The Japanese Photo Shoot 4

In de hotelkamer kon ik via de tv volgen wat er gebeurde rondom de mogelijke moordzaak. Tot mijn grote verbijstering sierde mijn afbeelding het tv-scherm. Ik hoorde de reporter vertellen dat ‘een vierveertigjarige Nederlandse man, die beweert als toerist hier te zijn, het bewijsmateriaal in de Japanse samouraisuicide, mogelijk bewust heeft vernietigd.’ Ik lachte smalend. Maar de lach verdween toen de journalist uitleg gaf aan wat mij boven het hoofd hing. ‘Het bewust achterhouden of vernietigen van bewijsmateriaal is een ernstig vergrijp en kan leiden tot straffen van minimaal vijf jaar.’ De reporter wist ten slotte nog te melden dat uitzetting tot de mogelijkheden behoorde.

Dit avontuur begon een ingewikkeld drama te worden. Ik gleed steeds verder weg in de problemen. Wat begonnen was als gewoon een goede daad verrichten dreigde uit te lopen op een jarenlange gevangenisstraf. Ik moest actie ondernemen. Ineens wist ik het. De taxichauffeur had mij een bonnetje gegeven. Ik moest het ergens hebben. Ongetwijfeld stond zijn nummer of een adres erop. Ik zocht koortsachtig in mijn zakken. Ergens moest het toch zitten? Als ik het papiertje had kon de camera zo gevonden worden. Tussen de dollarbiljetten, die ik in een rolletje in mijn jaszak had gepropt, vond ik het bonnetje. Nu alleen nog even bellen en ik had die camera terug. Ik noteerde voor de zekerheid het nummer van de taxi op een apart papier

Net toen ik wilde bellen klopte iemand op de deur. Het was de hotelmanager. Hij kwam overleggen over de situatie. Het hotel werd momenteel plat gebeld door media en ook voor de deur stond een rij mediawagens. Ik keek uit het raam en zag in de diepte een fors aantal busjes met schotelantennes. Ik begreep wat het probleem van de manager was. Opnieuw een klop op de deur. De agent die op wacht zat liet een man in een blauw kostuum binnen. Hij had zo’n Amerikaans vlaggetje op zijn revers. Hij stelde zich voor als inspecteur Gomsay. Hij vertelde me dat hij de taxichauffeur had getraceerd en dat de camera gevonden was. Ik vroeg verbaasd hoe ze wisten wie mij vervoerd had. ‘We volgen je al sinds je op Times Square met die camera aan het zeulen bent. Nog voor de taxi het blok uit was, hadden we die camera er al uit gehaald. We hebben de beelden geanalyseerd en nemen het apparaat officieel in beslag.’ Ik vroeg waarom ik gevolgd werd, ik had toch niets misdaan? Ik had alleen gezocht naar een manier om een gevonden voorwerp af te geven. ‘Je hebt toch gehoord wat de agent in de auto tegen je zei: bel 911. En dat deed je niet, hij heeft meteen doorgegeven dat je verdacht rond liep met mogelijke explosieven, vanaf dat moment werd je in de gaten gehouden. Toen je ook nog eens met een oude bekende van de politie ging rondscharrelen wisten we genoeg. Gelukkig was je slim genoeg om hem kwijt te raken.’ Van verbijstering moest ik erg hard lachen om de overdreven acties. ‘Waarom maken jullie zo’n probleem van iets kleins.’

‘Wij willen alles uitsluiten, je kent ons trauma, van die vliegtuigen, sinds die dag letten we op elke mafkees die onze stad wil aanvallen. Maar ik geloof dat jij een beetje buiten de doelgroep valt. We hebben je records nagetrokken en het is okee. Namens het NYPD moet ik excuses maken. We hebben u iets te snel vastgezet op uw kamer. Ook hadden we niet meteen de pers mogen inlichten over uw identiteit.’

‘Nou ja, foutje, kan gebeuren, geen probleem, ben al lang blij dat ik weer naar buiten kan.’

‘Daar ben ik niet zo zeker van, mijnheer, uw foto, naam, uw hele geschiedenis is op alle kanalen te zien geweest.’ De hotelmanager die nog steeds aanwezig was knikte. Hij had het gezien en niet een keer maar honderden. ‘It’s huge, sir.’

‘U kunt voorlopig niet meer over straat meneer. Vannacht laat ik een geblindeerde wagen komen om u te vervoeren naar het vliegveld, we brengen u het land uit.’

‘U maakt een grapje, ik blijf hoor, ik heb jaren uitgekeken naar dit reisje. En hoe zit dat met die Japanse hebben jullie die al? Ik hoor jullie daar niet over.’

Gomsay snoof, hij leek niet genegen open kaart te spelen, hij zuchtte diep en antwoordde: ‘Het bleek een staaltje Dead Action Painting te zijn. Een soort flash mob achtige actie. Je gaat naar een museum pleegt zo genaamd een moord met een voorwerp uit het museum, je maakt foto’s van het slachtoffer, plaatst die op het internet en de grap is gemaakt. Er blijken foto’s te bestaan van doden die met een mammoetbot bewerkt zijn. Of met een speer in een antropologisch museum, er is er een met een guillotine in een museum over de Franse Revolutie. Ik bespaar u wat zieke geesten in herdenkingscentra in voormalige concentratiekampen bedacht hadden.’

