Schrijven op een Franse camping

Ik loop met mijn laptop onder mijn arm over het witte grind waarmee de weggetjes op de camping zijn verhard, naar de koelte van het restaurantje bij de entree van de kampeerplaats. Het is een warme dag, de lucht is wolkeloos; zonlicht weer ik met mijn strooien hoed. Frankrijk zucht onder een hittegolf. De kaartjes bij de weersverwachting in de krant zijn roodgekleurd en voorzien van een knalgeel zonnetje. Af en toe voel ik een steentje tussen mijn blote voet en de slipper die ik draag.
Het restaurant is een half open ruimte. Er staan lange tafels met banken, die bij een Oktoberfest goed gebruikt kunnen worden om ingehaakt mee te zingen met een schlager. Gelukkig is het augustus en is er geen bierpul of lederhosen te bekennen. Een wand is gevuld met affiches van toeristische attracties. Grotten, zwembaden, kanotochten en lokale marktjes. In mappen zijn routebeschrijvingen van wandelingen in de buurt. Aan de dikte van de ordners te zien kun je hier kilometers ver lopen. Misschien is er een route uitgezet langs het spoor dat niet meer gebruikt wordt, maar dat vlak voor de camping loopt over een stenen brug, gestut door metershoge bogen. De naam van de camping verwijst naar deze bogen. Een paar kilometer verderop staan bij een verlaten stationsgebouw de oude wagons weg te roesten. Graffitispuiters hebben hun tags achtergelaten.
Aan de smalle kant van het restaurant is de receptie. Kampeerders melden zich er om hun plekje te betalen of te vragen hoe ze aan elektriciteit kunnen komen. In het hokje vol geordend papier wordt geduldig op alle vragen, die elk seizoen terugkeren geantwoord. Naast de balie is een barretje. De prijslijst hangt links, een biertje heet een pression, en de rosé staat koud in de ijskast. Aan het plafond hangen chipsverpakkingen met de prijs erop. Een rieten afdakje hangt boven de bar, alsof het een strandtentje is ergens in de tropen. Twee kleine jongetjes zijn op de barkrukken gekropen en oefenen alvast voor toekomstig kroeggenot. De krukken zijn groter dan zij zelf zijn. Op de hoge zetels smullen ze van een ijsje. Achter de bar staat vaak een Franstalige bediening. Door de vele Nederlandse gasten spreken ze wat Nederlands, al is de een bedrevener in de taal met de harde g en de rollende r dan de ander. ’s Ochtends haal ik hier ons brood. Vers brood, croissants en pain de campaigne, afgewisseld met een pain plein. Lange lage broden, die knisperen als je ze snijdt. De man die de broden verkoopt, kent mij na een paar dagen, eerst weet hij mijn huisjesnummer en enkele dagen later weet hij mijn naam. In het hoekje naast de keuken is een speelplek gemaakt voor de allerkleinste bargasten. Met een houten witten hekje is de hoek afgebakend. Gisteravond krioelde het van het kleine grut. Hun ouders dronken hun wijntje, even onbezorgd.
De andere lange zijde van het restaurant is open en kijkt uit over de vallei, waar de rivier verborgen ligt in de diepte, wel zijn de groene boorden zichtbaar. Tussen de groene bomen en struiken is de rotsige ondergrond te zien. Hier en daar is het gesteente uitgeslepen door water of wind. De open rand is voorzien van een balustrade. Juist hier zijn de zitplekken het heerlijkst om te schrijven. Ik neem er graag plaats. De verfrissende ochtendbries is er goed te voelen en het uitzicht over de vallei en over het restaurant is er prima. Ik neem plaats op een groen kleurige kunststoffen stoeltje aan een plastic tafeltje. De Harmannstoel is geen goede ondersteuning voor de rug. Na een uur zitten, krijg ik absoluut harde billen. Terwijl de laptop zich opstart, kijk ik rond. Het is nog rustig. Een vrouw met blond haar en twee kinderen, checkt haar mail op haar iPad en glimlacht bij enkele berichten. Ze begint fanatiek terug te tikken. Met een nadrukkelijk knik van het hoofd, schrijft ze nog een stukje. Dat zal hem leren, zie je haar denken. Achter haar zit een man met bierbuikje en een terugwijkende haargrens. Hij drinkt een espresso en bladert door het lokale nieuwsblad. De enige informatie die zo’n krant mij oplevert is de ‘meteo’. Maar die is niet interessant omdat het zomerweer heel stabiel is en de temperatuur onveranderd hoog blijft.
