The Japanese Photo Shoot


De camera lag op de tree onder mij. De dame van Aziatische afkomst, liep rommelend in haar handtas, weg de zittribune af en voegde zich bij haar reisgezelschap dat het moordende tempo van hun sightseeing weer oppakte. Ik zag het meteen dat ze het fototoestel vergat. Of nee, ik aarzelde. Het apparaat kon ook van de oudere Amerikaanse vrouw zijn die schuin voor hem zat. Ik boog voor over en tikte de dame op haar schouder. Even zocht ik naar woorden. ‘Excuse me,’ begon ik mijn zin, ‘is this your’s?’ Ik wees naar de camera die nog steeds voor mijn voeten lag. De vrouw bracht haar hand naar borst en voelde haar toestel hangen. Nee, zij had haar camera nog altijd. Het moet vast van die Chinese vrouw zijn die hier net zat. Ik knikte en zei dat ik haar niet meer zag. Ik tuurde in het rond. Vaag herinnerde ik me dat ze een spijkerbroek droeg, sportschoenen en een grijs jasje. Niet echt opvallend. Ik durfde nu de camera van dichtbij te bekijken. Een Sony, witte uitvoering, rode draagband. Beetje beschadigd en aardig licht. Een bescheiden zoomlensje. Geen luxe, maar ook geen wegwerpcamera.

Ik zat op een tribune die midden op Times Square was opgesteld. Eigenlijk zat ik op het schuin aflopende dak van het Broadway Ticket Office. Het uitzicht werd gevormd door de felle, kleurrijke lichtreclames die van alle kanten en hoogtes het plein in lichte laaie zetten. Het was een overdrijving in extreme mate. Ik vond het fascinerend dat dit mogelijk was. In feite kwamen al deze mensen uit vrije wil hier samen om te kijken naar reclames. Het moest de natte droom zijn van elke marketeer. Ik had zich vergaapt aan de reclameschermen en zat net te overwegen wat ik wilde gaan doen. Het was mijn derde dag in New York. Ik had de grote highlights nu wel gezien, op mijn lijstje nog wat kleinere, maar nog altijd imposante trekpleisters staan om te bekijken. Ik was juist aan het bladeren in de reisgids toen mijn oog op de camera viel.
Wat moest  ik er nou mee doen. Mijn gemene ik fluisterde me in dat ik het ding gewoon in mijn tas moest mikken en nergens meer over zeuren. Kon ik het maar. Nee, ik was in- en inkeurig, op het brave af. Als op straat iemand tegen mij aan botst, wat in New York City nogal eens gebeurde, zei ik al voordat er gebotst werd ‘sorry’, alsof hij het kon helpen. Onderaan de tribune patrouilleerde een bewaker. Ze droeg een uniform, maar niet van het Newyorkse politieteam. Het leek een privé-beveiligingsbedrijf te zijn waarvoor ze werkte. Nauwlettend hield ze de bewegingen in de massa in de gaten. Via haar mobilofoon stond ze in verbinding met de collega in de controlekamer, die ongetwijfeld met onbemande camera’s het plein in de gaten hield. Nooit meer een aanslag, dat is waar ze voor werken, al die politieagenten en bewakers. Ik pakte de camera in mijn hand en liep op de vrouw in het zwarte uniform af. ‘No sir, we mogen dit niet doen van onze manager, dat behoort niet tot onze taak.’ Ze keek er vriendelijk bij, maar verwees met naar de politieagenten die in hun patrouillewagens langs de kant van de weg stonden te wachten op een moord of een aanslag. Gelukkig was het rustig, konden ze even bijkomen. De vrouw deed mij de suggestie om de camera ‘in een van die auto’s te mikken, dan zou het wel goed komen.’ Mooi, ik wilde er nu wel van af. Het apparaat kon ik toch niet alleen achter laten? Straks nam iemand het zomaar mee. Dat zou zonde zijn voor die Japanse vrouw.