‘Maar het bloed, het leek zo echt, en dat lijk?’

‘Alles is na te maken meneer. Zorgt u ervoor dat u klaar staat om drie uur vannacht, dan laat ik u nu alleen, tot vannacht.’

The Japanese Photo Shoot 3

Achter mij hoorde ik voetstappen. Een geüniformeerde man, met wapenstok en pistool in de holster, stond achter mij. ‘Sir, you’re making too much noise,’ bromde hij mij toe. Of ik wilde stoppen met mijn apparatuur. Ik stopte de camera in mijn tas. Een zwaard? Op internet zocht ik een afbeelding van een Japans zwaard. Ik kwam op een site van Samoerais terecht. De Japanse edele vechters, die hun levensstijl tot kunst hadden verheven, leken zo uit de middeleeuwen weggewandeld te zijn. Hun maskers, borstweringen, ze leken op een keeper uit een hockeyteam. Alleen de stick ontbrak, al kon je met een zwaard vast ook wel een stevig zwiep tegen een balletje geven. Ik vergeleek in mijn hoofd de foto van het zwaard en de afbeelding op het scherm. Het moest wel kloppen. Was het nou bizar, om met een zwaard rond te lopen op je toestel? Ik herinnerde me dat in het Metropolitan Museum waar ik eerder die week geweest was, een grote afdeling Japanse kunst had gezien. Ook de uitdossingen van de samoerai had ik gezien. Inclusief zwaarden. In het museum lag de hele wereldkunstgeschiedenis verzameld. Alle tijden en kunststromingen toonde het museum. Zaal na zaal, een oceaan van kunst. Ik had er wat kribbig rondgelopen. Amerikanen hadden met hun vette dollars de hele wereldkunst opgekocht. Europeanen moesten naar New York komen om de kunst van het oude continent te kunnen bekijken. Ook Aziaten en Afrikanen moeste hun kunst achterna reizen. Ter plekke stond men met fototoestellen hun eigen kunstschatten vast te leggen. Zelf had ik me toegelegd op het fotograferen van de Van Goghs en de Mondriaans die er in bosjes hingen. De Japanse had ongetwijfeld ook een bezoek gebracht aan de collectie in het Metro.

Op de site van het Metro zocht ik afbeeldingen van een samoerai. In de collectie vond ik er meerdere. Het zou dus kunnen dat de foto daar gemaakt was. Ik spiedde de leeszaal rond. De bewaker was nu verdwenen. Voorzichtig opende ik mijn tas en pakte de camera. Op mijn schoot, half onder tafel verborgen opende ik het apparaat opnieuw. Tot mijn verbazing kreeg ik in een keer toegang tot de bestanden. Nu kon ik gaan kijken. De foto van het samoerai-zwaard verscheen als eerste. Het zwaard hing aan een witte muur. Nu zag ik naast het zwaard een figuur staan. Een Japanse toerist. Een man. Net natuurlijk zwart haar en een beetje bol gezicht. Hij glimlachte. Zijn ogen straalden. Zijn t-shirt was zwart en dwars over zijn borst liep een band waar een tas aan vast moest zitten. Zijn onderlijfstond er niet op. Het shirt verhulde een beginnend buikje. Met zijn rechthand maakte hij een gebaar: zijn vuist gebald, met de pink omhoog. Was het zijn middelvinger geweest dan had ik het gesnapt. Maar een pink?

Ik googlede op handgebaren. Geen resultaat. Wat kon een pink betekenen? In maffia-films werd wel eens een pink afgesneden, maar of dat bedoeld werd? Nee, het moest iets anders betekenen. Een raadsel. Juist toen ik de volgende opname wilde bekijken klonk een diepe stem naast me: ‘Please sir, I asked you put the camera away.’ De bewaker was uit het niets opgedoken. Zijn hand wees naar de camera. Als een schoolmeester bitste hij me toe dat ik weg moest gaan. Onaantastbaar stond hij naast me. Ik moest vertrekken. Snel pakte ik mijn spullen, griste mijn tas onder tafel weg. Op het moment dat ik de pc wilde afsluiten, zag ik dat er een reactie was op de verloren-camera-site. In gebrekkig Engels stond er een boodschap.

‘Lost camera in NYC, please bring back to me, Hushido’

Ik twijfelde, moest ik nu achter die bewaker aan of zou ik reageren op Hushido? Met enige moeite vond ik de optie om te reageren op een bericht.

‘Dear Hushido, I’ve found your camera on Times Square, please call my hotel .’ het leek mij handig om niet mijn eigen mobiele nummer te geven. Uit mijn broekzak haalde ik het visitekaartje van het hotel. Ik tikte het nummer in en sloot af. Mijn tas pakte ik van de grond en verliet de leeszaal onder begeleiding van de bewaker.

