Wat gebeurt er met je piemel in de sauna?

Ik zie waterdruppeltjes over mijn lichaam lopen. Ze vormen een beekje. Uit alle hoeken en gaten komt zweet naar buiten. Ik lig op mijn rug op fel gekleurde badhanddoek op een houten bank. Met een schuin oog houd ik de zandloper aan de wand in de gaten. De minuten kruipen korreltje voor korreltje voorbij. Het eerste streepje is bereikt. Nog minimaal vijf minuten en dan mag ik er uit. De kachel in het schemerige vertrek tikt en straalt nog meer warmte uit. Ik hoop dat de thermostaat zo meteen niet nog een keer aanslaat, zo is het wel mooi. Mijn bril glijdt af door mijn bezwete neus. Als ik de veren aanraak om hem recht te zitten, brand ik mijn vingers. De banken vormen een u-vormige tribune van drie treden. Naast de kachel is een glazen deur waarvoor af en toe naakte mensen lopen. Een ouder stel komt binnen. Ze slaan hun handdoek uit. De luchtverplaatsing doet de temperatuur even stijgen. Als een föhn of een mistral waait de warmte in mijn gezicht. Het is duidelijk dat niet elk briesje verkoeling brengt. De twee, grijs en behoedzaam, gaan rustig zitten op hun handdoek en laten de warmte over zich komen.
Ik doe dit vrijwillig. Als ik wil kan ik weg. Tien stappen en ik sta onder een ijskoude douche. Maar ik wil volhouden. Het is gezond, al glimt mijn lichaam nu wel heel erg van de transpiratie. Is dit mijn luie zweet? Of pomp ik op deze manier het vastgehouden vocht uit mijn lichaam? Of is het een training voor doorzettingsvermogen? Ik wil minimaal tien minuten binnen blijven. De zandloper is bijna tot het tweede streepje gevuld. De hitte is anders dan afgelopen weekend. De temperatuur was toen ook opgelopen tot hoge waarden. Ik kon geen verkoeling krijgen. De warmte viel als een zware deken over me heen. Omdat het windstil was, bleef ik zweten, uren en uren. Uiteindelijk vond ik met mijn gezin verkoeling in een beekje, waar helder water, gezwind over gewassen steentjes stroomde.
De thermostaat klikt aan. Is de temperatuur dan toch gedaald? Ik merk niets van een lagere warmtewaarde. Tikkende warmt de kachel graad na graad op. Ik voel dat bij elke zandkorrel die door het smalle deel van de zandloper naar beneden valt, de warmte oploopt. De zweetdruppels stromen nu als een bergbeekje dat na een woeste donderbui een wilde rivier is geworden. Ik sta op en ga op de onderste tree zitten. Warmte stijgt op, dus beneden is het koeler. Als is dat relatief. Het lichaamswater blijft stromen.
Dan is het genoeg. Zonder op de tijdslijn te kijken sta ik op. Mijn handdoek sla ik over mijn rechterschouder. Ik duw de glazen deur open en voel de koele lucht. Ik loop door de betegelde ruimte, passeer een voetenbassin en een dompelbad. De koud water douches laat ik links liggen. Ik wil naar buiten. Langs het zwembad en het bubbelbad begeef ik me naar het achterste deel van de tuin. Op het gras staan ligbedden waar mensen kunnen bijkomen van hun saunabezoek, met een drankje of een hapje. Rondom een vijver waar een houten bruggetje over de met riet en dotters begroeide waterpartij gaat, is het stil. Het enige geluid dat ik hoor is de waterval. Luid kletterend stort een brede waterstraal ijskoud water uit over een smal betegeld pad. Ik loop ongekleed de trapjes op, alsof ik het schavot op loop waar mijn terechtstelling gaat plaats vinden. Het guillotinemes dat in mijn nek zal vallen, is van water. Ik vrees voor het eerste contact met de koude stroom. Laf houd ik mijn voet omhoog en voel met mijn teen hoe koud het is. Dan verman ik me en loop onder de waterval door. Ik draai zodat ook mijn borst nat en fris wordt. Mijn huid begint te tintelen, rode vlekjes ontstaan. Onder aan het trapje is een dompelbad, waarin het ijswater van de waterval in te recht komt. Opnieuw daal ik een trapje af. Mijn hele lichaam is nu onder water. Ik tel tot vier en zet dan mijn voeten op de treden naar boven. Ik kijk naar mijn voeten, mijn benen en zie dat er kippenvel is ontstaan. De trotse piemel is verdwenen, zo koud vond ie het. Even aarzel ik, maar besluit om het hierbij te laten. Ik ben verhit en verkoeld, op naar een drankje.