Ik tikte tegen het raampje van de politiewagen. Zoemend schoof het raampje open. De jonge agent keek mij aan, ietwat argwanend. Op zijn hoede luisterde hij naar mijn verhaal. Hij reageerde niet, geen woord, geen gelaatsuitdrukking om aan te geven wat hij dacht dat er kon gebeuren. Ik hoopte dat hij zei dat ik de camera achter in de wagen kon mikken en dat hij mij een goede dag wenste en ik mijn weg kon vervolgen. Na enig nadenken begreep de politieman mijn vraag. ‘Call nine one one.’ Dat was zijn antwoord. Bel het noodnummer maar. Ik onderdrukte een lach, het leek mij niet slim om in een schaterlach uit te barsten. Voor je het weet ben je verdacht en zit je achter in zo’n wagen en word je naar een verhoorkamer gebracht, waar Guantoma Bay achtige tactieken gebruikt zouden worden om mij te laten bekennen dat ik inderdaad van plan was om met een camera-bom Amerikaanse slachtoffers te maken, ik zag mezelf al lopen in zo’n oranje overall, gelukkig heb ik blonde haren en groeit mijn baardje niet zon snel dat er een fundamentalistisch matje aan mijn kin komt te hangen. Waarschijnlijk was dat mijn redding. Het raampje van de wagen sloot zich. De agent bood naar opzij, en fluisterde iets naar zijn collega. Ik stond voor aap.
Ik twijfelde. Wat ging ik doen? Blijven wachten tot ik de Japanse weer terug zag? Uren zitten wachten op de tribune? Het lokte me niet. Ik kon het apparaat op de plek neerleggen waar ik de camera gevonden had en dan weglopen. Dat zou laf zijn. Bovendien zou je zien dat er dan iemand achter mij aan zou komen met de camera en leg dan maar eens uit dat het niet je camera is, dat je geprobeerd hebt het als verloren voorwerp in te leveren bij de plaatselijke autoriteiten, maar dat je het als een boemerang weer terug hebt gekregen. Of nog erger, de bewaker ziet dat je het apparaat laat liggen en begrijpt ogenblikkelijk dat dit een op afstand te laten ontploffen bom is. Ze zou haar collega’s inseinen, die mij bij het verlaten van het plein zouden oppakken, in een geblindeerde auto zouden duwen, en tussen twee zware freefighters in, vastgezet in handboeien en met een zak over mijn hoofd zou ik getransporteerd worden naar een plek waar opnieuw mijn oranje overall klaar zou liggen. Nee, ik moest de paranoia voor zijn en gewoon doen wat iedereen doet met een gevonden voorwerp, in eigen zak steken.
Ik was nu de eigenaar van een tweedehands digitale camera. Het groene knopje op de achterkant drukte ik in, en het schermpje floepte aan. Eigenlijk wilde ik alles wissen wat erop stond. Mocht de Japanse dame in kwestie mij opsporen dan kon ik zeggen dat de dief de opslag geheel geleegd had. Thuis zou ik daar de rust en de gelegenheid voor hebben. Via een scrollmenuutje bereikte ik de map met opnames. De codes van de jpeg.bestanden vlogen over het schermpje. De laatste foto was een half uur eerder gemaakt, vlak voor ik de tribune opstapte.  Met mijn vinger wilde ik klikken op de knop ‘openen’. Maar ik durfde niet. Het was één om een camera die je vond te beschouwen als de jouwe, maar om dan naar de beelden van de vorige eigenaar te kijken, is alsof je de pikante videootjes die je nieuwe vriendin ooit maakte met haar ex gaat bekijken om in de sfeer te komen voor een romantisch avondjes minnen. Nee, ik kon het niet maken om te gaan kijken naar de foto-reportage van de verdwenen Japanse vrouw. Het zou een schending zijn van de privacy. Maar wie zou het merken? Bovendien, de foto’s die Japanners maken leken mij niet zo bijzonder te zijn. Zie je een groep Japanners dan wijzen alle lenzen in dezelfde richting. Op een onzichtbaar teken, klikten