Buiten ging ik zitten op de grote trap die naar de ingang van de bibliotheek leidde. De zon scheen uitbundig en overal om me heen zaten mensen te genieten van de zon. De camera brandde in mijn handen. Ik wilde nu zien wat er op stond. De man met de pink stond ook op de volgende opname. Nu had hij het zwaard in handen. Het leek me niet mogelijk in een museum een zwaard op te pakken. De reeks foto’s die ik nu onder ogen kreeg deden mij huiveren. Hij hield het zwaard voor zijn buik, met de punt boven zijn navel. Mijn vinger drukte steeds sneller op de play-toets. Als een film gingen de beelden over het scherm. Ik kon niet geloven wat ik zag. De punt van het zwaard zakte steeds verder in de buik van de man. Op de veertigste foto droop er bloed uit zijn borst. De fotograaf had steeds meer ingezoomd. Duidelijk was te zien hoe het zwaard de man doorkliefde, sterker nog hoe de man het zwaard steeds dieper in zijn lichaam duwde. Uiteindelijk lag de man op de grond met het zwaard dat als een schop in de aarde in zijn lijf stond. Om de man heen een plas bloed. Ik had de beelden van een zelfmoord gezien.

Hoe kon dit door zo’n keurige Japanse vrouw zijn vastgelegd. Ze leek een doodgewone toerist. Een duizend in het dozijn type, dat je overal kon tegenkomen. Waarom had ze dit gefotografeerd? Welke macabere geheimen droeg ze mee? Moest ik dit niet melden bij de autoriteiten? Ik keek nog eens goed naar de ruimte waar het gebeurd was. Een witte muur, een parketvloer met visgraat motief, op de muur een bordje met zwarte letter met een klein logootje. In alles leek het op een museum. Ik herinnerde me dat de drukte in het Metropolitan die ik had meegemaakt in de zalen met de topstukken uit het Impressionisme niet voorkwamen bij de Aziatische kunst. Het was daar uitgestorven, geen mens ging die zalen binnen. In alle rust een zwaard in je pens steken kon makkelijk. Maar alles leek toch bewaakt in die zalen? Waarom reageerde men niet toen het alarm afging? Opnieuw bekeek ik de foto. Ik scrollde terug. Op het t-shirt zag ik nu het zelfde logo als ik net op de wand had gezien. De man hoorde misschien wel bij het museum. Hij had natuurlijk het alarm afgezet. Was het echt of in scene gezet? Dat was de vraag.

Geschrokken door wat ik had gezien sloot ik de camera af. Ik had weinig zin om de Japanse te ontmoeten in het hotel. Helaas had ik het nummer doorgegeven, er zou gebeld worden. Ik liep langs de grote drukke avenues op zoek naar een taxi. Met mijn hand in de lucht lukte hem me er een te stoppen. Ik gaf het adres van het hotel en zakte in de zachte achterbank weg. Het tv-schermpje bracht het laatste nieuws. Ik staarde naar de opgewonden pratende nieuwspresentator. Moord in het museum rolde er onderin beeld op het lijstje met highlights. De beelden herkende ik direct. Het zwaard,het bloed, het shirt en de witte wand. Ik voelde in mijn tas naar de camera. Ik wist dat het laf was, maar ik ging het doen. De cab-driver had meer oog voor zijn mobiel dan voor het verkeer, laat staan dat hij mij in de gaten hield. Langzaam opende ik de rugzak. Ik haalde de camera eruit en plaatste hem naast mijn voeten op de grond. Met mijn rechtervoet schoof ik het apparaat onder de stoel van de chauffeur. Ik zag de vlaggen van mijn hotel. De wagen hield stil. Snel pakte ik een biljet van twintig dollar uit mijn portemonnee en betaalde. Ik stapte uit. Nog voor ik kon zeggen ‘Keep the change’ had de man het briefje in zijn binnenzak gepropt en reed hij al verder.

Ik haalde diep adem. De camera reed weg. Hopelijk voor altijd. In de lobby van het hotel liep ik naar de receptie. ‘Any messages, room 9809?’ vroeg ik bedremmeld. De dame overhandigde me een briefje. Een telefoonnummer. Een naam. Hushido. Een tijdstip. Over een uur. Een plaats. Metropolitan. Aziatische afdeling.