Schrijven op een Franse camping

Ik loop met mijn laptop onder mijn arm over het witte grind waarmee de weggetjes op de camping zijn verhard, naar de koelte van het restaurantje bij de entree van de kampeerplaats. Het is een warme dag, de lucht is wolkeloos; zonlicht weer ik met mijn strooien hoed. Frankrijk zucht onder een hittegolf. De kaartjes bij de weersverwachting in de krant zijn roodgekleurd en voorzien van een knalgeel zonnetje. Af en toe voel ik een steentje tussen mijn blote voet en de slipper die ik draag.
Het restaurant is een half open ruimte. Er staan lange tafels met banken, die bij een Oktoberfest goed gebruikt kunnen worden om ingehaakt mee te zingen met een schlager. Gelukkig is het augustus en is er geen bierpul of lederhosen te bekennen. Een wand is gevuld met affiches van toeristische attracties. Grotten, zwembaden, kanotochten en lokale marktjes. In mappen zijn routebeschrijvingen van wandelingen in de buurt. Aan de dikte van de ordners te zien kun je hier kilometers ver lopen. Misschien is er een route uitgezet langs het spoor dat niet meer gebruikt wordt, maar dat vlak voor de camping loopt over een stenen brug, gestut door metershoge bogen. De naam van de camping verwijst naar deze bogen. Een paar kilometer verderop staan bij een verlaten stationsgebouw de oude wagons weg te roesten. Graffitispuiters hebben hun tags achtergelaten.
Aan de smalle kant van het restaurant is de receptie. Kampeerders melden zich er om hun plekje te betalen of te vragen hoe ze aan elektriciteit kunnen komen. In het hokje vol geordend papier wordt geduldig op alle vragen, die elk seizoen terugkeren geantwoord. Naast de balie is een barretje. De prijslijst hangt links, een biertje heet een pression, en de rosé staat koud in de ijskast. Aan het plafond hangen chipsverpakkingen met de prijs erop. Een rieten afdakje hangt boven de bar, alsof het een strandtentje is ergens in de tropen. Twee kleine jongetjes zijn op de barkrukken gekropen en oefenen alvast voor toekomstig kroeggenot. De krukken zijn groter dan zij zelf zijn. Op de hoge zetels smullen ze van een ijsje. Achter de bar staat vaak een Franstalige bediening. Door de vele Nederlandse gasten spreken ze wat Nederlands, al is de een bedrevener in de taal met de harde g en de rollende r dan de ander. ’s Ochtends haal ik hier ons brood. Vers brood, croissants en pain de campaigne, afgewisseld met een pain plein. Lange lage broden, die knisperen als je ze snijdt. De man die de broden verkoopt, kent mij na een paar dagen, eerst weet hij mijn huisjesnummer en enkele dagen later weet hij mijn naam. In het hoekje naast de keuken is een speelplek gemaakt voor de allerkleinste bargasten. Met een houten witten hekje is de hoek afgebakend. Gisteravond krioelde het van het kleine grut. Hun ouders dronken hun wijntje, even onbezorgd.
De andere lange zijde van het restaurant is open en kijkt uit over de vallei, waar de rivier verborgen ligt in de diepte, wel zijn de groene boorden zichtbaar. Tussen de groene bomen en struiken is de rotsige ondergrond te zien. Hier en daar is het gesteente uitgeslepen door water of wind. De open rand is voorzien van een balustrade. Juist hier zijn de zitplekken het heerlijkst om te schrijven. Ik neem er graag plaats. De verfrissende ochtendbries is er goed te voelen en het uitzicht over de vallei en over het restaurant is er prima. Ik neem plaats op een groen kleurige kunststoffen stoeltje aan een plastic tafeltje. De Harmannstoel is geen goede ondersteuning voor de rug. Na een uur zitten, krijg ik absoluut harde