alle camera’s,  alsof ze met elkaar in verbinding stonden, dertig keer hetzelfde gebouw, uit hetzelfde perspectief. Nee, de foto-avondjes van Japanse reisgezelschappen zijn gezellig: veertig keer achterelkaar identieke opnames in hoge resoluties. En elkaar maar wijzen op dezelfde details. Nee, ik kon zonder meer de camera tot de mijn maken en de opnames bekijken. Hoe kon je spreken over privacy als het inwisselbaar was? Zo gezien kon je de privacyclaim van half Nederland aan de kant schuiven om dat men toch hetzelfde doet, zegt, wenst en wil als de buren en daarmee het recht op een speciale behandeling verspeelt. Maar goed, ik zat op de tribune, boven het Ticket Office, waar koopjesjagers met een ANWB-pas, probeerde 70% korting te krijgen op een uitvoering van Mamamia, waar Björn en Benny, miljoenen mee verdienen per jaar, alleen al met het heruitgeven en heruitpersen van hun jaren zeventig hits die in de musical met een flinterdun verhaaltje over een hotelhoudster op een Grieks eiland, die in haar isolement zo jammerlijk is dat zij maar één cassettebandje met westerse muziek heeft meegenomen toen ze uit het eeuwige zingende bossenland Zweden emigreerde naar een dor, zonvergeten, van schapen en olijvenbomen overlopend eiland in de Egeïsche zee, en tot overmaat van ramp ontdekt dat zij veroordeeld is tot het beluisteren van Waterloo, Dancing Queen, Rendez Vous en Chiquequeita, ach ja, The Winner takes it all, op die tribune zat ik te twijfelen of ik wel of niet de foto’s van een onbekende Japanse vrouw mocht bekijken. Formeel had ik het toestel tot de mijne gemaakt. Was ik dan ook niet eigenaar van de inhoud van de SD-schijf? Net zoals je een boek koopt in een antiquariaat en je treft met potlood geschreven aantekeningen, uitroeptekens en onderstrepingen aan, liefst getrokken met een liniaaltje. Dan ga je toch ook niet de priegelige aantekening overslaan? Nee, juist dan lees je die als eerste en laat je de gedrukte tekst voor wat ie is. Genoeg getwijfeld, ik ga kijken, ik doe het, ik ga het driehoekige groene knopje indrukken en ik ga kijken wat de Japanse heeft vastgelegd in haar pixelgeheugen. Mijn hand hield ik als een zonneschermpje boven het schermpje. Ik klikte  van de ene foto naar de andere, maar zien deed ik niets. De zon die de hele dag een lentesfeer over New York had gelegd was nog volop aanwezig en belemmerde het zicht. Ik zag heel vaag een schim, een licht wolkje in een donkere omgeving. Nee, het daglicht op de tribune, met de invallende zon maakte het onmogelijk te kijken wat er op het schijfje stond. Ik moest elders of later gaan kijken. Opgelucht haalde ik adem. Al had ik de bestanden geopend, formeel had ik nog niets over de grens van de privacy gedaan.
Ik liep de tribune af, passeerde de bewaakster die mij verwezen had naar de politie. Ik negeerde haar. ‘Sir, excuse me,’ hoorde ik haar roepen. Ik ben te netjes en dus stopte ik. Ze vroeg of ik het toestel al had kunnen inleveren bij de politiemannen aan de overkant. Mocht dat niet gelukt zijn, en ze wees naar het toestel dat om mijn nek hing, dan kon ik aan het eind van Broadway ook het ‘police-station’ binnen gaan en het daar inleveren. Ik knikte en ik zei dat ik dat ging doen. Verbaasd keek ze me na toen ik in de tegenovergestelde richting liep. Ik versnelde mijn pas, toen ik hoorde dat ze mij na riep. Het is de andere kant op, leek ze te roepen. Ik verdween in de menigte met het Japanse toestel om mijn nek op weg naar een duistere Starbucks om te koffie te gaan drinken en de camera aan een onderzoek te onderwerpen. Ik wilde nu ook weten wat er op stond.