Op mijn kamer nam ik eerst een douche. Ik voelde me nerveus. Was ik nou betrokken geraakt bij een moord? Of had ik verzuimd de autoriteiten op de hoogte te stellen van een zelfmoord? Had ik mij schuldig gemaakt aan een diefstal? Het liefst kwam ik niet meer onder de douche vandaag. Het briefje met de boodschap van Hishido had ik in de rand van de spiegel gestoken. Was moest ik er mee? Ik was bang, maar ook nieuwsgierig. Ik was eigenlijk benieuwd naar de nieuwsuitzending die ik in de taxi had gezien. Op het king-size bed plofte ik neer en zapte langs de kanalen. Op de Newyorkse nieuwszender 24h.NEWS kwam ik midden in een reportage over Samoerai-killing terecht. Vanochtend was daar in een plas bloed een 24-jarige man van Japanse afkomst gevonden met een samoerai-zwaard gestoken in zijn buik. Het zwaard, wat ik al vermoedde, was uit de collectie van het Metropolitan afkomstig. Het was een topstuk. Oorspronkelijk eigendom van de Takagiwa clan, sinds 1870 in Amerika, meegenomen door een van de eerste Amerikaanse diplomaten die in Japan mocht rondreizen en via een schenking in het bezit van het museum gekomen was. Het zwaard hing in een beveiligde ruimte in het museum, maar het alarm was uitgeschakeld. Het slachtoffer was een bewaker van het museum. De reporter had een opname mogen maken in de Harakiri-room zoals de zaal nu al gedoopt was. De keurige gekapte dame, met een toepasselijke rood jurkje aan deed haar verslag recht in de camera. Ze sloot af met een veel betekende blik in de camera en vertrouwde de kijkers toe: ‘Untill now, no one has seen what has happened here, the police is looking for eyewitnesses, propably this suicide is a murder. We’ll keep you informed, this Laura Kuchinsky, for 24h.NEWS, back to you Becky.’ En de studio-dame nam het over. Ik wist genoeg.

Mijn twijfel had maar kort geduurd. Ik baalde ervan dat ik de camera had weggestopt in de taxi. Met nog drie kwartier op de klok, besloot ik te gaan. Met de metro kon ik in een half uurtje in het museum zijn. Ik wilde het nu ook allemaal meemaken. De lift zoefde omlaag en in de lobby moest ik mij een weg banen door de drukte heen. Nieuwe gasten checkten in. Tussen de koffers en de liftboys door, slalomde ik naar de deur. Achter de balie stond een groot tv-scherm aan. Even keek ik naar de beelden. Een en al Samoerai wat ik zag. Het hele museum leek vergeven te zijn van politiemannen. Voor de ingang stonden politiewagen met flikkerende zwaailichten. Het blauw en rood maakten een nerveuze indruk. Ik begreep dat het zinloos was te denken dat ik zo maar het museum in kon lopen. Het hele gebouw werd minutieus afgezocht op aanwijzingen.

En het klopte. Al twee blokken voor de entree, stonden de agenten het verkeer om te leiden en wandelaars tegen te houden. Ik slikte en liep naar de politieman die er het minst onaardig uit zag. Hij reageerde alert, hield mij tegen en vroeg me wat ik kwam doen. Hij tuitte zijn lippen en floot zachtjes toen ik zei dat ik aanwijzingen had voor de moord. Hij keek mij ringschattend aan. Onverstaanbaar murmelde hij iets in de mobilofoon, die op zijn schouder vastgegespt was. ‘Stay overthere,’ commandeerde hij, en wees met een korte handbeweging naar zijn patrouillewagen. Ik knikte en deed wat hij zei.

Een uurtje later stond ik weer buiten. Ik was intensief verhoord, door verschillende politiemensen. De conclusie was dat ik pas geloofd werd als ik de camera kon laten zien. Dat ik die in de taxi had achtergelaten klonk niet overtuigend. Schamper had mijn verhoorder gelachen toen ik hem uitlegde waarom ik de camera onder de stoel van de chauffeur had verstopt. ‘You did what? Why?’ vroeg de man mij. Nogmaals legde ik uit dat ik uit angst betrokken te raken bij een moordzaak het apparaat had weggestopt. ‘Maar waarom kom je dan uit eigen beweging hier naar toe? Dat is toch vreemd?’ stelde de agent. ‘Wierd’, dat is het woord dat hij gebruikte. Het maakte me verdacht. Gelukkig kreeg mijn verhaal wat fundament doordat Hushido kon worden teruggevonden. Althans haar mobiele nummer. Natuurlijk dook Hushido niet op. Haar bericht op de verloren camera site kon worden vastgesteld dat zij met een iPhone had gereageerd op mijn oproep. Het nummer was makkelijk te traceren. Naar het hotel had ze gebeld met een telefoon uit een ander hotel. De politieman liet mij instappen in zijn wagen om mij af te leveren bij het hotel. Daar moest ik op afroep blijven tot er duidelijkheid was gekomen over mijn verhaal. Voor mijn kamer werd een agent op wacht gezet.