billen. Terwijl de laptop zich opstart, kijk ik rond. Het is nog rustig. Een vrouw met blond haar en twee kinderen, checkt haar mail op haar iPad en glimlacht bij enkele berichten. Ze begint fanatiek terug te tikken. Met een nadrukkelijk knik van het hoofd, schrijft ze nog een stukje. Dat zal hem leren, zie je haar denken. Achter haar zit een man met bierbuikje en een terugwijkende haargrens. Hij drinkt een espresso en bladert door het lokale nieuwsblad. De enige informatie die zo’n krant mij oplevert is de ‘meteo’. Maar die is niet interessant omdat het zomerweer heel stabiel is en de temperatuur onveranderd hoog blijft.
Ik tik mijn eerste woorden van de dag. De ipod speelt muziek. Ik sluit me af voor het campingleven. Af en toe ben ik nieuwsgierig. Ik wip dan het oordopje uit en luister naar het verhaal van een kleine wat dikke donkerharige moeder die komt melden dat de fohn niet werkt in het toiletgebouw. De eigenaresse vraagt of haar föhn kapot is, maar de vrouw maakt duidelijk dat het om een probleem gaat met de elektriciteit. Ze belooft dat er zo snel mogelijk een mannetje naar gaat kijken.
Ik stop mijn oortje weer dieper en hoor een opzwepende gitaarriff. Ik betrap me dat ik op het ritme zit mee te wiegen. Snel controleer ik of ik bekeken wordt. Niemand heeft oog voor me. Ik schrijf verder aan mijn roman. Ik zie nu alleen het scherm en de woorden die ik aaneenrijg. De zwarte letters op het witte vlak in een blauwe lijst. Het stroomt, de tekst groeit, de dialogen lopen en de beschrijvingen kloppen.
Een briesje dat ik ineens langs mijn benen voel strijken leidt me af. Opnieuw kijk ik rond. De eigenaresse staat nu met een bord pasta en een salade in haar hand en zoekt een plekje in het eigen restaurant. Haar zwarte zomerjurk en de open slippers, suggereren dat ze ook een campinggast is. Op haar hoofd heeft ze haar zonnebril in het haar gestoken, als een zomers kroontje. Ze plaatst haar avondeten op een tafeltje en loopt terug naar de bar voor een rosé. Met haar glas en een krantje dat ze halverwege de eetzaal oppikt, loopt ze naar haar plekje en gaat ze eten. Onderwijl houdt ze oog op de zaak, groet een gast, laat haar eten koud worden om een personeelslid aanwijzingen te geven, er is geen moment rust. Het is druk op de camping, maar ze houdt het hoofd koel. Gastvrijheid doe je met een glimlach. Ik merk dat ik aan het staren ben. De ipod gaat harder en ik verleg mijn blik weer naar het scherm, het werk wacht.
Ik beloof mezelf dat ik zo’n heerlijk koel, schuimend biertje mag als ik mijn opgelegde vier pagina’s heb volgeschreven. De worst voor mijn neus werkt, ik richt me op de toetsen en kom sneller dan ik gedacht had aan mijn qoutum. Aan de bar bestel ik in mijn beste Frans een biertje. Ik betaal en dan staat het beloofde glas voor mijn neus. Waterdruppeltjes zoeken een weg naar beneden langs het glas. Ik hoor het bruisen en ruik de hop. De eerste slok in mijn mond laat ik kort op me in werken, verkoelend, begerig volgt de tweede teug. De hitte is in het restaurant niet zo te merken, maar ik zie op de zonovergoten grindpaadjes buiten mensen in zwemkleding, met badhanddoeken en opblaasdieren naar het zwembad lopen. Sommigen van hen stoppen bij het restaurant om een ijsje te kopen. Ik berg mijn laptop op in de tas, neem het laatste slokje bier en loop ook de warmte in. De hoed houdt mijn hoofd koel. Als ik per ongeluk uit mijn slipper schiet, en mijn voet op de witte steentjes stap, voel ik de hitte aan mijn zolen. Het is warm in Frankrijk, maar de ontspanning om me heen werkt verfrissend.