Ik tik mijn eerste woorden van de dag. De ipod speelt muziek. Ik sluit me af voor het campingleven. Af en toe ben ik nieuwsgierig. Ik wip dan het oordopje uit en luister naar het verhaal van een kleine wat dikke donkerharige moeder die komt melden dat de fohn niet werkt in het toiletgebouw. De eigenaresse vraagt of haar föhn kapot is, maar de vrouw maakt duidelijk dat het om een probleem gaat met de elektriciteit. Ze belooft dat er zo snel mogelijk een mannetje naar gaat kijken.
Ik stop mijn oortje weer dieper en hoor een opzwepende gitaarriff. Ik betrap me dat ik op het ritme zit mee te wiegen. Snel controleer ik of ik bekeken wordt. Niemand heeft oog voor me. Ik schrijf verder aan mijn roman. Ik zie nu alleen het scherm en de woorden die ik aaneenrijg. De zwarte letters op het witte vlak in een blauwe lijst. Het stroomt, de tekst groeit, de dialogen lopen en de beschrijvingen kloppen.
Een briesje dat ik ineens langs mijn benen voel strijken leidt me af. Opnieuw kijk ik rond. De eigenaresse staat nu met een bord pasta en een salade in haar hand en zoekt een plekje in het eigen restaurant. Haar zwarte zomerjurk en de open slippers, suggereren dat ze ook een campinggast is. Op haar hoofd heeft ze haar zonnebril in het haar gestoken, als een zomers kroontje. Ze plaatst haar avondeten op een tafeltje en loopt terug naar de bar voor een rosé. Met haar glas en een krantje dat ze halverwege de eetzaal oppikt, loopt ze naar haar plekje en gaat ze eten. Onderwijl houdt ze oog op de zaak, groet een gast, laat haar eten koud worden om een personeelslid aanwijzingen te geven, er is geen moment rust. Het is druk op de camping, maar ze houdt het hoofd koel. Gastvrijheid doe je met een glimlach. Ik merk dat ik aan het staren ben. De ipod gaat harder en ik verleg mijn blik weer naar het scherm, het werk wacht.
Ik beloof mezelf dat ik zo’n heerlijk koel, schuimend biertje mag als ik mijn opgelegde vier pagina’s heb volgeschreven. De worst voor mijn neus werkt, ik richt me op de toetsen en kom sneller dan ik gedacht had aan mijn qoutum. Aan de bar bestel ik in mijn beste Frans een biertje. Ik betaal en dan staat het beloofde glas voor mijn neus. Waterdruppeltjes zoeken een weg naar beneden langs het glas. Ik hoor het bruisen en ruik de hop. De eerste slok in mijn mond laat ik kort op me in werken, verkoelend, begerig volgt de tweede teug. De hitte is in het restaurant niet zo te merken, maar ik zie op de zonovergoten grindpaadjes buiten mensen in zwemkleding, met badhanddoeken en opblaasdieren naar het zwembad lopen. Sommigen van hen stoppen bij het restaurant om een ijsje te kopen. Ik berg mijn laptop op in de tas, neem het laatste slokje bier en loop ook de warmte in. De hoed houdt mijn hoofd koel. Als ik per ongeluk uit mijn slipper schiet, en mijn voet op de witte steentjes stap, voel ik de hitte aan mijn zolen. Het is warm in Frankrijk, maar de ontspanning om me heen werkt verfrissend.






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat hier je reactie op het bericht achter.