The Japanese Photo Shoot 2

Nadat ik betaald had, liep Hugh met de camera om zijn hals naar buiten. Ik volgde. Ik was te verbaasd over hem om hen mijn camera terug te vragen. Nou ja, mijn camera? ‘Waar gaan we naar toe?’ vroeg ik hem. Hugh wees naar de overkant. Het kleine parkje, een groene oase in de wereldstad, werd omzoomd met een bruin geverfd hekwerk. Het gazon stond vol metalen klapstoeltjes. Bijna alle plekjes waren bezet. In de hoek stond een bankje dat nog vrij was. Hugh ging erop zitten en ik nam naast hem plaats. ‘Kijk,’ zei hij, ‘in het Engels, ik kan nu zo doorscrollen.’ Met zijn dikke vingers kon hij verrassend snel navigeren. ‘Hier staan je foto’s.’ Hij bewoog zijn vinger naar het groene knopje om de afbeeldingen op te roepen. ‘ Wacht,’ riep ik, ‘ik weet niet of ik ze wel kan laten zien.’ Hugh keek me verbaasd aan. Ik wist toch wel wat ik gefotografeerd had? Ik schudde mijn hoofd en legde uit hoe ik aan het apparaat gekomen was. ‘Tricky, man, als je het opent dan breek je volgens de Amerikaanse wet, eigenlijk in.’ Hij legde de camera op mijn schoot en veegde met zijn mouw alle sporen van zijn vingers eraf. ‘Ik heb er niet aangezeten, voor je het weet krijg ik de schuld.’ Het leek alsof hij dacht dat ik het toestel gestolen had en hij optrad als een heler. ‘Regel het maar verder, ik bemoei me er niet meer mee.’ Hij keek schielijk om zich heen. ‘Je had het moeten laten, nu zit je er mee.’ Ik twijfelde. Niemand wist dat ik het meegenomen had. Welk risico liep ik? Ik kon toch altijd nog zeggen dat ik geprobeerd had een afbeelding te bekijken om de eigenaar terug te vinden? Dat leek me sowieso een goed idee. Het moest toch mogelijk zijn om op het net een foto te zetten die de Japanse zou kunnen herkennen als de hare? Geen gek idee.

‘Ken je hier ergens in de buurt een internetcafé? Waar ik kan surfen?’ Hugh legde uit dat we vlak bij de openbare bibliotheek waren. Daar stonden genoeg pc’s, gratis en voor niets te gebruiken. Hij beloofde me er naar toe te brengen. Maar daarna zou hij weggaan. Hij werd onrustig.

Hugh had gelijk. In de bibliotheek kon ik makkelijk achter een pc kruipen. Ik tikte wat in de zoekmachine en kreeg na wat speuren een site te pakken. ‘Needle in a haystock’ heette de site. Je kon een opvallende foto uit het geheugen van de gevonden camera plaatsen op de site. Op allerlei manieren kon de eigenaar zoeken. Hij moest invullen waar hij de camera had verloren. Welk type fototoestel. Welke kleur, bijzonderheden als krasjes of deukjes moest je melden. Kortom een match kon gemaakt worden. Een opvallende foto werd als bewijs achtergehouden. Als die beschrijving klopte kon de eigenaar zijn toestel terugkrijgen. Ik vulde de gegevens in. Op het eind van de invulpagina moest ik enkele foto’s uploaden. Het geheugenkaartje peuterde ik uit het toestel. De pc had een slotje waarin het kaartje paste. Nu zou het gebeuren.

Ik hoorde de computer ratelen. Het schijfje werd gelezen. In beeld verscheen de melding dat het bestand DICM geopend kon worden. Met de muis bewoog ik de cursor naar het ok-knopje. Na de klik bleef het even stil, het scherm bleef onveranderd. Ik keek met ingehouden adem naar een zandlopertje dat oppopte. Talloze malen draaide het klokje zich om en om. Er liep iets vast. Een foutmelding deed dit vermoeden bevestigen. Ik probeerde het opnieuw. Maar tevergeefs. Binnen de site zat ook een modus om zonder foto’s up te loaden, toch een melding van het gevonden toestel te doen. Ik handelde dat af en richtte me weer op het niet te openen geheugenkaartje.

Ik zuchtte. Om mij heen zaten mensen rustig te lezen of te schrijven. De stilte werd alleen onderbroken door een schuivende stoel en het getik op de toetsen van de computers. Het schijfje stopte ik weer in de camera. Automatisch opende het apparaat de geheugenkaart. In het venstertje verscheen de vraag of ik een filmstrook opname wilde instellen. Al wist ik niet wat het voorstelde, ik bevestigde het. In beeld verscheen een soort flitsfilmpje. Heel snel werden alle foto’s kort getoond, het ging zo snel dat ik niet alles kon volgen. De beelden duikelden over elkaar heen. Lukraak drukte ik op een rood knopje. Geen effect. Ik legde de camera weg. De filmstrip begon opnieuw. Het was niet meer te stuiten. Ik knipperde heel snel met mijn ogen in de hoop een beeldje precies op het moment te kunnen betrappen. Het lukte bijna. Ik concentreerde me, sloot me geheel af van mijn omgeving. Ik zag iets langwerpig, het leek een zwaard, een lang licht gebogen zwaard. Opnieuw drukte ik op de rode knop, tegelijk met de groene. Het schermpje sprong op zwart. RESET. Piepend en ratelend schakelde het toestel zich in.