Zomertattoo

 

In deze zomer stond ik op een camping met veel zon. Mensen hebben dan een paar begrijpelijke neigingen. Zwemmen, koud bier of rosé drinken, ijsjes eten en dat allemaal met zo weinig mogelijk kledingstukken aan. Dus loopt de man in korte broek, of nog erger in zwembroek over de camping richting rivier of zwembad, gevolgd door zijn vrouw die de kinderschare in goede orde probeert te houden, gehuld in bijna niets verhullende bikini. De zwemkostuumpjes zijn minuscuul, billen, buikrimpels en borsten blubberen bij herhaling de warme openlucht in. Ach, dat is allemaal logisch en normaal in de zomerse warmte.

Maar wat opvallend is bij de toch over het algemeen niet zo al te jonge moeders (en een spaarzame vader) is de tatoeage. Op allerlei plekken op het blootvallende lichaam zijn inkttekeningen zichtbaar. Op de bovenarm, vaak in de vorm van een bandje. Op de rug tussen de schouderbladen, als een kronkelend bloemenmotief. Vlak boven de bilspleet, waar vanuit het laagste punt, vlak onder het randje van het bikinibroekje een v-vormig, nee beter een stringvormige, pentekening omhoog krult. En natuurlijk op de binnenkant van de borst.

Was vroeger een tattoo een teken van echte zeemannelijkheid, en had het de vorm van een hartje of een anker, nu is het een modeaccessoire, maar dan wel eeuwigdurende mode. Hoe moet dat als de dame in kwestie oud en wijs is geworden? Een rijpe dame met een brandmerk? Hoe kijken kinderen aan tegen hun moeder met een inktvlek op haar borst? Hoe wordt de bejaarde dame met een tatoeage behandeld in het verzorgingshuis? Maar nog meer vraag ik me af, wat gaat er om in het hoofd van ongetatoeëerde echtgenoot, die achter zijn vrouw aanloopt naar het zwembad worstelend met alle opblaasdieren en zwembanden. Hij kijkt naar de grillige lijnen en herkent waarschijnlijk haar karakter en gedrag in het onvoorspelbare lijnenspel. Straks maar een biertje.

Waterschoentjes

Het is natuurlijk wat truttig om waterschoentjes te dragen. Zeker als je maat 45 hebt. Ik had ze dan ook met enige reserve gekocht, bij de ANWB ook nog, kan het trutterig? Nou ja, je bent partnerlid of niet, dus ik kocht ze. Vandaag ging ik ze voor het eerst gebruiken. Bij onze camping is een rivier afgedamd. Een heerlijk natuurlijk bassin is zo gecreëerd. Met als bodem dikke keien en scherpe stenen. De blauwe schoentje, met witte randjes en het Human Nature embleem van de ANWB -pasten perfect. Zonder pijnlijk voeten kon ik door het water waden. Het kritieke moment, het koude water dat langzaam de grens van de zwembroek nadert, probeerde ik zo mannelijk mogelijk te dragen. Koud, fris, ijzig, brrr. Ik haalde diep adem liet me voor over vallen en maakte enkele schoolslagen. Mijn lichaam wende snel aan de watertemperatuur. Na een paar baantjes liep ik naar de zijkant en stapte de wal weer op. Met klotsende schoentjes stapte ik naar mijn handdoek. Heerlijk afgekoeld, warmde ik me op in de zomerse zon.