Terwijl ik zocht naar het groen-wiite logo van de koffiedealer die pretendeert op elke hoek van elke grote stad te zitten, als je hem nodig hebt kun je er geen vinden, fantaseerde ik wat ik zou gaan zien op het schermpje. Hopelijk geen standaardbeelden van de highlights en zo. Niet de zoveelste  opname van het Vrijheidsbeeld omringd door half Japan. Stiekem hoopte ik op de een reportage van het Japanse reisgezelschap in een karaokebar, waar de Saké-kruiken voortdurend circuleerden en van lip naar lip gingen. Of nee, ik hoopte op een sappige en gedetailleerde, net wat te schimmige, maar met goed geluid voorziene copulatiecompilatie met de als animeermeisje bijbeunende Japanse reisleidster, die pas haar erotische talent ontdekte naar haar vijfentwintig jarig jubileum en sindsdien op elke reis haar klanten ronselde uit de tourbus en in de lobby van het hotel (My Special Geisha) met haar witte Sony fotocamera comprimerende foto’s maakte waarmee ze haar karige loontje als reisleidster aardig wist op te voeren door te dreigen de afbeeldingen op haar goedlopende Facebookpagina (The Geisha Dairy) te plaatsen. Die foto’s wilde ik zien.
Aldus geschiedde, of toch niet…..?
Ik vond een niet al te drukke Starbucks, bestelde een cafe latte, small, dus nog altijd groot en ging op een kruk aan de bar zitten. Naast mij zat een voor Amerikanen niet al te gezette, zeg maar small, man in een Nike trainingsbroek en een houthakkerhemd, geblokt met rood en blauw. Hij droeg een fors horloge en zette zijn tanden in een niet al te kleine muffin, vast ook small. Zijn hap werkte hij smakkend weg, wisselde de muffin af met slurpjes koffie. ‘Hi, how you’re doing, my name is Hugh, nice to meet you,’ begroette hij mij. Ik beantwoordde zijn groet en hief mijn koffie ter proost. Ik legde de camera op de bar en bestudeerde de knopjes. In het venster verscheen een keuzemenuutje. De taal was ingesteld in het Japans en ik probeerde te ontdekken waar ik dat kon wijzigen. Hugh keek steeds opzij, nieuwsgierig naar mijn gepruts. ‘Lukt het niet?’ vroeg hij na een tijdje. Smakkend ging de laatste hap muffin door zijn mond. Op zijn wang kleefde wat chocola. Ik schudde mijn hoofd en vertelde wat ik probeerde te regelen. ‘Give it to me, I can fix it.’ Ik overhandigde de camera en zag tot mijn verbazing hoe hij de accu en de kleine celbatterij eruit peuterde. Zijn worstenpootvingers, met afgekloofde nagels gingen doelgericht te werk. Hij vertelde dat dit een soort koude herstart was. Als je de batterijen er weer in kreeg zouden de fabrieksinstellingen standaard terugspringen en ook de taal zou naar het Engels terugkeren. Ik zag het misgaan. De grote accu kreeg hij makkelijk teruggeplaatst. Maar met de kleine ronde batterij ging het niet goed. Hij liet het kleine ronde energiebronnetje tussen zijn vingers doorglippen. Een kort rinkelend geluid was het laatste wat we er van hoorden. Tegelijk keken we op de grond. Niets te zien. ‘I’m sorry, i screwed it up,’verontschuldigde hij zich. Ik knielde op de grond en tastte tussen de krukken de grond af. Vanaf zijn kruk vroeg Hugh of ik iets al iets had gevonden. Nee, het enige dat ik aantrof waren zijn schoenen die hij had uitgetrapt. Hij zat met zijn blote voeten op de onderste sporen van de kruk. De schoenen roken sterk. Ik vreesde dat de batterij in een van die sneakers gevallen was. De geur weerhield me ervan te zoeken in de schoenen. Hugh haalde zijn schouders op en vertelde dat op de hoek van deze Avenue een kleine elektronicawinkel zat waar ik ongetwijfeld een nieuwe batterij kon krijgen. Ter compensatie bood hij mij wat te drinken aan. Voor ik het wist had ik een twee caffe latte voor mijn neus staan met een chocomuffin. Ik zuchtte. Sinds ik de camera in mijn bezit genomen had, kon ik niets anders doen dan er mee bezig zijn. Ik begon mijn sloot koffie weg te drinken. Hugh had een van zijn schoenen op de bar gezet en voelde met zijn hand in de plakkerige sportschoen. Door de geur van koffie rook ik zijn zweetvoetenodeur. Mistroostig schudde hij zijn hoofd. Ook d e tweede schoen onderwierp hij aan een nauwgezet onderzoek. Niets. Nogmaals zei hij sorry.  