steeltje de kans geef, krijg je van zelf een grote plant. Tussen mijn wijsvinger en duim vermorzelde ik het plantje in spé, het ging ongemerkt, vanzelf. Ik liep verder, mijn rondje door het park was bijna voltooid. Ik wou dat ik echt een tuinhuisje in het park had.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.