’s Middags kwam ik later dan vrouw en kinderen en zwagers bij het water terug. De kinderen en de ooms waren op expeditie naar de waterval. Ik besloot ze te volgen. Ik genoot van mijn waterschoentjes. Geen steen was pijnlijk en de grip was uitstekend. Ik genoot ook van het uitzicht. De rivier stond laag. Maar aan de uitgescheurde rotsen te zien heeft het water wel eens hoger gestaan. Erosie door wind, regen en waterstromen waren goed zichtbaar. Ook in het water zag ik de gevolgen van de erosie. Stenen met gleuven, lijnenspel als gevolg van de kracht van het water. Visjes schoten voorbij, kikkers sprongen op. Ik waakte ervoor dat ik geen slangen tegen kwam, toch altijd een beetje huiverig voor. Na vele bochten, bijna valpartijen en geen enkele ontmoeting met een slang, kwam ik aan bij een spoorbrug, een hoge brug met pijlers die in bogen uitliepen, kwam ik mijn familie tegen. Samen liepen we weer terug. Moe maar voldaan eindigden we onze tocht. Lang leve de waterschoenen!

Nacht op een rustige camping

Het is rustig, heel stil in de ochtend op de camping. Ik kan niet meer slapen. Het bed is hard, het kussen slap en ik voel het opgedroogde zweet plakken aan mijn lijf. Zonder het te willen raken we elkaar aan. Zo houden we elkaar uit de slaap. Ineens droom ik, vaag herinner ik me een brief die ik in mijn droom moet bezorgen. Ze maakt me wakker. ‘Je droomt, je maakt geluidjes.’ Ik zeg dat ik niet bang was, dat het juist een leuke droom was, al trapte ik wel met mijn voeten in het rond.

Nu ben ik klaarwakker. Ik kruip uit bed, kleed me aan en sluip het huisje uit. Een rondje over de camping. Ik hoor een snurkende campinggast, er brandt licht in een caravan, maar ik kom niemand tegen. Bij de receptie probeert een klein katje mijn benen te bereiken. Ik zet een stap in haar richting en ze schiet weg. De sterren zijn helder, de maan is nog net zichtbaar. Ik ril in mijn t-shirt. Ik geniet desondanks van de rust. Over het witte grindpaadje loop ik terug naar mijn huisje. Ik zucht. Zachtjes stap ik langs de hond die vredig op de deken ligt te slapen, naar binnen.

Ruimte om rond te dwalen is er niet in het chaletje. Dan maar op bed, lezen, het witte lichtje van de e-reader schijnt fel. Af en toe lijken mijn ogen dicht te vallen, maar de slaap blijft weg. Ik voel mijn buik rammelen, nachttrek. De koelkast staat onder handbereik. Ik zie er van af omdat ik ongetwijfeld lawaai zal maken. Doorlezen, pagin 200 nadert. Opnieuw voelt het bed hard, ik slik mijn medicijnen en ga er opnieuw uit. Het is nu zeven uur en ik loop naar het riviertje, waar een dam het water tegenhoudt en voor een kunstmatig meertje zorgt. Een reiger staat stokstijf te wachten op een visje. Mijn loopje maakt te veel lawaai en de vogel vliegt op, traag wiekend met zijn vleugels. Er liggen een paar badhanddoeken en een zwemshort, vergeten door kinderen die het te druk hadden met zwemmen en ravotten om op hun spullen te letten. Een zwemband en lege verpakkingen tussen de stenen en keien. Het water is grijs van kleur, koel en stromend. Ik loop langs het water en bedenk me dat het hier goed toeven zal zijn als de zon straks hard haar zomerse best gaat doen. Ik neem me voor om hier straks te gaan zitten lezen, af en toe het water in en genieten. Zomaar een voornemen op de vroege ochtend.

Nog steeds is het rustig in de ochtend op de camping.

Noodweer

Het was gisteren warm, heel warm. 33 Graden, wees de thermometer aan in de auto. Bezweet, moe en plakkerig stapten we uit de auto. Met moeite installeerden we ons. We aten en kijken voortdurend naar boven waar donkere luchten samenbalden. Vroeger zouden we scheerlijnen gaan controleren en losse kampeerspullen opruimen. Nu keken we alleen maar.