The Japanese Photo Shoot


De camera lag op de tree onder mij. De dame van Aziatische afkomst, liep rommelend in haar handtas, weg de zittribune af en voegde zich bij haar reisgezelschap dat het moordende tempo van hun sightseeing weer oppakte. Ik zag het meteen dat ze het fototoestel vergat. Of nee, ik aarzelde. Het apparaat kon ook van de oudere Amerikaanse vrouw zijn die schuin voor hem zat. Ik boog voor over en tikte de dame op haar schouder. Even zocht ik naar woorden. ‘Excuse me,’ begon ik mijn zin, ‘is this your’s?’ Ik wees naar de camera die nog steeds voor mijn voeten lag. De vrouw bracht haar hand naar borst en voelde haar toestel hangen. Nee, zij had haar camera nog altijd. Het moet vast van die Chinese vrouw zijn die hier net zat. Ik knikte en zei dat ik haar niet meer zag. Ik tuurde in het rond. Vaag herinnerde ik me dat ze een spijkerbroek droeg, sportschoenen en een grijs jasje. Niet echt opvallend. Ik durfde nu de camera van dichtbij te bekijken. Een Sony, witte uitvoering, rode draagband. Beetje beschadigd en aardig licht. Een bescheiden zoomlensje. Geen luxe, maar ook geen wegwerpcamera.

NYC: veiligheid en beschaving

Amerikaanse veiligheidsmensen kunnen niet normaal communiceren. Op het vliegveld regeert het handje. Bij de controle van de bagage moet je natuurlijk wachten. Honderden mensen komen aan de check-mensen voorbij. Hoe veel moeite het deze controleurs van de veiligheid om hun afgestompte werk draaglijk te maken, is af te lezen aan de manier waarop zij hun instructies geven. Zoals een buschauffeur je geroutineerd voorrang kan geven door met zijn hand te wapperen, zo dirigeert de controleur de zenuwachtige toerist naar de scan. Doorlopen, zo wappert de waarschijnlijk laagopgeleide doorverwijzer ons toe. Af en toe laat hij zijn gebaar begeleid gaan met een kreet, Move. Niets welopgevoedheid, geen beschaving, nergens iets van vriendelijkheid, het is lachwekkend grimmig. Het is een act, voor drop outs die voor even de macht mogen hebben over hun medemens. Ach ik kan er wel tegen. Ik doe wat me gezegd word, scheld inwendig dat stelletje terroristen uit die voor deze gekte gezorgd hebben.

Ook bij musea hetzelfde gedoe, controles en onaardigheid. Iedereen lijkt bij voorbaat verdacht. Ik ook. Terwijl ik niemand iets kwaads toe wens, behalve die controleurs die niet snappen, of nooit uitgelegd hebben gekregen dat hun houding, dat arrogante handgebaar samen met het niet aankijken en niets zeggen, kortom noncommunicerend, zal leiden tot een aanslag van beschaafde mensen. Er moet een dag komen dat er gestreden wordt tegen zoveel onbeschaafdheid, als het met tegenzin doet, doe het dan niet, leer een echt vak.

Maar dat het ook vriendelijk kan leren ze bij de winkel van Apple. Vriendelijk, geduldig, contact zoekend, op het risico af dat het onecht is, wat het ook is natuurlijk, maar het voelt goed. Service, aandacht en dus serieus genomen worden. Dat is wat je wilt, zo zou het moeten.

Amerikanen zijn gewend gekoeioneerd te worden. Op straat is het niet gek dat je gevraagd wordt aan de kant te gaan omdat je het trottoir blokkeert. Daar zijn speciale mannetjes voor. En iedereen gehoorzaamd, moet je eens in Amsterdam proberen, de dam is te klein. Het heeft wel wat, de beperkte ruimte is veel beter te beheersen, al moet je wel een stukje individualiteit inleveren. Merkwaardig dat dit in Amerika lukt toch het land van het ik. Kennelijk begrijpt dat ik dat de wij waartoe het behoort alleen kan functioneren als het inschikt, zoals je in de metro dichter tegen elkaars aan gaat staan om die laatkomers die uitgeput van het rennen, een plaatsje te geven in het metrostel. Als het ik niet accepteert dat de ander ook ruimte nodig heeft loopt het mis. De controleurs maken gebruik van die waarde die er al vroeg ingepompt wordt bij de Amerikaanse kinderen. Het is heel normaal om gedrild te worden. Ik zag een kleuterklas waarvan de juf de kleintjes nadrukkelijk in de rij persten twee aan twee, een geen gezeur. Ook in onze groepen een en twee proberen de juffen dit, maar zo snel en zo zonder gekrijs, dat heb ik nog nooit meegemaakt.

Met een sloom armgebaartje werden we vanmiddag Amerika uitgewapperd, al was het wel verdacht dat een gezin van vier met drie koffers reisde. Dat paste niet in het computersysteem. Een wapperaar bleek ineens te kunnen praten, maar niet naar mij, maar via zijn collega, boosmakend, denigrerend, ik trapte er met beide ogen open in. En dat nog wel op de valreep. Boos reageerde ik mij af op de controleur, die helaas weinig tijd aan mij besteedde. Hij morrelde wat op de toetsen van zijn computer en wensten ons een goede reis.

De stewardessen van de KLM heetten ons meer dan hartelijk welkom. Prettig, die opgelezen vriendelijke gastvrijheid.

NYC fooien en bediening

Ik hou er niet van, geld te moeten geven aan bediendes die niet in dienst zijn bij mij. In een restaurant neem ik mijn eigen bediendes niet mee, ik ben dus overgeleverd aan luimen van de aanwezige serveersters. Nou lijkt het alsof ik thuis wel bediend word, maar ik bedoel dat ik moet betalen voor diensten die gewoon zijn in een restaurant bijvoorbeeld bedienen.