Onverwacht sprong hij van zijn kruk, deed de schoenen aan zijn voeten en griste de camera van de bar. Ik greep aan de band, maar die liet los. Met de gekleurde strook in mijn handen bleef ik verbouwereerd zitten. Hugh liep snel naar de uitgang en rende de zaak uit. Ik wilde hem achterna gaan, maar de koffieverkoper aan de andere kant van de bar riep me toe dat ik nog moest betalen. Hij fronste diep, boog over de bar en hield mij de rekening voor. Voor het gemak mocht ik Hughs koffie en koek ook betalen. Met een te grote fooi die ik de koffieman in zijn handen drukte maakte ik snel een eind aan mijn koffiepauze. De caffe lattes stonden nog onaangeroerd. Het dekseltje dat op de koffiebeker geduwd kon worden, kreeg ik niet zo snel erop. Ik duwde hard, waardoor het karton van de beker indeukte en de Latte over de bar en over mijn broek stroomde. De hete koffie, die waarschijnlijk een half uur lang had staan koken op het warmhoudplaatje, brandde op mijn been. Had het nog wel zin om achter Hugh aan te gaan? Hij was natuurlijk al lang verdwenen in de mensenmassa die zich over het trottoir bewoog. Of hij was overgestoken, en eer ik die brede avenue had kunnen nemen, vol gele taxi’s, bussen en overdadig met chroom versierde trucks, was ik ook al tien minuten kwijt.
Ik besloot om richting de hoek te lopen die Hugh had aangewezen. Daar zou een elektronicazaak zitten. Misschien was hij daar naar toe gegaan. Na een korte wandeling, waarbij ik in de gaten hield of ik de zwaarlijvige man zou tegenkomen, kwam ik aan bij de zaak. De etalage lag vol met videocamera’s, fototoestellen, iPads en minilaptops. Ik stapte naar binnen. Tussen de glazen vitrinekasten, gevuld met gadgets stond een Aziatisch ogende man. Vietnam? China? Filippijnen? Ik vroeg hem of hier net een forse Amerikaan geweest was die een batterij voor een camera gekocht had. Ik kon niet zo snel op het woord ‘batterij’ komen en vergistte me door de term ‘adapter’ te gebruiken. ‘You know, to put power into the device,’ hakkelde ik in houtjetouwtje Engels.  De man overtrof mij door te vragen of ik opzoek was naar ‘a machine that could give a good vibe?’ Ik grinnikte toen ik door had dat hij vroeg of ik zocht naar een vibrator. Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘This is a decent place, not a shop for dirty things.’ Hier werd ik niets wijzer van, begreep ik. Ik groette en verliet de zaak. Terug naar de Starbucks maar. Kijken of ik Hugh daar kon zien. Toen ik rustig terugliep zag ik dat ik tussen een juwelier en een tassenzak in een klein winkeltje dat de naam ‘The Power Shop’ droeg. Ik keek naar binnen en zag hem staan. Hij zwaaide toen hij mij naar binnen zag komen. Hij hield het toestel omhoog en riep dat het gelukt was. En een batterij en de taal was in orde. Of ik even wilde betalen? Ik protesteerde. Hugh keek verbaasd en naar me. Ik was toch niet werkelijk van plan een gratis batterij te krijgen? Zijn vingers begonnen het batterijklepje open te maken. Toen ik mijn Visa-card te voorschijn haalde stopte hij daarmee.
Nadat ik betaald had, liep Hugh met de camera om zijn hals naar buiten. Ik volgde. Ik was te verbaasd over hem om hen mijn camera terug te vragen. Nou ja, mijn camera? ‘Waar gaan we naar toe?’ vroeg ik hem.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.