De wind rukte aan de bomen. In de verte klonk een donder en in de lucht zagen we flitsen van de bliksem. De warmte had een onweer uitgelokt. Moe van de reis gingen we extra vroeg naar bed. Wij in het huisje en zoon S. in zijn tentje. In het donker had hij het sheltertje eigenhandig opgezet, zijn matje uitgerold en zijn slaapzak klaargelegd.

Het onweer trok over. De nacht viel, de temperatuur daalde en de hond werd stil. De ventilator verspreidde de koelere lucht die door de open ramen naar binnen drong. Plotseling stak de wind op, de raampjes klapperden en de donder was terug. Opnieuw de reflex van de oud-kampeerders: scheerlijnen checken, tentstokken vasthouden. We sloten ramen en deuren en wilden weer gaan slapen. De regen sloeg loeihard op het dak van ons huisje. Een stortbui, regen viel in strepen naar beneden. Donder en bliksem volgden elkaar snel op. De onweersbui hing nu boven de camping.

Gelukkig zaten we hoog en droog, behalve onze zoon die rustig in zijn tentje bleef liggen. Ik vroeg me af of we hem moesten ophalen, en wie dat dan moest doen. Ineens gestommel op de houten veranda, gerommel aan de deur. Een slaapzak werd naar binnen geworpen, gevolgd door een kussen en een mobiel. Ten slotte kwam er een vijftienjarige krullenbol naar binnen. De regen was te erg om in de tent te blijven. Gelach, en een opgeluchte vader. De hond keek nog even met een oog vanaf zijn deken en sliep weer verder. Zes uur ’s ochtends, iedereen ging maar slapen, de nacht was dan wel voorbij, maar de slaap nog niet geslapen.

Kampeergeklets

 

Op de camping waar we terecht gekomen zijn wemelt het van de jonge kinderen. Nu kun je dat negatief benaderen en klagen over het jammeren en huilen. De terreur van de peuters en het gezeur van de kleuters. Dat zou hetzelfde zijn om te vinden dat de Franse zon te heet is en de donderbui van vannacht te hard en te nat. Nee, ik kies ervoor om de kleine kinderen te waarderen. Ze zijn leuk.

Een jongentje en een meisje gewapend met een afgebroken tentstokje lopen langs. Ze blijven staan en concentreren zich op hun werkje. Met de stokjes maken ze rondjes op het grindpad. ‘Mijn schrijfletter, ik maak een schrijfletter,’ roept de een . Het jongentje kijkt naar zijn tekening en veegt het snel uit met zijn voetje. Kennelijk een schrijffoutje.

Even later loopt een jochie van een jaar of acht op te scheppen over zijn verstand. ‘Ik ben niet zo oud als jullie maar ik weet wel meer, voor mijn leeftijd,’ vertelt hij het meisje met staartjes en een roze badpakje dat naast hem loopt. ‘O, wat is acht maal zestig?’ Ze stelt de vraag niet om hem te testen. Het schiet haar gewoon te binnen. De jongen kijkt even voor zich uit. ‘Maal heb ik nog niet gehad,’ redt hij zijn vege verstand. Ze lopen uit mijn blikveld. Van achter de struikjes hoor ik hem ineens roepen: ‘Maal is gewoon keer, o, dat wist ik niet.’ Het tweede meisje dat met hen meeloopt, reageert kalmpjes. ‘Dat is vierhonderdzestig.’ De jongen zwijgt. Ik glimlach om de mislukte imponeer-actie van het knaapje.