In Amerika hanteren ze het systeem van tip-geven, een percentage van de prijs is voor het bedienend personeel. Ik vind het normaal dat ik mijn waardering in de hoogte van dat percentage mag laten doorklinken. Het maakt het systeem dynamisch en kan leiden tot een goed bedienprodukt. Extra punten voor een vlot doorkomen van de spijzen, het netjes op een afstand blijven als we eten, privacy first natuurlijk. Punten eraf als er te snel gebedeld wordt om meer drank te bestellen. Ook minpunten als er te vaak gevraagd wordt of het allemaal naar wens is, dat leidt alleen maar af.

Wat we gisteren aan de minuslijst konden toevoegen kwam onverwacht. Het bediendertje deed haar best, sloot elke zin af met fantastic of iets in die gooi. Alles was fantastic, dat we uit Holland kwamen, dat we de stad zo mooi vonden, en dat we het eten zo lekker vonden, allemaal fantastic. Daar gingen de eerste punten. Vervolgens ging ze in de fout door waarom te vragen toen we geen dessert wensten, maar de rekening wilden. Wat nou waarom, ik ben allergisch voor die vraag, kedeng, nog eens punten eraf. Als we er geen zin meer in hebben om in een restaurant te moeten zitten, dan gaan we zonder uitleg te geven. Maar zij vroege een verklaring, die we beknopt gaven. Ze keek beteuterd, maar knikte. En het dan ook nog eens fantastic vinden. Great, daar zakte het percentage onder de vijftien. Ik noteerde het bedrag, en wat doet deze waitress, ze gaat me uitleggen dat het toch echt 20 % moet zijn. dacht het niet, ik kan tellen en aftrekken. Snel liepen we het restaurant uit, heerlijk foeterend op de bediening, eigenlijk waren dat pluspunten, maar. Toen was het al te laat.

Overigens smaakte het eten wel heerlijk.

NYC: beenruimte en kleuters

Op hoogte gekomen scheen de zon ons tegemoet door de raampjes van de vliegtuigcabine. De veiligheidsgordels mochten los en daar begon het geloop naar de wc. Omdat wij meer beenruimte wensten en daarvoor grof geld betaalden, kwamen wij bij de nooduitgang te zitten. Op de incheck site werd ons verteld dat je er mag zitten maar dat je moet helpen in geval van nood, waarschijnlijk mensen hun zwemvest aandoen, of de reddingsbootjes opblazen, natuurlijk doe ik dat.

Maar op die site wordt niet gewaarschuwd voor wachtende plassers. Er staat nu voortdurend een rijtje van een mannetjes of drie, en de doorloop is geweldig. Waar blijft al die urine? Komt de plas er net als bij een trein onder het vliegtuig weer uit? Of is dat om veiligheidsredenen onmogelijk? Na hoeveel plasjes is het reservoir vol? Zijn daar plasproeven meegedaan?

Wat ook niet gemeld wordt dat je kans loopt dat er kleuters in je buurt komen te zitten. Zo'n kind hebben we nu bij ons zitten, het ontsnapt steeds aan de aandacht van pa en ma,al is die niet zo bezig met het kind en moet pa het doen. Eerst rende hij nog achter het kind aan maar nu is het gebeurd met die service. Met zijn been probeert hij het kind voor zich te houden en geeft het speeltjes. Het kind slingert de speelgoedtelefoon door de gang. Pa heeft het niet door dat zijn Blackberry weggesmeten wordt. Dan ontsnapt het ventje weer en begint op de knopjes van iemands afstandbediening te drukken. Eerst vindt de eigenaresse het nog wel leuk, maar al snel sist zodat het kind weg moet wezen. Ook ik kijk dreigend naar het mormeltje. Kan zo’n nooddeur geopend worden? Is een lawaaierig kind voldoende reden om een nooddeur te openen? Foei, slechte gedachte.

Kortom, genoeg beenruimte, maar ook genoeg afleiding.

Leaving New York ain’t easy

Wachten op het vliegveld. Net een burger met een mega coke genomen. Nu zitten we op een rijtje met onze rug naar de vliegtuigen die staan te wachten op een nieuwe lading mensen. Niemand heeft zin om naar huis te gaan natuurlijk willen we blijven, het virus New york heeft ons te pakken. De taxi deed er veel te snel over om ons de stad uit te rijden. De wolkenkrabbers verdwenen uit het zicht toen we over de Hudson reden. De Spaanstalige chauffeur hield de hele rit zijn mobiel in de hand, hij sprak niet, alleen af en toe in zijn telefoon.

