De Vlucht 1, vervolgverhaal

1

Bjorn van Leyden staat voor het raam in de wachtruimte van Schiphol en kijkt naar de blauw-witte Jumbo’s en Boeings die geladen worden. De kleine vrachtwagentjes met treintjes van kleine bagagewagentjes vol koffers rijden af en aan. Met een lopende band die schuin omhoog staat worden de koffers in het vliegtuig geladen. Zijn koffer moet zich nu ook ergens tussen balie en laadruim bevinden. Hij roert zijn koffie, likt het roerstaafje af en neemt een slok. Hij kijkt om zich heen. Op het scherm met de vertrektijden zie hij dat de KL410 van 10 uur 10, over tien minuten uur zal vertrekken, volgens schema. Hij tuurt door de hal. De helft van de rijen stoelen is bezet. De zomervakantie is nog niet begonnen. De meeste reizigers zijn van middelbare leeftijd en ouder. Kinderen ziet hij niet. De stoel naast hem houdt hij bezet door zijn laptoptas er op te plaatsen. Opnieuw een slok koffie.

Bjorn kijkt op zijn mobiel. Geen bericht. Geen voicemail. Hij begint een sms te tikken. Wist de tekens, stopt het apparaat weg en kijkt opnieuw rond. Hij tuurt naar de ingang. Hij trekt zijn colbertje uit en legt die op zijn tas. Het bovenste knoopje van zijn witte overhemd maakt hij los. Hij zakt wat onderuit, legt zijn benen recht vooruit. Zijn armen legt hij achter zijn hoofd. Hij rekt zijn rug, voelt de spanning in zijn spieren. Voor hem komt een tankwagen. Slangen worden aangesloten aan het vliegtuig. Verderop taxiet een Chinees vliegtuig naar de startbaan. Bjorn staart, sluit even zijn ogen en voelt de vermoeidheid in zijn lijf. De koffiebeker is leeg. Hij verfrommelt het karton en staat op om het weg te gooien. Hij loopt om zijn wachtplek heen, en kijkt nog een keer naar de ingang. Er komt niemand meer de hal binnen. Hij pakt zijn colbert en laptop. Op de boardingpas die hij in zijn paspoort heeft gestoken, leest hij nog een keer het gatenummer D21. Hij kent de weg. Ettelijke malen heeft hij deze vlucht genomen, maar nog nooit alleen.

Bondscoach

Er moet een nieuwe bondscoach komen voor onze voetbaltrots. Straks begint de WK-kwalificatie en dan moet er een nieuw persoon langs de kant staan om zich te laten uitschelden door Robben. Iemand moet het doen. Alvast enkele criteria waaraan de bondscoach moet voldoen.

De beoogd bondscoach is in staat
  1. Tattoos te zetten.
  2. Zijn spelers tegen elkaar in het harnas te jagen.
  3. Nors om te gaan met vertegenwoordigers van de pers.
  4. Tijdens een halve finale van het EK de aandacht op je zelf te vestigen.
  5. Hotelaccommodatie uit te zoeken op minimaal vier uur vliegen van het stadion.
Wie weet wat hij nog meer moet kunnen?

Zomer?

In columnland mag niet meer gesproken worden over het weer. Het is op diverse sites taboe verklaard. Dat gezeur dat de zomer maar niet doorbreekt. Ik begrijp het. Maar hoe moeten we deze zomer nu noemen? Een paar voorstellen:

1. Herfst
2. Treurzomer
3. Zomerdepressie
4. Nietzomer
5. Onzomer

Wie heeft een goede omschrijving?

Shitzooi

In de stad Groningen geldt vanaf 1 juli een streng hondenpoepbeleid. Elke drol moet opgeruimd worden. Bij het maken van een column hierover zocht ik synoniemen voor het woord poep. Een rijtje:
  1. stront
  2. kak
  3. derrie
  4. shit
  5. uitwerpselen
  6. schijt
  7. ontlasting
Wie vult mijn rijtje aan?

EK ik ben voor Duitsland

Europees voetbal is minder leuk om naar te kijken als je eigen land niet meer mee doet. Ik ben nu masr voor Duitsland en dat is vreemde gewaarwording.
Waarom DUITSLAND?
        omdat:
1. Ze een elegante coach hebben die gewoon vragen van de pers beantwoordt
2. Ze lekker veel sterren op de borst hebben
3. Duitsland van Nederland heeft gewonnen, dat verzacht de pijn
4. De Duitse fans zo heerlijk sieg-sieg-sieg scanderen.
5. Gomez een neus heeft voor goals.