Dan loopt er een ragfijn rood poesje over het weggetje. Hond P. wil de aanval inzetten. De kat, hoe klein en pril ook, kent geen aarzeling. Met een strak uitgevoerde klimactie, klautert ze de boom op ons terrasje in. Ze loopt bijna langs de stam naar boven. Veilig tussen de bladeren kijkt ze of de kust veilig is. Even later wordt het katje door het meisje van een jaar of vijf tegenover ons liefdevol omarmd. De kat moet mee in het huisje, want het diertje heeft geen eigen huis. De vader is het er niet mee eens en begint een fraai pedagogisch gesprekje. Niet alleen kinderen kunnen mooi praten, ook papa’s hebben een goed verhaal in huis. Hij wil niet verbieden, maar probeert het meisje te laten inzien dat het geen goed idee is om het diertje in huis te nemen. ‘Het poesje loopt hier gewoon rond, maar kan toch wel een eigen huis hebben?’ Het meisje knikt. ‘En als wij haar hier binnen laten raakt het poesje in de war, toch?’ Opnieuw is het meisje het met vader eens. ‘Na ons komen andere mensen in dit huisje, en die hoeven niet van katjes te houden, dan is het katje hier gewend en worden de mensen boos als ze hier naar binnen komt, dat is toch niet fijn voor haar?’ Het meisje zou dat heel erg vinden. Maar dan begrijpt ze dat haar vader haar in de val heeft gelokt. ‘Mag de poes nu niet naar binnen?’ Haar mondje staat op pruilen. Gelukkig komt haar vriendje met zwembandjes langs. De poes is op slag vergeten. Papa ziet het en pakt het badlaken van de lijn. Met de gekleurde handdoek leidt hij haar af van de poes. ‘Ja, lekker naar het zwembad, snel.’ Het poesje is ondertussen op weg naar een ander kampeerplekje.

Opvoeden op de camping

Camping vol Nederlandse gezinnen zijn fantastisch. Ik geniet me suf. Vaders en moeders met jonge kinderen zijn mijn vakantie-attractie. ‘Ik doe altijd alles fout,’ roept het blonde buurjongetje dat met zijn ouders en twee broertjes naast ons staat. Een herkenbaar gevoel, voor een negenjarig mannetje. Gisteren kreeg hij op zijn kop toen hij zijn vader nat spoot met zijn waterpistool. Vader reageerde heel fors en nors. ‘Ik snap het niet, als ik het bij mama doe moet ze lachen, maar jij bromt meteen.’ Ook in vakanties moet je als ouders afstemmen en consequent blijven.

Bij het riviertje waar de campingbaas een heerlijk stuwmeertje heeft gemaakt en veel kinderen in het water spelen en hun ouders rosé drinken en proberen te lezen in Karen Slaughter of Suzanne Vermeer, is het ook heerlijk om opvoedgesprekjes af te luisteren. Een meisje van een jaar of vijf komt huilend naar haar vader. Ze is met haar All Stars in het water gelopen. ‘Ik wist niet dat het geen waterschoentjes waren,’ huilt ze. Haar vader zegt dat het onzin is, dat ze beter moet opletten. Hij wijst haar terecht. Ze reageert fantastisch.’Ik vind het niet eerlijk dat papa’s altijd de baas zijn.’ Zonder blikken of blozen stelt vader dat papa’s altijd de baas zijn, dat dat zo is.

Tegenover ons bivakkeerden een jong gezin met drie kinderen. Vader Piet, zijn vrouw Ineke en de kinderen Bas, Lieke en Maartje. Hun opa en oma waren er ook en hun oom en tante met hun kinderen ook. De man werd misbruikt door de hele familie als oppasser. Oom Piet mocht steeds op de kinderen passen. Met engelengeduld kweet hij zich van zijn taak, als de rest van de familie naar leuke marktjes ging of wandelingen gingen maken. Pas toen zijn dochter de witte vulling uit haar koekje op het gezicht van haar nichtje smeerde, werd het oom Piet te veel. ‘Ik vind dit niet leuk, dat is heel smerig,’ barstte hij uit. Kort daarna hervatte hij zijn zorgtaak alsof er niets aan de hand was. Toen tante Ineke terug kwam, kreeg hij een snauw van haar dat de jongste kinderen al lang op bed hadden moeten liggen voor het middagslaapje. ‘Ik doe ook alles fout,’ zag je hem denken,