Niemand wil de stad verlaten, maar het is ook goed zo. Na zo veel gezien te hebben is het vol in het hoofd. Er past geen indruk meer bij. Alsof de emmer vol gestroomd is en geen druppel meer verwerkt kan worden. In een museum kun je dat ook hebben, bij het zoveelste meesterwerk, reageer je van, ach nog een Van Gogh, aardig zo,n Renoir, jajaja die Picasso heeft er wel heel veel gemaakt. En je loopt langs hoogtepunten van de schilderkunst alsof het de blikken tomatensoep in de supermarkt zijn. Achteloos loop je langs de artistieke sterren, je bent niet meer te raken door de pracht. Zo is het nu ook met New York, bij de eerste cab vier foto's maken en vanochtend schouderophalend kijken naar de snel optrekkende taxi's. De grote vrachtwagens met eigenwijze neuzen, vol glinsterend blik, als piercings in het gezicht van een street wise jongmens, liep ik na de derde dag gewoon voorbij. De politiemannen die stoïcijns en nors de orde stonden te handhaven boezemden vandaag geen angst meer in. Niet dat ze een high five zouden uitdelen, maar jegens er aan. Kortom de stad heeft ons verwonderd maar zorgde er ook voor dat we snel wenden en ons thuis voelden. Stiekem denken welke vier dat dit geen afscheid voor goed is. WE gaan terugkomen, dat voelen we. Dat maakt het afscheid niet zo erg, het is tijdelijk. Natuurlijk is het een doodvermoeiende trip. Maar elke stad maakt moe. Dat is dus geen reden om niet de stad op te zoeken. Juist terugkeren is de boodschap. Een stad is ideaal om te zijn. Kunst, sport, shoppen, rondkijken, eten, theater, alles wat het leven mooi maakt is er. Dus wat ons betreft, we komen terug.

Het wachten duurt voort, de flatscreens tonen het nieuws, storten een stroom van reclames over ons uit. Om ons heen verzamelen zich mensen die meevliegen. Het Nederlands begint weer de voertaal te worden. Geen Hey Guys, how you're doing? Nee de harde g-klank en de egoïstische blik komt terug in onze omgeving. We maken ons zorgen om de dikke mensen die ook mee moeten, straks zit je voor uren naarst een dikke hamburgerkont, die naar zweet stinkt, zweet dat door het meetorsen van zoveel overtollige kilo's uit de poriën spat en een rioolachtige geur kan verspreiden. Of je komt te zitten naast een gezin met zes kinderen, waar de ouders het gezag over hebben verloren en piepende elektronica voor vertier moet zorgen. De iPad is al drie keer gevallen, vader reageert niet en laat zijn doodvermoeide vrouw, die lijkbleek van het gebrek aan slaap achter haar kinderen aan slooft. Je zult er maar achter zitten.

Nou ja, je kunt ook hopen dat je ongestoord kunt indutten en pas vlak boven de Noordzee wakker wordt, net op tijd voor een ontbijt.

NYC Public Library

P4284011Hoge gebouwen om me heen, ik loop langs brede avenues vol toeterende gele taxi’s, blauw-witte politiewagens en fel gekleurde Amerikaanse trucks met neuzen vol blinkend chroom. Er tussendoor limousine, glinsterend zwart, met geblindeerde ramen en hier een dappere fietskoerier die met zijn mountainbike makkelijk het verkeer kan bij halen, bij elk rood stoplicht. Ik ben op weg naar de openbare bibliotheek, die op de Fifth Avenue is gevestigd in een statig pand, met een ingang onder een enorme fries, gestut door kolossale pilaren. Een tempel van woorden, een heiligdom vol boeken. In de hal domineert op een twee meter hoge sokkel een gigantisch lenteboeket met een doorsnee van anderhalve meter. De licht groene kleuren van de bloemen gecombineerd met de gele en witte tinten van het bloemstuk frist de hal van grijze kalksteen op. Het maakt de barse veiligheidsman die moet checken of er geen terroristen met kwade bedoelingen op de boekenverzameling afkomen, bijna vriendelijk. Met een sloom handgebaar duidt hij mij dat ik mag doorlopen. Hoeveel zal de man gelezen hebben? Kan hij wel lezen? Of is hij door de bibliotheek bevlogen geraakt en noteert hij op elk vrij moment een strofe voor zijn heldenepos? Ik loop door de hal, neem de majestueuze trap naar boven en vind mijn weg door de gangen naar de leeszaal. Aan de achterste van de tien houten tafels met ingelegde tafelbladen, neem ik plaats. De houten stoel en de bruinrode aardewerken tegels op de vloer steken eenvoudig af tegen het plafond dat versierd is en in hemelsblauw is afgewerkt en zo hoog is dat de leeszaal een literaire kathedraal lijkt. Ik noteer wat zinnen in mijn opschrijfboekje. Maar ik kijk vooral om me heen. P4284014Allerlei mensen hier schrijven, lezen of zoeken gegevens in naslagwerken. Handen steunen onder de kinnen, ellebogen rusten op tafel, houten stoelen schuiven over de stenen vloer. Pennen krassen op papier, de toetsen van de laptops ratelen. Kon ik maar elke dag hier zitten en mijn werk doen. Ik verlang ernaar. Mijn tijd is beperkt, mijn gezin wacht buiten, ik moet helaas naar buiten. Maar ik weet dat ik terug zal komen. Al is het maar in gedachten.