Zijn er nog meer redenen om voor Duitsland te zijn?

Boschrijft een winnende column

Onlangs heb ik meegedaan aan een columnwedstrijd en ik heb deze gewonnen. Het ging om een column voor het programmablaadje van de basketbalclub Flames, of te wel DONAR. Ik heb een column geschreven over de passie (of het gebrek daaraan) van de spelers in de play-offs.

Hier onder de link naar de website van Flames

www,gasterraflames.nl

En hier is de column:


Passie in Donarplaza
Albert-Jan Bosch
Nijmegen wordt verslagen. Ik zie het gebeuren vanaf mijn vaste seizoensplek. Uit alle macht probeer ik mijn rol als supporter te vervullen. Maar het lukt niet. Ik kom niet in de sfeer. Bij elke mooie pass, wil ik opspringen, ik blijf zitten. Een dunk van Jason Dourisseau, hij hangt aan de ring, ik voel vervoering komen, ik klap slechts in mijn handen. Wyatt brengt een slappe pass van Nijmegen om zeep. De kreet die ik wil slaken blijft steken in mijn keel. Bell scoort beheerst uit strafballen, mijn gebalde vuist komt niet hoger dan mijn schouder. Mijn collega-fans roepen ‘amateur’ als de scheidsrechter ten onrechte de P aan de Flames geeft, ik zwijg.
Ik mis mijn bevlogenheid. Verdorie, wat is dit? De play offs zijn begonnen en ik voel het blauw-wit bloed niet kolken in mijn aderen. Ik zak nog net niet weg in apathie. Ik wil op de banken staan, meedeinen op de muziek, maar ik voel niets. Ik kijk naar Hakim Salem, die aan de zijlijn coacht. Ik hoop dat zijn betrokkenheid mij aansteekt. Zijn donkere onberispelijke pak met blauwe das en lichte hemd maken van hem een leider. Hij zet de lijnen uit, stuurt bij, hij straalt autoriteit uit. Hij wijst krachtig de arbiter op een fout. Bij een wissel van Jessey Voorn buigt hij naar voren en spreekt hem toe, hij geeft een tikje tegen het achterhoofd. De jongen knikt. En hij loopt al weer langs het veld. Zijn wijsvingers draaien kleine cirkeltjes bij zijn slaap: ‘Jongens, blijf kijken en denken, koppie erbij.’ Hij is rustig en beheerst. Geen theater, geen overdrijving.
De voorsprong groeit tot twintig punten. Ik wil de eerste winst in de play offs vieren. Maar ik blijf zitten. De passie komt niet los. Ik kijk naar Max van Schaik, de enige op de bank die fanatiek zijn team aanmoedigt. Steeds  veert hij op. Hij zwaait met zijn witte handdoek bij een score. Zijn ogen zuigen het spel op. Naast hem zit Sander de Roos. Achterover geleund hangt hij de wedstrijd uit. Hij lurkt aan zijn flesje en geeft onderhands een handje aan een wisselspeler. In het veld zie ik geen passie. Natuurlijk werken de spelers. Ze fileren geconcentreerd de tegenstander. Maar bij een fout zie ik geen openlijke frustratie. Waar is de vreugde bij een score? Welke speler zoekt fysiek contact met zijn teamgenoten? Wie hitst op het veld het publiek op?
Passie maakt basketbal tot een emotioneel schouwspel. De interactie van spelers en tribune kan zo meeslepend zijn. Ik smacht er naar. Ik wil in de halve finale tranen in mijn ogen krijgen als Leiden of Den Bosch geslacht wordt. Ik wil in de finale met samengeknepen billen en het hart in de keel, mijn handen gevouwen voor mijn mond, wraak voor het verlies in Leiden. Ik wil schreeuwen op de Grote Markt, als de beker getoond wordt. Maar bovenal wil ik in trance raken op de tribune als ik scandeer ‘Donar, Donar’, samen met vierduizend fans. En ik wil spelers zien die vol spirit samen met de zesde man de tegenstanders willen vermorzelen.